Toen de winkel nog aan de deur kwam
Boorsem, jaren vijftig. In een tijd waarin de auto nog lang geen vanzelfsprekend bezit was en een grootwarenhuis voor veel gezinnen ver weg lag, kwam een deel van de dagelijkse handel gewoon tot voor de deur. Ook de groenteman trok met paard en kar door het dorp, beladen met groenten en fruit. Het was een vertrouwd beeld in het straatleven van die jaren. Zo'n rondtrekkende handelaar werd officieel tot de leurhandel gerekend: het verkopen of aanbieden van waren van deur tot deur en op de openbare weg. In België bestond hiervoor reeds vóór de oorlog een wettelijke regeling. Het Koninklijk Besluit van 28 november 1939, later bekrachtigd bij wet in 1947, regelde deze vorm van handel. In Boorsem zal zijn komst nauwelijks onopgemerkt zijn gebleven. Het hoefgetrappel van het paard, het knarsen van de wielen en het stilhouden van de kar waren voor de huisvrouwen het teken om naar buiten te komen. De groenteman hoefde niet aan iedere deur afzonderlijk binnen te gaan. De kar was zijn winkel. De klanten kwamen er rond staan en kozen wat ze nodig hadden voor de dagelijkse pot. Dat dit geen romantisch verzonnen beeld is, blijkt uit herinneringen aan het dagelijkse leven in België rond 1950. In een getuigenis over die periode wordt beschreven hoe de groenteboer met paard en kar aan huis kwam, waarna de vrouwen rond de wagen gingen staan. Groenten en fruit werden op de weegschaal afgewogen en vervolgens rechtstreeks in de boodschappentas van de klant gelegd. Verpakkingen zoals wij die tegenwoordig kennen, waren nauwelijks nodig. Op de kar lagen, afhankelijk van het seizoen, aardappelen, kolen, wortelen, prei, ajuinen en andere groenten, naast appelen, peren en ander verkrijgbaar fruit. Het seizoen bepaalde wat er te koop was. De keuze was kleiner dan vandaag, maar de waren waren eenvoudig en bestemd voor de dagelijkse keuken. Ook elders groeiden dergelijke handelsrondes uit kleine huis-aan-huisverkopen van bijvoorbeeld appelen en peren tot volledige groenten- en fruitrondes. Een onmisbaar werktuig was de weegschaal. Een kilo aardappelen, wat ajuinen of een hoeveelheid fruit werd ter plaatse afgewogen. Daarna verdween de aankoop in de eigen boodschappentas of mand. Geen plastic bakjes, geen voorverpakte porties en nauwelijks wegwerpverpakking. Men kocht wat men nodig had. En ondertussen werd er gepraat. Want de groenteman bracht meer mee dan alleen zijn koopwaar. Tijdens zijn ronde hoorde hij wat er in het dorp gebeurde. Een geboorte, een huwelijk, iemand die ziek was, een koe die gekalfd had of nieuws van een familie verderop: aan de kar werden de kleine en grote gebeurtenissen van het dorpsleven uitgewisseld. De komst van zo'n handelaar was daardoor tegelijk een klein sociaal moment. Voor de groenteman zelf was het hard werken. Zijn dag begon vroeg. De waren moesten worden verzameld, gesorteerd en op de kar geladen. Daarna volgde de ronde, straat na straat en huis na huis. In weer en wind moest hij verder. Het paard was daarbij zijn trouwe werkkracht. Het trok de zwaarbeladen wagen en kende na vele rondes wellicht even goed als zijn baas de plaatsen waar gewoonlijk werd haltgehouden. Langzaam veranderde die wereld. Bromfietsen, bestelwagens en auto's werden algemener. Winkels werden beter bereikbaar en de huis-aan-huisrondes moderniseerden of verdwenen. Waar vroeger het paard rustig langs de huizen stapte, verscheen steeds vaker een gemotoriseerde winkelwagen. Maar voor wie het Boorsem van de jaren vijftig nog gekend heeft, moet dat geluid lang herkenbaar zijn gebleven: de hoeven op de straat, het gerammel van de kar en de groenteman die weer zijn vaste ronde deed.
X


Geen opmerkingen:
Een reactie posten