zondag 25 oktober 2026

LAMAZE, EEN NIEUWE JEUGDCLUB TE KOTEM-BOORSEM (FOTO 1973)

Ingekleurde versie

Updated

Lamaze, een jeugdvereniging die langzaam maar zeker groeide 

Wie terugdenkt aan het vroegere dorpsleven, denkt al gauw aan de verenigingen die mensen samenbrachten. Achter iedere vereniging stonden inwoners die hun vrije tijd wilden geven om iets voor anderen te betekenen. Soms begon dat heel eenvoudig: met een gesprek, een gezamenlijk plan en een paar mensen die bereid waren de eerste stap te zetten. Ook in Kotem en Boorsem ontstond op die manier een initiatief dat de jeugd nieuwe mogelijkheden wilde bieden. We gaan terug naar het prille begin van Lamaze, een jeugdvereniging waarvan de naam was gevormd uit de woorden ‘Langzaam maar zeker’. Een toepasselijke naam voor jongeren die stap voor stap een eigen werking wilden opbouwen. Hun plannen waren ruim, hun middelen beperkt, maar de bereidheid om samen iets te ondernemen was er. Het enthousiasme na een eerste kamp, de mensen die de werking droegen en over de zorgen die bij zo’n initiatief kwamen kijken. 

Een gemis in het plaatselijke jeugdleven

Op dat moment was er noch in Kotem, noch in Boorsem een actieve jeugdbeweging. Voor jongeren die zich ter plaatse bij een jeugdvereniging wilden aansluiten, bestond dus een duidelijke leemte. In Boorsem had pastoor Willekens eerder een voorzichtige aanzet gegeven. Zijn vroegtijdige overlijden zorgde van het uitblijven van een verdere uitbouw. Wel blijkt dat het verlangen naar een eigen jeugdwerking bleef leven. Uiteindelijk waren het jongeren uit beide dorpen die besloten zelf initiatief te nemen. Zij wilden iets organiseren voor de kinderen en jongeren uit hun omgeving en tegelijk ook voor zichzelf een vereniging uitbouwen. Dat laatste verdient aandacht: ook de initiatiefnemers hadden behoefte aan een plek binnen het dorpsleven waar zij samen plannen konden maken en verantwoordelijkheid konden opnemen. Ongeveer twintig jongeren vonden elkaar rond dat voornemen. De meesten waren studenten. Vanuit die groep groeide Lamaze, met de bedoeling om de jeugd van beide parochies samen te brengen.

Een kamp in Zepperen gaf vertrouwen

Een belangrijk moment in het beginverhaal was een kamp in Zepperen. Ongeveer veertig jongens, tussen tien en veertien jaar oud, namen eraan deel. Voor een jonge groep was dat een flinke onderneming. Een kamp betekende immers veel meer dan een bestemming kiezen. Er moesten voorbereidingen worden getroffen, begeleiders beschikbaar zijn en financiële afspraken worden gemaakt. De verantwoordelijkheid voor een groep kinderen vroeg inzet, ook vóór de eigenlijke kampdagen begonnen. De eerste ervaring werd als geslaagd beschouwd. Dat succes moedigde de initiatiefnemers aan om verder te gaan. Er was nu iets tastbaars om op voort te bouwen. De groep had laten zien dat zij samen een activiteit kon organiseren waarvoor belangstelling bestond. Het kamp werd zo een vertrekpunt voor verdere plannen en voor de wens om een ruimere werking uit te bouwen.

De mensen achter de naam

De vereniging koos bewust voor een werking zonder voorzitter of secretaris. De betrokkenen wilden als kernleden samenwerken, zonder een onderlinge rangorde met vaste bestuurstitels. Dat was een opvallende keuze. De nadruk lag op de gezamenlijke inzet: de vereniging moest worden gedragen door de groep.

De namen op de foto niet in volgorde: Gerard Janssen, Jean en René Smeets, François Merlo, Tom, Jef, Leon en Thieu Lemmens, André Janssen, Jef Wijnen, Elianne Janssen, Anita en Monique Opsteyn, Mathieu Lovenich, Domien Kuypers, Mieke en Wim Delille en Jef Conaert.

Voor wie Kotem en Boorsem van toen heeft gekend, zal die opsomming wellicht herinneringen oproepen. Een naam kan voldoende zijn om opnieuw aan een dorpsgenoot, een vroegere vriend of een familielid te denken. Voor latere generaties maakt de lijst zichtbaar wie er bij het begin betrokken was. De geschiedenis van een vereniging bestaat tenslotte uit mensen. Een naam als Lamaze blijft bewaard op papier, maar zonder de inzet van de kernleden zou er geen kamp zijn geweest en geen programma om verder uit te werken.

Een vereniging met brede plannen

De initiatiefnemers wilden zich niet beperken tot één jaarlijks kamp. Hun voorgenomen programma bestreek verschillende onderdelen van het jeugdleven. Er waren plannen voor filmvoorstellingen waaraan een bespreking werd gekoppeld. Daarmee wilde men ruimte maken om na het kijken ook samen over een film na te denken en ervaringen of meningen uit te wisselen. Daarnaast werden kleinkunstavonden en discussieavonden genoemd. Ook de uitbouw van jeugdmissen behoorde tot de plannen. De band met de parochies was dus aanwezig in de werking die men voor ogen had. Verder dacht de groep aan vakanties voor kinderen, nieuwe kampperiodes en ontspanningsactiviteiten. Samen geven die voornemens een beeld van een vereniging die ontmoeting, cultuur, gesprekken en ontspanning wilde combineren. Kinderen moesten er activiteiten kunnen beleven, terwijl oudere jongeren ook gelegenheid kregen om zelf iets te organiseren en inhoud aan de vereniging te geven. Niet al die plannen mogen zonder meer als uitgevoerde activiteiten worden beschouwd. Het kamp in Zepperen had al plaatsgevonden; de andere onderdelen werden in 1973 voorgesteld als het programma waaraan men wilde bouwen.

Ook werkende jongeren moesten hun plaats vinden

Hoewel de eerste groep voornamelijk uit studenten bestond, wilde Lamaze zich uitdrukkelijk openstellen voor andere jongeren. Ook wie al werkte, moest aansluiting kunnen vinden. Die bedoeling maakte deel uit van het streven om een vereniging voor de plaatselijke jeugd te worden. De initiatiefnemers wilden hun werking verder laten groeien dan de kring waaruit zij zelf waren voortgekomen. Daarbij werkten jongeren uit Kotem en Boorsem samen aan één initiatief. De vereniging verbond zo mensen uit beide dorpen rond dezelfde behoefte: meer mogelijkheden om elkaar te ontmoeten en samen activiteiten te ondernemen.

De financiële werkelijkheid achter het enthousiasme

Wie een vereniging opricht, ontdekt al snel dat goede wil alleen de uitgaven niet dekt. Ook bij Lamaze kwam die werkelijkheid duidelijk naar voren. Het eerste kamp in Zepperen kostte 25.000 Belgische frank. Dat bedrag moest door een beginnende vereniging worden gedragen, terwijl ook andere kosten aandacht vroegen. Zo werd vermeld dat de verzekering op zichzelf al duurder was dan de gemeentelijke toelage die men ontving. De vraag om meer ondersteuning was dan ook een belangrijk onderdeel van het bericht. De kernleden vonden dat hun inzet de gemeenschap ten goede kwam en hoopten dat de gemeente hun werking sterker zou ondersteunen. Daarbij ging het ook om de opleiding van de begeleiders. Kernleden die een cursus voor monitor of monitrice volgden, moesten die tot dan toe zelf betalen. Naast hun vrije tijd staken zij dus ook eigen middelen in hun engagement. Dat detail zegt veel over de inspanning achter het initiatief. De vereniging wilde activiteiten aanbieden en tegelijk investeren in de mensen die daarvoor verantwoordelijkheid opnamen. Om dat te kunnen volhouden, waren voldoende inkomsten en ondersteuning nodig.

Belangstelling vanuit de dorpen

Volgens de verslaggever stonden heel wat inwoners van Kotem en Boorsem achter de jeugdgroep. Men hoopte dat Lamaze iets kon betekenen voor de jongeren en voor het verenigingsleven in beide dorpen. Dat vertrouwen was voor een beginnende werking van belang. Een vereniging heeft mensen nodig die deelnemen, maar ook een omgeving die haar inzet erkent en haar de kans geeft om te groeien.

Een begin dat het bewaren waard is

Ruim een halve eeuw later heeft dit bericht een andere betekenis gekregen. Wat in 1973 nieuws was over een pas begonnen jeugdvereniging, is vandaag een bron voor de geschiedenis van Kotem en Boorsem. Het bewaart de namen van de kernleden, de herinnering aan het kamp in Zepperen en de plannen waarmee jongeren aan de slag wilden. Ook de moeilijkheden zijn erin terug te vinden: de kosten van een kamp, de uitgaven voor vorming en de behoefte aan voldoende gemeentelijke steun. Daardoor krijgen we geen verhaal waarin alles vanzelf ging, maar een herkenbaar beeld van vrijwilligers die iets probeerden op te bouwen. Zij begonnen met de mogelijkheden die er waren en zochten onderweg naar middelen om verder te kunnen. De naam ‘Langzaam maar zeker’ past bij dat begin. De vereniging hoefde niet op de eerste dag volledig uitgebouwd te zijn. Er was een groep die wilde samenwerken, er was een eerste geslaagde ervaring en er waren ideeën voor de toekomst. Daar ligt de waarde van dit stukje dorpsgeschiedenis. Jongeren uit Kotem en Boorsem zagen een behoefte en besloten er samen iets aan te doen. Hun inzet verdient een plaats in de herinnering aan het verenigingsleven van beide dorpen.

X


donderdag 22 oktober 2026

EISDEN – DE BROUWER MET ZIJN FORD 1952

Ingekleurde versie

Updated

Vijf mensen, een geladen vrachtwagen en een pint in de hand. Deze foto bewaart een mooi stukje plaatselijk leven. Even wordt er geposeerd naast de Ford, met op de laadbak houten kratten vol flessen. Twee mannen dragen een lange werkjas, anderen staan er in een donker pak. De vrouw links kijkt glimlachend naar de fotograaf. Wat de aanleiding voor dit samenzijn was, weten we niet. Maar het beeld straalt een eenvoudige gezelligheid uit die ook na zoveel jaren herkenbaar blijft. Achter deze foto schuilt bovendien een stukje Eisdense drankengeschiedenis. In de familiegeschiedenis van de familie Ramakers-Meyers wordt Sander Simons genoemd, een zoon van Petronella ‘Nel’ Dedroog en ‘Thieuke’ Simons. Hij begon in de Populierenstraat een zaak die wordt omschreven als een limonadefabriek en een depot van brouwerij Vandenheuvel. De onderneming situeert zich tegenover het huis van zijn moeder, in een gebouw dat voordien een schuur was. Zo krijgt de plaatselijke herinnering aan ‘de brouwer’ een naam en een achtergrond. Dat onderscheid is van belang. Wie in het dorp ‘de brouwer’ werd genoemd, hoefde niet noodzakelijk zelf bier te brouwen. Bij de beschreven zaak van Simons ging het om de combinatie van eigen limonadeproductie en een brouwerijdepot. De vertrouwde benaming kon dus ook verbonden zijn aan de man die het bier verdeelde en aan huis bracht. In de opgetekende jeugdherinneringen van Hubert Ramakers lezen we dat de brouwer bij de gezinnen aan de deur kwam. Er wordt verteld over licht tafelbier, dat vooral in de zomer werd gedronken, en over de limonade van Simons. Die maakte volgens deze herinneringen bruisende dranken met onder meer citroen- of sinaasappelsmaak. Het zijn persoonlijke getuigenissen, maar juist zulke kleine bijzonderheden brengen het dagelijkse leven van het vroegere Eisden dichtbij. Op onze foto staat de vrachtwagen letterlijk achter de mensen, maar hij vormt een belangrijk deel van het verhaal. De houten kratten, de flessen en de open laadbak tonen een voertuig dat voor drankentransport werd gebruikt. Boven de cabine is een deel van het woord ‘limonade’ te herkennen. Dat past bij de combinatie van bierverdeling en limonadeverkoop die in de Eisdense herinneringen wordt beschreven De Ford was hier een werkinstrument, verbonden met laden, lossen en leveren. De foto toont niet hoe zo’n werkdag verliep, maar de vracht staat klaar en de werkjassen maken het beroep tastbaar. Tegelijk is het een groepsportret: de mensen krijgen voor even de hoofdrol, met hun glas in de hand en hun blik op de fotograaf. Een Ford, houten kratten en vijf geheven glazen. Meer was er niet nodig om een klein stukje Eisden uit 1952 mee te geven aan de generaties die zouden volgen.

X




EISDEN - BOORTOREN 76

Ingekleurde versie

Updated
Deze toren situeerde zich op de plaats waar vroeger het zwembad van Eisden lag.

Een hoge, smalle boortoren steekt boven het open landschap uit. Aan zijn voet staan eenvoudige werkgebouwen, wat verder een klein huisje. Zandwegen trekken hun sporen door de schrale grond en aan de horizon ligt een brede bosrand. De foto toont een Eisden waarin de mijnindustrie nog maar haar eerste stappen zette. De precieze opnamedatum is niet bevestigd; het beeld behoort tot de vroege ontstaansgeschiedenis van de mijn. De zoektocht naar steenkool kreeg in Limburg een beslissende impuls toen op 2 augustus 1901 in As, onder leiding van André Dumont, steenkool werd aangeboord. Ook rond Eisden volgden proefboringen. Op 22 juni 1907 werd de maatschappij Société Anonyme des Charbonnages Limbourg-Meuse definitief opgericht. Zij zou de Eisdense mijn uitbouwen. De aanduiding 76 verwijst naar de verkenningsboring waarmee deze plek verbonden was. Met zulke boringen onderzocht men de opeenvolgende grondlagen. Het opgeboorde materiaal hielp om de ondergrond te beschrijven en de mogelijkheden voor verdere werken te beoordelen. Een boortoren hoorde dus bij het voorbereidende onderzoek: op deze plaats stond nog geen werkende mijn waar dagelijks kolenwagens naar boven kwamen.  Juist boring 76 neemt een bijzondere plaats in de plaatselijke geschiedenis in. Volgens de gemeente Maasmechelen wilde men de nieuwe mijn aanvankelijk in de nabijheid ervan aanleggen. De gemeente situeert die boring achter de tennisvelden bij de Oude Burelen. De bouwplaats van die eerste administratiegebouwen en de directeurswoning hield verband met dat oorspronkelijke plan.  Maar de bodem besliste anders. Er bleek meer drijfzand en water aanwezig dan men uit de boorresultaten had afgeleid. De plek werd daardoor ongeschikt bevonden voor het delven van de mijnschachten. Men verplaatste de schachtaanleg een flink stuk naar het noordoosten, naar de omgeving van boring 81. De Oude Burelen bleven op hun oorspronkelijke plaats staan. Zo verklaart een probleem diep onder de grond waarom de eerste administratiegebouwen op afstand van de uiteindelijke mijnschachten lagen.  Wie de foto aandachtig bekijkt, ziet vooral de bescheiden schaal van dit begin. De toren beheerst het beeld, maar rondom blijft het landschap open. Enkele kleine menselijke figuren maken duidelijk hoe hoog de installatie boven de werkplaats uitstak. Het zijn zichtbare sporen van een onderneming waarvan de latere omvang hier nog nauwelijks te vermoeden valt. Boortoren 76 herinnert daarmee aan een minder bekend hoofdstuk van Eisden: de jaren van onderzoeken, plannen en bijsturen. Nog vóór de vertrouwde schachtbokken het landschap zouden tekenen, stond hier deze slanke toren tussen zand, struikgewas en bos. Een vroege getuige van de zoektocht die de streek ingrijpend zou veranderen.

X




MECHELEN-AAN-DE-MAAS "WAAR STEENWEG EN DORPSTRAAT ELKAAR ONTMOETTEN"

Ingekleurde foto (personen verwijderd wegens te slechte kwaliteit)

Sommige dorpsgezichten veranderen zo ingrijpend dat we even moeten zoeken om de plek nog te herkennen. Deze plek neemt ons mee naar de kruising van de toenmalige Steenweg, de huidige Rijksweg, en de Dorpstraat, die we vandaag kennen als de Dokter Haubenlaan. Rechts ligt tegenwoordig de omgeving van het Gemeenteplein; links herkennen we de zijde waar later de shopping kwam. Maar op deze foto kijken we nog naar een heel ander Mechelen. De straat ligt breed en open voor ons. De onregelmatige bestrating, de hagen langs de woningen en de lage bebouwing geven het kruispunt een uitgesproken dorps karakter. Boven de weg hangt een straatlamp. De hoge palen tekenen zich af tegen de lucht. Het zijn eenvoudige details, maar samen maken ze de afstand van meer dan een eeuw plots bijzonder tastbaar. Rechts op de voorgrond zien we een hoeve. Daarachter bevindt zich een wit huisje, vervolgens de aansluiting van de Heirstraat en verder het gemeentehuis met het vredegerecht. Die opeenvolging is belangrijk om het oude straatbeeld te begrijpen: waar we vandaag vooral een plein en openbare ruimte ervaren, stonden toen nog gebouwen die het zicht bepaalden. De hoeve en het bescheiden huisje brachten het dagelijkse dorpsleven tot vlak bij het bestuurlijke hart van de gemeente. Boven die lagere bebouwing verheft zich de slanke toren van het gemeentehuis. Het gebouw was rond 1910 nog betrekkelijk nieuw. Het werd in 1900 opgericht onder burgemeester Joseph Smeets, naar een ontwerp van architect Gérard Rypens. De bouw op deze plek betekende ook een verschuiving van het dorpscentrum naar het kruispunt van belangrijke wegen. De toren markeerde de hoek van de Dokter Haubenlaan en de Heirstraat. Het gemeentehuis en vredegerecht gaven deze straathoek een bijzondere betekenis. Naast wonen, winkelen en boerenwerk kregen ook bestuur en rechtspraak hier hun plaats. De combinatie van beide functies in het nieuwe gebouw wordt eveneens vermeld in de lokale geschiedschrijving. De bakstenen gevels, de lichte natuurstenen banden en het donkere leien dak verleenden het gemeentehuis een waardige uitstraling. Toch toont de foto een vroegere toestand dan het gebouw dat latere generaties leerden kennen. Na zware beschadigingen in 1944 volgden herstel en uitbreiding in 1951, onder leiding van architect Victor Broos. Wie oude en recentere beelden vergelijkt, moet met die veranderingen rekening houden. Links trekt een heel ander herkenningspunt de aandacht: Huis Verschelde. Op de grote witte zijgevel werd het winkelassortiment aangeprezen. Witgoed, lingerie, ellegoederen, hoeden en klakken: de gevel vertelde voorbijgangers waarvoor ze hier terechtkonden. Met witgoed werden in deze winkelcontext witte textielwaren bedoeld; ellegoederen waren stoffen die op lengte werden verkocht. Het zijn woorden die ons meteen dichter bij het winkelen van vroeger brengen. Die beschilderde zijgevel was als het ware het uithangbord van de winkel. De reclame stond hoog en was vanaf de Steenweg zichtbaar, al verdween een gedeelte achter de takken van het boompje. Juist dat maakt het beeld zo vertrouwd: een winkel gebruikte de beschikbare muur, terwijl het groen eenvoudig zijn eigen plaats bleef innemen. Ook de Dorpstraat zelf droeg al een bewogen geschiedenis mee. In augustus 1856 brandde ze op drie huizen na volledig af. Een belangrijk deel van de latere bebouwing ontstond tijdens de wederopbouw van 1857 en 1858. De straat verbond de Rijksweg met de Zuid-Willemsvaart; aan het kruispunt met de Heirstraat kwam het nieuwe Marktplein tot ontwikkeling. Vandaag liggen rechts het Gemeenteplein en links de shopping. De omgeving kreeg andere gebouwen, andere verhoudingen en een ander ritme. Toch helpt deze foto ons om onder het huidige straatbeeld het vroegere dorp terug te vinden: de hoeve, het witte huisje, de winkel met zijn gevelreclame en de toren die boven alles uitstak. Een kruispunt van wegen, maar ook van herinneringen. Hier lagen het landelijke Mechelen, de plaatselijke handel en het openbare leven nog zichtbaar naast elkaar.

 De moeilijk leesbare gevelreclame van Huis Verschelde werd gedeeltelijk gereconstrueerd op basis van de aangeleverde lezing. Oorspronkelijke Franstalige vermeldingen zijn niet overgenomen. De bewerkte foto geeft dus geen volledige, lettergetrouwe weergave van de oorspronkelijke reclame.

X




HERBRICHT - KONIKPAARDEN EN BOERDERIJ

Updated

Herbricht – konikpaarden en boerderij. Digitale aquarelillustratie met bovenstaande foto als inspiratie.

Er zijn beelden die met het verstrijken van de jaren een andere betekenis krijgen. Eerst zie je vooral de rust: enkele konikpaarden die grazen, een open weide en op de achtergrond een oude boerderij. Later wordt zo’n opname ook een herinnering aan wat verdwenen is. De boerderij die hier nog deel uitmaakt van het landschap, werd in 2021 afgebroken. Daarmee bewaart dit beeld een stukje Herbricht dat vandaag niet meer op dezelfde manier te zien is. Bij de paarden gaat het leven ondertussen verder. Ze buigen hun hoofd naar het gras, schuiven langzaam een eindje op en zoeken elkaars gezelschap. Hun aanwezigheid past bij de natuurontwikkeling langs de Maas, waar grote grazers mee vormgeven aan het landschap. In het RivierPark Maasvallei zijn vooral konikpaarden en gallowayrunderen daarvoor vertrouwde dieren geworden.  Het konikpaard komt oorspronkelijk uit Polen. De naam konik betekent letterlijk ‘paardje’. Achter dat bescheiden woord schuilt een sterk en sober paardenras, dat vroeger ook als werkpaard werd gebruikt. Het zijn dus paarden met een geschiedenis van domesticatie, die zich goed lenen voor een vrij leven in natuurgebieden. Hun gehardheid en hun vermogen om met wisselende omstandigheden om te gaan, maken hen geschikt voor natuurlijke begrazing.  Wie een kudde langere tijd bekijkt, merkt dat de dieren meer doen dan ieder afzonderlijk hun voedsel zoeken. Paarden leven in sociale verbanden. Ze onderhouden onderlinge relaties en maken deel uit van kleinere groepen, ook wanneer verschillende groepen samen een grotere kudde vormen. De rust die een grazende kudde uitstraalt, hoort bij een sociaal leven dat voor een voorbijganger maar gedeeltelijk zichtbaar is.  Ook het grazen zelf heeft betekenis. Konikpaarden eten kort gras en kruiden en vullen daarmee het graasgedrag van runderen aan. Zo ontstaan verschillen tussen kort begraasde plekken en ruigere begroeiing. Het resultaat is een afwisselend landschap met open grasland, struiken en bosjes. De paarden helpen dus mee het uitzicht van de Maasnatuur te bepalen. Elke dag opnieuw, zonder dat daar het geluid van een machine aan te pas komt. Hun leven buiten volgt het ritme van de seizoenen. In de warmere maanden kunnen ze reserves opbouwen; tegen de winter ontwikkelen ze een dikkere vacht. Ze kennen beschutte plaatsen en passen hun gedrag aan het weer aan. Natuurmonumenten beschrijft hoe de kuddes in de Maasvallei het hele jaar buiten leven en vertrouwd raken met de voedselplekken en veilige plaatsen in hun gebied. Die vrijheid gaat samen met toezicht en kuddebeheer door de verantwoordelijke organisaties. Langs de Maas blijft ook de rivier zelf een bepalende aanwezigheid. Bij laagwater steken grote grazers soms naar de andere oever over. Voor hen is het water dan een doorgang in hun leefgebied, terwijl het voor mensen tegelijk de grens tussen België en Nederland vormt. Dat natuurlijke gedrag vraagt samenwerking tussen de beheerders aan beide zijden van de rivier. De oude boerderij op de achtergrond geeft dit tafereel een bijzondere diepte. Haar muren herinneren aan het landbouwleven dat zo lang bij het Maasland hoorde. Ze vormde een herkenningspunt achter de grazende paarden, een vaste lijn in het open landschap. Nu het gebouw verdwenen is, kijken we anders naar die achtergrond. Wat vroeger vanzelfsprekend aanwezig leek, blijkt achteraf een belangrijk onderdeel van onze herinnering. Een foto bewaart zo meer dan alleen het ogenblik waarop de sluiter werd ingedrukt. Ze legt ook de verhouding vast tussen dieren, gebouwen en landschap. De paarden bewegen verder, het gras groeit opnieuw, de seizoenen keren terug. Een afgebroken boerderij keert niet terug. Haar plaats blijft bestaan, maar het vertrouwde silhouet leeft verder op beelden en in het geheugen van wie het gekend heeft. Wie de konikpaarden vandaag langs de Maas ontmoet, kan het best rustig op afstand blijven kijken. RivierPark Maasvallei vraagt minstens 25 meter afstand te houden, de dieren niet te voeren of te aaien en niet door de kudde te lopen. Zo behouden de paarden hun natuurlijke gedrag. 

X

woensdag 21 oktober 2026

MEMBRUGGEN ZAGERIJSTRAAT JAREN 50

Ingekleurde versie

Updated

De Zagerijstraat in Membruggen — tussen ambacht, pastorij en verdwenen hoeve

Sommige dorpsbeelden vertellen hun geschiedenis zonder veel woorden. Een straat met kasseien, een woning die slechts gedeeltelijk in beeld komt, een lange witte muur en een hoeve die voor de inwoners een vertrouwde naam droeg. Deze kijk op de Zagerijstraat in Membruggen brengt ons terug naar een dorpskern waarin wonen, werken en het parochieleven dicht bij elkaar lagen. Wat destijds vanzelfsprekend tot het straatbeeld behoorde, krijgt vandaag een andere betekenis: een deel bleef behouden, andere herkenningspunten verdwenen. Links op de foto zien we een gedeelte van de woning die bij de zagerij hoorde. Het is maar een smalle strook van het gebouw, maar voor wie de omgeving kent, vormt ze een belangrijk aanknopingspunt. Ze herinnert aan de ambachtelijke bedrijvigheid die hier haar plaats had. In een landbouwdorp waren houtbewerking, bouwen en het onderhoud van woningen en bedrijfsgebouwen nauw met elkaar verbonden. De naam Zagerijstraat houdt die herinnering aan het plaatselijke werkverleden levend. Aan de rechterkant loopt de witte muur die het terrein van de pastorij van de straat afscheidde. Achter die omheining lag de pastoorswoning met haar tuin. De muur, die er vandaag niet meer is, bepaalde mee het besloten karakter van deze plek. Vanaf de straat zag men vooral de afscheiding en de toegang; het leven achter de muur bleef grotendeels aan het oog onttrokken. Naast het pastorijterrein stond de hoeve die plaatselijk bekend was als ‘Met Grietjes’. Zo’n naam behoort tot de geschiedenis die vooral onder de mensen zelf wordt doorgegeven. Voor dorpsbewoners volstond hij om een huis, een erf en een stukje omgeving aan te wijzen. Ook wanneer de gebouwen verdwijnen, kan zo’n benaming nog jarenlang blijven voortleven. De hoeve werd gesloopt en vervangen door een appartementencomplex. Bouwkundig detail: de gevels waren opgetrokken met de eerste machinaal vervaardigde bakstenen van de plaatselijke steenbakkerij. Daarmee verdween ook een tastbare getuige van de lokale baksteenproductie. Die verbinding tussen een dorpshoeve en de plaatselijke steenbakkerij maakt het verhaal extra betekenisvol. De bakstenen waren meer dan bouwmateriaal: ze verbonden het gebouw met de grondstoffen, de arbeid en de bedrijvigheid van de streek. Ook de toeristische dienst van Riemst benadrukt die band en beschrijft de rustieke gevelstenen uit Membruggen als kenmerkend voor Haspengouwse hoeven. Vandaag vertelt deze foto daarom verschillende verhalen tegelijk. Links herinnert de woning aan de zagerij en het ambachtelijke leven. Rechts verwijst de verdwenen witte muur naar de besloten pastorijomgeving. Daarnaast roept ‘Met Grietjes’ het agrarische verleden op van een dorpskern die geleidelijk een ander uitzicht kreeg. Een dorp verandert zelden in één keer. Eerst verdwijnt een muur, later een hoeve, en op een vertrouwde plek verschijnt een nieuw gebouw. Voor wie er dagelijks voorbijgaat, worden zulke veranderingen na verloop van tijd gewoon. Pas bij het bekijken van een oude opname valt op hoeveel herkenningspunten verdwenen zijn. Juist daarom verdienen deze beelden en de bijbehorende namen een plaats in het dorpsgeheugen. Ze bewaren de samenhang tussen gebouwen die ooit elkaars buren waren. De zagerijwoning, de pastorij achter haar witte muur en hoeve ‘Met Grietjes’: samen vertellen ze een stukje Membruggen dat in deze vorm niet meer bestaat.

X




MEMBRUGGEN ZAGERIJSTRAAT

Links buiten de foto is de kerk.

MEMBRUGGEN ZAGERIJSTRAAT 1958 - ONDER DE VERTROUWDE KERKTOREN

Ingekleurde versie

Updated

Een klein huisje onder een steil pannendak, bomen langs een smalle doorgang en daarboven de vertrouwde toren van de Sint-Hubertuskerk. Deze foto brengt ons naar de Zagerijstraat in Membruggen, anno 1958. Een eenvoudig dorpsgezicht, zonder grote gebeurtenis of opvallende drukte, maar juist daardoor een waardevolle herinnering. Wat voor de inwoners toen een alledaags hoekje was, laat ons vandaag zien hoe de omgeving van de kerk er bijna zeventig jaar geleden uitzag. De opname werd gemaakt door Vital Medaerts (1924–2021), die 68 jaar lang correspondent was van Het Belang van Limburg in Riemst. Generaties streekbewoners leerden zijn naam kennen via het plaatselijke nieuws. Zijn belangstelling voor de eigen omgeving kreeg ook een blijvende betekenis: foto’s zoals deze bewaren gebouwen en straatbeelden die later veranderden of verdwenen. Op de achtergrond beheerst de Sint-Hubertuskerk het beeld. De mergelstenen toren steekt boven de woningen uit, met zijn smalle rondboogvensters, gekoppelde galmgaten en hoge spits. De huizen staan er dicht tegenaan, waardoor de kerk haast vanzelf deel lijkt uit te maken van het dagelijkse wonen. Tussen de daken en het groen zien we een dorpskern die door de jaren heen gegroeid is, met gebouwen van verschillende ouderdom en omvang. De geschiedenis van de kerksite reikt terug tot ver vóór deze opname. In 1262 schonk Willem, heer van Membruggen, de tienden aan de abdij van Hocht. De abdis kreeg ook het recht om de pastoor te benoemen. Zo was de kerk eeuwenlang verbonden met een abdij die een belangrijke plaats innam in de geschiedenis van de streek. Het kerkgebouw dat hier vóór de huidige kerk stond, werd in 1666 vergroot. In 1727 stortte de toren in; de heropbouw volgde in 1757. De huidige kerk kwam in 1872 tot stand naar ontwerp van architect S.H. Vanden Born. Ze werd opgetrokken in neoromaanse stijl, met de karakteristieke ronde bogen die ook aan de toren herkenbaar zijn. Het onderste gedeelte van de toren uit 1757 bleef behouden. In 1899 volgde een uitbreiding naar plannen van Mathieu Christiaens, onder meer met een kooromgang, een traptoren en een doopkapel. De kerk die Vital Medaerts in 1958 fotografeerde, droeg dus al verschillende bouwfasen in zich. Ook de omgeving van de kerk behoort tot dat historische geheel. Het kerkhof met zijn ommuring herinnert aan de tijd waarin de overledenen vlak bij de parochiekerk begraven werden. Sinds 13 februari 1998 zijn de Sint-Hubertuskerk en de kerkhofmuur beschermd als monument. Het omliggende kerkhof is afzonderlijk beschermd als dorpsgezicht. Daarmee wordt ook de samenhang tussen het gebouw en zijn onmiddellijke omgeving erkend. Toch is het vooral het kleine huisje midden op de foto dat de blik vasthoudt. De eenvoudige gevel, de twee ramen met luiken en het zware pannendak geven het een heel eigen karakter. De dakpannen liggen in lange, onregelmatige rijen; de gevel vertoont de sporen van ouderdom en onderhoud. Het is zo’n woning die vroeger vanzelfsprekend bij een dorpsstraat hoorde, maar waarvan het verdwijnen achteraf een merkbare leegte in de herinnering kan achterlaten. Dit huisje werd inmiddels afgebroken en vervangen door een nieuwe woning. Over de bewoners vertelt de foto ons niets. We kennen hun namen niet uit dit beeld en weten evenmin wat zich achter die ramen afspeelde. Wel zien we de schaal van hun woning, de nabijheid van de kerk en de beperkte ruimte tussen huis, tuinmuur en doorgang. Juist die kleine bijzonderheden maken de opname zo tastbaar. Ze tonen hoe mensen hier woonden, zonder dat de fotograaf daarvoor een bewoner in beeld hoefde te brengen. Uiterst rechts is nog een gedeelte zichtbaar van de woning die bij de vroegere houtzagerij hoorde. Die woning werd later gerestaureerd en als erfgoed bewaard. Van het gebouw zien we slechts een strook van de gevel, enkele ramen en een deel van het dak, maar ook dat kleine fragment verwijst naar een ander hoofdstuk uit het dorpsverleden: dat van de plaatselijke bedrijvigheid. Dat houtbewerking in Membruggen een plaats had, blijkt ook uit de heemkundige documentatie. In een bespreking in Heemkunde Limburg wordt vermeld dat de familie Rouffa in de jaren twintig een houtzagerij in het dorp oprichtte. Het is een aanwijzing voor de ontwikkeling van ambachtelijke bedrijven naast de landbouw.  Op deze opname komen zo verschillende lagen van Membruggen samen. De kerk vertelt over eeuwen parochiegeschiedenis. Het verdwenen huisje bewaart de herinnering aan het gewone wonen. De gedeeltelijk zichtbare zagerijwoning verwijst naar arbeid en ondernemerschap in het dorp. Tussen die gebouwen staan bomen, lopen muren en hangen draden: kleine elementen die het straatbeeld van 1958 zijn vertrouwde, ongekunstelde karakter geven.

Vital Medaerts legde hier een hoekje vast dat op het eerste gezicht weinig uitleg nodig had. Iedereen uit de omgeving wist waar het was. Vandaag krijgt dezelfde foto een andere betekenis. We kijken aandachtiger naar een raam, een dakrand of een doorgang, omdat niet alles meer bestaat zoals het toen was. Het huisje verdween, een andere woning werd gerestaureerd en de kerk bleef boven de daken uitsteken. Dankzij deze opname kunnen we nog even terug naar de Zagerijstraat van 1958.

X



maandag 19 oktober 2026

MEMBRUGGEN OMSTREEKS DE JAREN 50 - TWEE HUIZEN EN EEN VOETPAD NAAR DE ZAVELSTRAAT

Ingekleurde versie

Updated

Een onverharde weg buigt tussen de bomen naar twee woningen. In de voorgrond liggen stenen verspreid over de aarde; langs de randen groeit gras. Kale takken tekenen zich af tegen een grijze hemel. Achter de huizen strekt zich een landschap uit met weiden, afsluitingen en rijen fruitbomen. Het is een eenvoudig dorpsgezicht uit Membruggen. De opname brengt een hoekje van het dorp in beeld waar woningen en landbouwgrond nog dicht bij elkaar lagen. Links staat een laag bakstenen huis onder een pannendak. De zijmuur is vrijwel gesloten en het dak vertoont een onregelmatig oppervlak. Verder naar rechts staat een hogere woning, met bovenaan twee ramen en daarvoor een houten bijgebouw. Een omheining van dicht opeengeplaatste houten staken schermt een gedeelte van het erf af. Het zijn bescheiden gebouwen, zonder opvallend vertoon. Juist daardoor vertellen ze iets over het vroegere uitzicht van het dorp. Baksteen, dakpannen, houten afsluitingen en een onverharde toegang bepalen het beeld. Tussen het wonen en het omliggende land bestaat nauwelijks een scherpe grens. Die landelijke omgeving past bij de geschiedenis van Membruggen. Het is een landbouw- en woondorp, met een kern en het gehucht Klein-Membruggen. De Molenbeek en de bovenloop van de Demer doorsnijden er het grondgebied. Op deze foto krijgt dat landelijke karakter een herkenbare vorm: enkele huizen, boomgaarden en open grond liggen vlak naast elkaar. Een belangrijk detail bevindt zich rechts naast de woning. Daar liep een voetpad dat doorging tot aan de Zavelstraat. Daarmee krijgt deze plek meer betekenis dan de foto op het eerste gezicht prijsgeeft. Naast een woonerf lag ook een doorgang, een verbinding door het dorp die in de herinnering bewaard is gebleven. Wie er allemaal langskwam, hoe vaak het pad werd gebruikt en of het een officiële openbare doorgang was, kunnen we op basis van deze opname niet vaststellen. Wel weten we dankzij die lokale toelichting waar het naartoe leidde. Dat is precies het soort kleine gegeven dat bij oude dorpsfoto’s gemakkelijk verloren gaat: een huis blijft soms herkenbaar, terwijl de bestemming van een paadje na verloop van tijd wordt vergeten. Sinds het maken van de foto is deze plek veranderd. Het huis links is volledig verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor nieuwbouw. De rechterwoning bleef behouden en werd gerenoveerd. Zo tonen de twee huizen elk een andere ontwikkeling: bij het ene verdween het oude gebouw, bij het andere werd het bestaande huis aangepast aan een nieuwe tijd. De foto bewaart hun vroegere samenhang. We zien beide woningen nog in dezelfde landelijke omgeving, met het houten bijgebouw, de afsluitingen en de bomen rondom. Ook de open ruimte achter de huizen maakt deel uit van dat dorpsbeeld. De boomgaarden vormen er geen verre achtergrond, maar sluiten onmiddellijk bij de bebouwing aan.

Voor wie Membruggen vandaag kent, ligt de waarde van deze opname daarom in de kleine herkenningspunten. De plaats van een woning, de bocht van de toegang en de doorgang naar de Zavelstraat helpen om het vroegere landschap opnieuw te lezen. Wat op het eerste gezicht een stille foto van twee huizen lijkt, wordt zo een stukje plaatselijk geheugen. Het linkerhuis is weg, het rechterhuis kreeg een vernieuwd uitzicht. Maar op deze opname staan ze nog samen, omringd door bomen, houten staken en de oneffen aarde van het oude erf. Een bescheiden hoekje van Membruggen bleef daardoor bewaard, zoals het er omstreeks de jaren vijftig uitzag.

X






CINEMA JP

Mijn nieuwe blog Cinema JP neemt je mee naar films uit de oude doos, maar ook recentere titels komen aan bod. Je vindt er heel wat informatie, weetjes en achtergronden over de films.

Op de blog staan ook posters en afbeeldingen die ik zelf heb ontworpen of bewerkt. Waar dat het geval is, staat dit onder de betreffende poster of afbeelding vermeld.

https://cinema-jp.blogspot.com/


zondag 18 oktober 2026

WIJNKASTEEL GENOELS-ELDEREN: WAAR EEUWEN GESCHIEDENIS TUSSEN DE WIJNRANKEN VOORTLEVEN (FOTO'S 2021)

Updated

Updated

In Genoelselderen, een dorp in de gemeente Riemst, ligt een kasteel waar het verleden nog dicht bij het dagelijkse leven staat. De gevels, de oude bomen en de dreven vertellen van vroegere bewoners, terwijl op de omliggende hellingen de wijnranken met de seizoenen meegroeien. Hier ontmoeten het oude Haspengouw en de moderne Belgische wijnbouw elkaar. Het domein kreeg bovendien een plaats in het Vlaamse televisiegeheugen: het vormde een belangrijk decor voor de reeks Zuidflank.

Genoelselderen ligt in een landschap met zeer oude bewoningssporen. Archeologische resten wijzen op aanwezigheid in de Romeinse tijd. In het nabijgelegen Kiezelingenbos bleef een Romeinse grafheuvel bewaard. Het dorp maakte in de vroege middeleeuwen vermoedelijk deel uit van een groter domein waartoe ook ’s Herenelderen behoorde. De naam Genoelselderen verwijst naar Godenoel, een voornaam die bij de heren van Elderen voorkwam. Zo leeft de herinnering aan een middeleeuwse heer nog altijd voort in de dorpsnaam. In 1407 wordt melding gemaakt van de verwoesting van het toenmalige kasteel, dat door de Tongerenaren in brand werd gestoken. Die vermelding herinnert eraan dat een kasteeldomein ook kwetsbaar was voor de conflicten van zijn tijd. Het huidige gebouw ontstond veel later: de kern bevat onderdelen uit de eerste helft van de achttiende eeuw. Graaf Michel-Walrame de Borchgrave liet het aan het einde van die eeuw herstellen. Vooral de ingrijpende restauratie van 1859, uitgevoerd in opdracht van graaf Guillaume de Borchgrave, bepaalde het uitzicht dat we vandaag herkennen. In 1869 werd het verkocht aan de familie Gilain uit Tienen. Daarmee weerspiegelt het kasteel verschillende tijdlagen. Achter het statige voorkomen schuilt een gebouw dat door opeenvolgende generaties werd aangepast aan hun smaak en behoeften. Ook binnen bleven daarvan getuigen bewaard, waaronder een eiken rococotrap, sierlijke deuren, stucwerk en historische schouwen. Het kasteel en de bijgebouwen zijn sinds 1995 beschermd als monument.  Wie het domein wil begrijpen, moet ook naar het dorp eromheen kijken. De kasteelhoeve, de kerk, de akkers en de dreven horen bij dezelfde geschiedenis. In de Sint-Martinuskerk bevindt zich het praalgraf van Jan-Lodewijk van Elderen, die van 1688 tot 1694 prins-bisschop van Luik was. Het kasteelverleden is hier dus op verschillende plaatsen aanwezig. Buiten de dorpskern wisselen landbouwgronden, boomgaarden, bossen en houtkanten elkaar af: het vertrouwde landschap van Haspengouw, waarin later opnieuw wijngaarden hun plaats kregen.  Een beslissende nieuwe periode begon in 1990, toen de familie Van Rennes het domein aankocht. Jaap van Rennes en zijn gezin zagen mogelijkheden om het historische bezit een nieuwe toekomst te geven. De belangstelling voor wijn was al aanwezig: de ouders van Joyce van Rennes kwamen uit de wijnhandel. Onderzoek van de bodem hielp hen om de stap naar een eigen wijnbedrijf te zetten. Vanaf 1991 werden opnieuw wijnstokken aangeplant. Dat lijkt vandaag misschien vanzelfsprekend, maar destijds was Belgische wijn voor veel mensen nog een verrassing. De familie begon voorzichtig en bouwde ervaring op. Joyce ging in Frankrijk studeren om het wijnvak te leren. Binnen het gezin ontstond een taakverdeling: haar moeder hield zich bezig met de restauratie van het kasteel, haar vader met de aanplant en Joyce met de wijnbereiding en de verkoop. Volgens haar herinneringen volgde in 1992 een kleine proefoogst en in 1995 de eerste echte oogst. Bij de verwijzing naar het verre verleden past wel enige zorgvuldigheid. De Romeinse aanwezigheid in de omgeving staat vast. Daaruit volgt echter geen bewijs dat op precies dezelfde percelen onafgebroken wijn werd verbouwd vanaf de oudheid. De moderne wijngaarden hebben hun eigen, duidelijk aanwijsbare begin in de jaren negentig. Juist dat maakt hun geschiedenis bijzonder: een oud landgoed kreeg door een nieuw familieproject opnieuw een landbouwkundige bestemming. Vandaag vermeldt het wijnkasteel 22 hectare wijngaarden, verdeeld over vijf nabijgelegen percelen. Chardonnay neemt daarvan achttien hectare in, Pinot Noir vier. De kalkrijke ondergrond vormt een belangrijk onderdeel van de omstandigheden waarin de druiven groeien. Het domein produceert zowel stille als mousserende wijnen. Voor de bereiding en rijping worden, afhankelijk van de wijn, roestvrijstalen tanks en Bourgondische eikenhouten vaten gebruikt. Achter de historische gevels bevindt zich zo een hedendaags wijnbedrijf. Maar wijn maken blijft mensenwerk. Joyce beschreef het zelf als een beroep waarin ieder jaar opnieuw aandacht en aanpassing nodig zijn. Een vast recept volstaat niet: elke oogst brengt andere omstandigheden mee. Dat geeft aan het domein iets wat ook bij vroegere landbouwbedrijven hoorde: het werk volgt de seizoenen, terwijl het resultaat nooit volledig vooraf vastligt.

In 2013 leerde een veel ruimer publiek het wijnkasteel kennen door Zuidflank. Deze dertiendelige VTM-reeks, geproduceerd door Menuet en geregisseerd door Hendrik Moonen, bracht een familiedrama tegen de achtergrond van de Limburgse wijnbouw. Het kasteel en de wijngaarden van Genoelselderen behoorden tot de belangrijkste opnamelocaties. Op 24 april 2013 berichtte TV Limburg nog over de buitenopnamen die er op dat ogenblik plaatsvonden. Het verhaal draaide om Rob Vandenbergh, die na een verblijf in Zuid-Afrika naar Vlaanderen terugkeert na het overlijden van zijn vader. Hij erft de Zuidflank, een waardevolle wijngaard die al generaties lang een twistpunt vormt met de familie Deweerdt. In plaats van de grond te verkopen, besluit hij te blijven en zelf wijnbouwer te worden. Daarmee komt hij tegenover zijn jeugdvriend Mark Deweerdt te staan, die een gerenommeerd wijndomein leidt. Oude gebeurtenissen, familiebelangen en persoonlijke verhoudingen raken steeds sterker met elkaar verweven.  Stan Van Samang vertolkte Rob, Jan Sobrie speelde Mark en Marie Vinck nam de rol van An op zich. Om de wijnwereld geloofwaardig in het scenario te verwerken, kregen de schrijvers advies van wijnbouwer Peter Colemont van Clos d’Opleeuw. Hij maakte hen vertrouwd met het wijnproces en met de moeilijkheden die daarbij kunnen optreden.  De familiegeschiedenis uit Zuidflank is fictie. De wijngaarden en het kasteel waarin een belangrijk deel van die geschiedenis werd verbeeld, bestaan werkelijk. Dat onderscheid hoort bij het verhaal van de opnamen: Genoels-Elderen leende zijn omgeving aan een televisiedrama en bracht tegelijk de echte Limburgse wijnbouw bij een breed publiek in beeld. 

Ook vandaag blijft het domein bezoekers ontvangen. Rondleidingen laten kennismaken met de wijngaarden, de wijnpersen en de kelders. Tijdens het hoogseizoen is er een wijnterras bij het kasteel. Volgens Visit Riemst zet inmiddels ook de derde generatie, met Julia en Gabriel, de familietraditie voort. Daarmee krijgt het werk dat rond 1990 begon een vervolg. Wie hier even blijft staan, kan verschillende geschiedenissen naast elkaar zien. Die van de heren van Elderen en hun dorp. Die van een kasteel dat werd vernield, hersteld en verbouwd. Die van een familie die tussen oude muren een nieuw bestaan opbouwde.

X


TONGERLO BIJ BREE - DUITSE MILITAIREN AAN DE ZUID-WILLEMSVAART 1940

Ingekleurde versie

Updated

Een rubberboot ligt tegen de begroeide oever van de Zuid-Willemsvaart. Een Duitse militair buigt zich voorover in de boot, terwijl drie anderen aan de waterkant staan. Ze dragen hun helmen en uitrusting. Tussen het gras, de bomen en het rustige water krijgt de oorlog hier een heel tastbare vorm. De opname wordt gesitueerd bij Tongerlo in Limburg, tijdens de Duitse inval van mei 1940. Tongerlo was toen nog een zelfstandige gemeente en behoort tegenwoordig tot Bree.  De Zuid-Willemsvaart liep sinds 1826 door Tongerlo. Het kanaal diende voor het vervoer van goederen en behoorde al generaties tot het vertrouwde landschap. In mei 1940 kreeg diezelfde waterweg een andere betekenis. Voor oprukkende troepen vormde het water een hindernis die ze moesten oversteken. Vóór de oorlog had het Belgische leger langs het kanaal bunkers laten bouwen als onderdeel van de Grensstelling, ook bekend als de Vooruitgeschoven Stelling. Deze verdedigingswerken moesten helpen een vijandelijke opmars uit het oosten te vertragen. De kanaaloevers maakten daardoor deel uit van de Belgische militaire voorbereiding op een mogelijke inval. Op de foto gaat de aandacht vooral naar de man in de rubberboot. Zijn voorovergebogen houding laat zien hoe weinig ruimte zo’n vaartuig bood aan een militair met bepakking. De mannen op de kant staan vlak bij hem. Het beeld brengt de praktische kant van een oversteek dichtbij: een boot aan de oever houden, instappen en mensen en materiaal over het water brengen. Juist het gewone landschap maakt deze oorlogsfoto aangrijpend. Het water ligt tussen groene oevers, zoals het dat voordien ook deed. Maar waar anders de scheepvaart het ritme bepaalde, staan nu gewapende militairen. Aan de Zuid-Willemsvaart bij Tongerlo is de oorlog het dagelijkse leven binnengedrongen.

X


MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) - POSERENDE DUITSE WACHT OP DE DRAAIBRUG VAN DE ZUID-WILLEMSVAART WOI

Ingekleurde versie

Updated

Duitse wachten op de draaibrug van Mechelen-aan-de-Maas — het dagelijkse leven onder bezetting

Op de oude draaibrug over de Zuid-Willemsvaart in Mechelen-aan-de-Maas poseren twee Duitse militairen voor de fotograaf. Eén van hen zit te paard, de andere staat naast de brugleuning, met een hond aan zijn voeten. Achter hen wachten burgers en daar bevindt zich landbouwer Jaak Vossen, met paard en kar. Het huis links is het dijkwachtershuis. Zo brengt deze opname de militaire bezetting en het gewone dorpsleven samen in één beeld. De Zuid-Willemsvaart was toen al bijna een eeuw een belangrijke verbinding door het Maasland. Het kanaal werd aangelegd onder koning Willem I en in 1826 volledig geopend. Het verbond Maastricht met ’s-Hertogenbosch en bood de scheepvaart een betrouwbaarder vaarweg dan de Maas, met haar wisselende waterstanden. Voor de plaatselijke bevolking waren de bruggen onmisbare doorgangen tussen het dorp en de gronden aan de andere kant van het water. In oktober 1914 werden de bruggen over de Zuid-Willemsvaart voor alle verkeer gesloten. Op iedere brug kwam een Duitse wacht. Daarmee veranderde een vertrouwde oversteek in een bewaakte doorgang. Waar men voordien met paard en kar naar de akkers trok, was de toestemming van de bezetter voortaan bepalend. Voor landbouwers kwam die afsluiting op een bijzonder ongelegen moment. Tussen het kanaal en de Maas stonden nog veldvruchten die moesten worden binnengehaald. De aardappelen en bieten konden niet onbeperkt in de grond blijven zitten. De oogst vertegenwoordigde maanden werk en was belangrijk voor de voedselvoorziening en het boerenbedrijf. Een gesloten brug betekende daardoor veel meer dan een lastige omweg: ze kon de toegang tot het eigen levensonderhoud afsnijden. Na lang aandringen kregen de landbouwers volgens de aangeleverde tekst alsnog toestemming om hun aardappelen en bieten te rooien. Daarvoor moesten zij wel beschikken over een ‘Passierschein’, een schriftelijk doorgangsbewijs. Het gebruik van dergelijke documenten past in de bezettingspraktijk van 1914: ook elders in België waren burgers voor het passeren van Duitse controleposten op zo’n bewijs aangewezen. De aanwezigheid van Jaak Vossen op de achtergrond geeft de foto een bijzonder menselijke betekenis. Terwijl de militairen op de voorgrond hun houding aannemen voor de camera, wacht achter hen een landbouwer met zijn gespan. Of op dat precieze ogenblik zijn papieren werden gecontroleerd, valt uit de foto niet af te leiden. Zijn aanwezigheid illustreert wel hoe dicht het boerenwerk en de militaire bewaking hier bij elkaar kwamen. Ook de brug zelf verdient aandacht. De smalle doorgang, de leuningen en de afzonderlijke stroken langs de rijweg tonen een oversteek die was afgestemd op voetgangers en het verkeer van die tijd. Als draaibrug kon zij worden geopend om schepen door te laten. Deze oude brug was iets verder gelegen in de richting van Eisden dan de brug van nu. Die aanduiding helpt om het verdwenen bruglandschap te situeren. Links staat het dijkwachtershuis, een herkenningspunt uit de tijd waarin het toezicht op de waterweg nauw met het leven langs het kanaal verbonden was. Het gebouw, de brug en het wachtende gespan vormen samen het decor van een Maaslands dorp dat zijn dagelijkse werkzaamheden probeerde voort te zetten onder vreemde militaire controle. De opname toont geen gevecht, maar wel een ingrijpend gevolg van de oorlog: de beperking van de bewegingsvrijheid. De brug verbond nog altijd beide oevers, maar wie erover mocht, werd niet langer door de gewone gang van het dorpsleven bepaald. Voor de wachten was zij een controlepost; voor de landbouwers bleef zij de noodzakelijke weg naar hun akkers.

X




MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) - DE STOOMBOOT AAN DE KANAALBRUG 1923

Ingekleurde versie

Updated

Een hoge schoorsteen, een donkere scheepsromp en enkele mannen bij de brugleuning: deze oude opname brengt het kanaalleven van Mechelen-aan-de-Maas dichtbij. De prentkaart draagt het opschrift “MECHELEN a/M — Kanaal”. De foto toont een plek waar het dagelijkse dorpsleven en de beroepsvaart elkaar ontmoetten. Het schip is de stoomsleepboot Marcel. De Zuid-Willemsvaart was toen al bijna een eeuw oud. Het kanaal werd tussen 1822 en 1826 aangelegd op initiatief van koning Willem I, toen het huidige België en Nederland nog tot hetzelfde koninkrijk behoorden. Het moest een kortere en betrouwbaardere vaarverbinding bieden dan de Maas, waar bochten, ondiepten en wisselende waterstanden het vervoer bemoeilijkten. In augustus 1826 werd de volledige waterweg geopend. Voor de Maaslandse dorpen betekende het kanaal een blijvende verandering van het landschap. Er kwamen overgangen, aanlegplaatsen en ontmoetingsplekken langs het water. Ook Mechelen-aan-de-Maas kreeg een brugverbinding die beide oevers met elkaar verbond. Op de foto trekt vooral de Marcel de aandacht. Haar hoge schoorsteen steekt boven de lage brug en de bomen uit. De opname laat zich lezen als een korte onderbreking in een werkdag: mannen kijken naar de fotograaf, terwijl het schip vlak bij het brugwerk ligt. Stoomsleepboten zoals de Marcel konden meerdere vrachtschepen zonder eigen motor voorttrekken. De sleepdraden werden daarbij op de voorbolders van de gesleepte schepen vastgezet: stevige bevestigingspunten op het voordek, die de trekkracht moesten opvangen. Dat verschilde van het oudere jagen, waarbij paarden of mensen de schepen vanaf het jaagpad voorttrokken. Bij die werkwijze werd de jaaglijn hoog via een mast geleid, zodat ze minder gemakkelijk achter obstakels langs de oever bleef haken. In kanaalbochten stonden op bepaalde plaatsen rolpalen of jaagpalen die de lijn geleidden. Die hoge lijnvoering en geleidepalen hoorden dus bij het trekken vanaf de wal en mogen niet worden verward met de sleepdraden van een stoomsleepboot. De draaibrug vormde een belangrijk ontmoetingspunt tussen verkeer over land en verkeer over water. Door het brugdek opzij te draaien, ontstond een doorvaart voor de schepen. Het verkeer op de oever moest dan even wachten: een vertrouwd onderdeel van het leven langs het kanaal. Over de Zuid-Willemsvaart gingen onder meer steenkool, turf, bouwmaterialen en industriële goederen naar hun bestemming. Het kanaal verbond de plaatselijke oevers met een veel ruimer handelsnetwerk. Welke schepen of ladingen de Marcel tijdens deze reis eventueel begeleidde, is niet bekend. Juist die combinatie maakt de foto waardevol: het grote verhaal van handel en vervoer krijgt hier een menselijk gezicht. De Marcel, de brug en de mannen aan het water herinneren aan een Mechelen-aan-de-Maas waar de scheepvaart zichtbaar deel uitmaakte van het dagelijkse leven.

X

zaterdag 17 oktober 2026

LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - PIETERSHEIM TRAMHALTE

Ingekleurde versie

Updated
Koning Albertlaan en links is de Waterstraat. Je ziet nog net de elektriciteitscabine achter de tram staan. Die is er nog anno 2026.

Een brede dorpsweg, bakstenen huizen en een tram die vlak naast de gevels halt houdt: deze oude prentkaart van Pietersheim toont een Lanaken waarin het openbare vervoer nog zichtbaar deel uitmaakte van het straatleven. Onderaan staat het eenvoudige onderschrift: “Lanaeken Pietersheim – Tramhalte”. Enkele woorden die vandaag een hele verdwenen wereld oproepen. Op de oorspronkelijke opname lopen enkele mensen langs de weg. Hoge houten palen met dwarsarmen begeleiden het straatbeeld. Het wachten en instappen gebeurde hier midden in de dagelijkse omgeving van de buurt. De komst van de buurttram had de streek vanaf het einde van de negentiende eeuw nieuwe mogelijkheden gegeven. De verbinding Tongeren–Lanaken opende op 15 mei 1897. Op 7 januari 1898 volgden het baanvak Lanaken–Tournebride en de verbinding tussen Eisden, Lanaken en Maastricht. Later datzelfde jaar werd ook Maaseik aangesloten. Zo kreeg Lanaken een belangrijke plaats in het tramverkeer tussen Haspengouw, het Maasland en Maastricht.  In Tournebride kwamen verschillende buurtspoorverbindingen samen en bevond zich een stelplaats. De tramhalte van Pietersheim moet tegen die ruimere achtergrond worden bekeken: wat op de prentkaart een bescheiden halte lijkt, maakte deel uit van een netwerk dat dorpen en steden met elkaar verbond.  Voor de bewoners betekende zo’n verbinding dat een verplaatsing minder afhankelijk werd van een lange wandeling, een fiets of vervoer met paard en kar. Een bezoek aan familie, een boodschap buiten het dorp of een reis naar de markt kon voortaan rond de dienstregeling worden georganiseerd. Men kan zich voorstellen hoe reizigers bij de halte stonden te wachten, met een tas of een mand in de hand. De buurtsporen hadden een spoorwijdte van één meter. Dat smallere spoor paste bij een vervoersnet dat zich door dorpen en langs bestaande wegen bewoog. Op de opname is vooral de nabijheid opvallend: de tram staat nauwelijks van de woningen verwijderd. Spoor en straat vormden hier één gedeelde ruimte.  De charme van het beeld schuilt intussen evenzeer in alles rondom de tram. De begroeiing langs de weg en de mensen op straat geven Pietersheim een menselijke schaal. Voor de fotograaf was het wellicht een herkenbaar dorpsgezicht. Voor ons zijn juist die alledaagse bijzonderheden waardevol geworden: hoe dicht men bij de weg woonde, hoe weinig ruimte tussen huis en spoor lag en hoe vanzelfsprekend een tram door de woonomgeving reed. In de jaren vijftig liep het tijdperk van deze buurttrams ten einde. Het reizigersverkeer op de verbinding Maaseik–Eisden–Tournebride verdween in 1954. Ook tussen Tongeren en Lanaken eindigde de reizigersdienst dat jaar, op 24 december. Daarmee verdween geleidelijk het vertrouwde trambeeld uit de streek.

X

donderdag 15 oktober 2026

MAASMECHELEN HEIRSTRAAT / DEKEN BERNARDSTRAAT

Ingekleurde versie

Updated

Heirstraat in 1989 — een vertrouwde hoek in een nieuwe gedaante

Deze foto, gedateerd in 1989, toont hoe ingrijpend het centrum van Mechelen-aan-de-Maas in enkele tientallen jaren veranderde. Vanuit de hoogte kijken we over pannendaken, brede platte daken en de Heirstraat die tussen de bebouwing doorloopt. Aan de horizon blijft het landschap groen, maar vlak bij het gemeentehuis heeft de oude dorpsomgeving plaatsgemaakt voor grotere gebouwen en nieuwe functies. Langs deze oude verkeersas bleef ook heel wat oudere bebouwing bewaard. Juist daardoor vallen de veranderingen aan deze hoek zo sterk op. Volgens de overgeleverde plaatselijke beschrijving stond hier ooit een grote beuk. Later bevond zich op die plek het dorpscafé dat werd uitgebaat door Baërke Vankan. De boom en het café behoorden tot opeenvolgende hoofdstukken van dezelfde dorpshoek. In 1989 was die omgeving nauwelijks nog herkenbaar: appartementen, bankfilialen en meubelzaak Warson hadden er hun plaats ingenomen. Waar vroeger een café het straatbeeld bepaalde, waren wonen, handel en dienstverlening samengebracht in een dichter bebouwde omgeving. Ook het gemeentehuis drukte steeds nadrukkelijker zijn stempel op deze plek. Het oorspronkelijke gebouw gaat in de kern terug tot omstreeks 1900 en werd ontworpen door architect Gérard Rypens. Na zware oorlogsschade in 1944 volgden herstellingen en uitbreidingen. In 1975 kwam er aan de zuidzijde een aanzienlijke uitbreiding met vier bouwlagen. Daarmee kreeg het bestuursgebouw een heel andere schaal tegenover de omliggende dorpsbebouwing. Die schaalverandering vormt een belangrijk onderdeel van het verhaal bij deze foto. Volgens de aangeleverde toelichting lagen de kerkevoetweg en het aanpalende hoekhuis inmiddels vrijwel volledig verscholen achter het vergrote gemeentehuis. De oudere dorpsstructuur was dus niet overal verdwenen, maar werd vanuit dit gezichtspunt grotendeels aan het oog onttrokken. Het agrarische karakter van weleer was aan deze centrumhoek nagenoeg uitgewist. Dat past binnen een ruimere ontwikkeling: De handel, horeca en dichtere bebouwing werden steeds belangrijker langs de Rijksweg en het bestuurlijke centrum kwam dichter bij die verkeersas te liggen. Zo bewaart dit beeld uit 1989 een moment waarop het vernieuwde Mechelen al duidelijk vorm had gekregen. De beuk en het café leefden voort in de herinnering; appartementen, winkels, bankkantoren en het uitgebreide gemeentehuis bepaalden voortaan het uitzicht. De straat bleef dezelfde naam dragen, maar de wereld eromheen was grondig veranderd.

X



MAASMECHELEN HEIRSTRAAT / DEKEN BERNARDSTRAAT

Ingekleurde versie

Updated

De Heirstraat in de jaren vijftig — een dorp op de drempel van verandering

Vanuit een hoog standpunt ontvouwt zich een rustig dorpsgezicht van Mechelen-aan-de-Maas. Pannendaken, bakstenen woningen en bomen begeleiden de blik langs de Heirstraat. Verderop maken de huizen plaats voor een open landschap. De foto uit de jaren vijftig, toont een omgeving waarin het landelijke karakter nog sterk aanwezig is. Toch kondigt zich op de voorgrond al een andere tijd aan: een personenwagen rijdt voorbij het hoekcafé. De Heirstraat heeft een lange geschiedenis als verbindingsweg. ze volgt het tracé van een Romeinse heirbaan en vormde ze de oorspronkelijke verbinding tussen verschillende Maasdorpen. Het rustige straatbeeld ligt daarmee langs een route waar al eeuwen mensen en goederen passeerden. Op de hoek staat het dorpscafé dat werd uitgebaat door Baërke Vankan. De ramen, de ingang aan de straat en de tafeltjes buiten geven het pand een herkenbaar dorps karakter. Het café vormt een opvallend herkenningspunt op de splitsing. Aan deze plek was bovendien een oudere herinnering verbonden: vóór het café stond een grote beuk. Eerst de boom en later het café markeerden dus deze hoek van het dorp. Beide verdwenen uiteindelijk uit het straatbeeld. Op de plaats van de vroegere bebouwing kwamen appartementen en meubelzaak Warson. Ook tegenover het café zou de omgeving veranderen. Aan de zijde van de Heirstraat vestigde zich later de dagbladhandel van Anneke Coenen. Zo bewaart deze opname niet alleen het beeld van verdwenen gebouwen, maar roept ze ook de namen op van mensen en handelszaken die voor omwonenden bij de straat hoorden. Iets verderop links is een parochiezaal in aanbouw te zien. Terwijl het café nog het vertrouwde dorpsleven vertegenwoordigt, wijst die bouwwerf op nieuwe voorzieningen voor de gemeenschap. De straat staat niet stil: tussen bestaande huizen en tuinen krijgt de naoorlogse ontwikkeling langzaam vorm. Bij het vergezicht hoort ook de Kruiskensmolen, bekend onder de naam Nooit Gedacht. Deze stenen korenmolen aan de Heirstraat dankt zijn volksnaam aan een nabijgelegen vredeskruis. In de jaren vijftig had hij zijn karakteristieke wieken al lang verloren. Het wiekenkruis werd in 1926 verwijderd. De molen zonder wieken past bij de weemoed van dit dorpsbeeld: een vertrouwd bouwwerk blijft aanwezig terwijl zijn vroegere functie naar de achtergrond verdwijnt. Rondom lijkt het landschap nog vredig en ruim. Maar de auto voor het café geeft de foto een vooruitwijzende betekenis. Eén wagen maakt de straat nog niet druk, maar voor wie het beeld vandaag bekijkt, verbeeldt hij treffend de verandering die zou volgen. Koning auto had zijn intrede gedaan. De Heirstraat zou verder veranderen, met andere gebouwen, handelszaken en meer verkeer. Deze foto bewaart een tussenmoment: het oude dorp is nog herkenbaar, terwijl de nieuwe tijd al door het beeld rijdt.

X




MAASMECHELEN HEIRSTRAAT / DEKEN BERNARDSTRAAT

Ingekleurde versie

Updated

Van damessalon tot dagbladhandel — de Heirstraat in de jaren vijftig

Een verweerde gevel, een breed pannendak en een fiets tegen de muur: deze foto bewaart een herkenbaar stukje van het vroegere Mechelen-aan-de-Maas. Het huis aan de Heirstraat zou later bekend worden als dagbladhandel François, verbonden met de naam Anneke Coenen. Hier was  in de jaren vijftig nog een damessalon gevestigd. Het gebouw verenigt de uitstraling van een dorpswoning met een bescheiden handelsfunctie. Boven staan drie ramen met gordijnen; beneden bevindt zich rechts van de voordeur een uitstalraam. Aan de gevel hangt een klein uithangbord, waarvan het opschrift op deze afbeelding onvoldoende leesbaar is om de naam van de zaak met zekerheid vast te stellen. De kasseien, de eenvoudige stoep en de fiets vervolledigen het straatbeeld. Links van het huis lag een smalle doorgang die in de plaatselijke spreektaal een ‘getske’ werd genoemd. Het weggetje leidde in de richting van de kerk en droeg de toepasselijke naam Kerkevoetweg. Die naam vertelde meteen waarvoor de verbinding diende: een voetweg naar de kerk, ingepast tussen de bestaande bebouwing. Volgens de aangeleverde plaatselijke geschiedenis veranderde die doorgang later grondig van uitzicht. Het huis van André Klaps aan de linkerzijde werd afgebroken, waardoor ruimte vrijkwam om de verbinding te verbreden. Het vroegere getske groeide zo uit tot een volwaardige straat: de huidige Deken Bernardstraat. Daarmee verdween niet alleen een woning, maar veranderden ook de verhoudingen tussen de huizen en de toegang tot het achterliggende dorpscentrum. Ook het gefotografeerde pand kreeg een andere bestemming. Waar vrouwen in de jaren vijftig voor hun haarverzorging terechtkonden, kwam later dagbladhandel François, bij velen bekend door Anneke Coenen. Hetzelfde huis kreeg daardoor voor opeenvolgende generaties een andere betekenis: eerst als damessalon, later als vertrouwd adres voor de krant. Zo vertelt deze foto meer dan de geschiedenis van één gevel. Ze bewaart de herinnering aan een dorpshoek waar een kleine handelszaak en een smalle kerkweg deel uitmaakten van het dagelijkse leven. De naam Kerkevoetweg houdt daarbij iets vast wat door de latere verbreding minder zichtbaar werd: de oorsprong van de straat als eenvoudige doorgang naar de kerk.

X







dinsdag 13 oktober 2026

LANAKEN - CARIDENG IN VLAMMEN 01-05-1957


Langs het Albertkanaal, waar de industrie aan vele gezinnen werk verschafte, werd een gewone woensdagmiddag plots een dag van onrust. In de rubberfabriek Carideng te Lanaken brak een hevige brand uit. Twee grote hallen gingen verloren, brandweerlieden uit België en Nederland snelden te hulp en voor een deel van het personeel werd de toekomst onzeker.

Het alarm tijdens de ronde

Het was omstreeks twintig voor drie toen een van de twee aanwezige portiers tijdens zijn gebruikelijke ronde de brand ontdekte. Meteen werd de fabriekssirene ingeschakeld en werden de brandweerkorpsen uit de omgeving gewaarschuwd. De brand woedde in de voorraad- en bewerkingshallen van het bedrijf, dat volgens het bericht op de rechteroever van het Albertkanaal lag. In die hallen bevonden zich onder meer binnen- en buitenbanden voor fietsen, autobanden en sponsartikelen. Het vuur tastte twee gebouwen aan die elk ongeveer vijftien meter breed en tachtig meter lang waren. Vooral de hal waar de brand begonnen was, werd zwaar getroffen. Door de hitte weken de muren naar buiten.

Hulp over de grens

De Maastrichtse brandweer was volgens het krantenverslag het eerst ter plaatse. Onder leiding van brandmeester Scaf werd water uit het naastgelegen Albertkanaal ingezet. Kort daarna kwamen ook de korpsen van Eisden, Genk, Hasselt en Bilzen aan. Daarnaast waren Luik en Aken gealarmeerd. Toen hun ploegen arriveerden, hadden de aanwezige brandweerlieden het vuur al grotendeels onder controle en hoefden deze twee korpsen daardoor niet meer in actie te komen. De grens vormde die middag geen belemmering voor de hulpverlening. Aan de kanaaloever werkten Belgische en Nederlandse brandweerlieden samen om de uitbreiding van het vuur tegen te houden.

Twee hallen verloren, andere gebouwen gered

De brandweerlieden konden niet verhinderen dat beide getroffen hallen uitbrandden. Een nieuwe vrachtwagen die nog in een van de gebouwen stond, kon evenmin worden gered. Toch bleef de ramp tot een deel van het fabrieksterrein beperkt. Volgens het verslag hielpen zowel de gezamenlijke brandweerinzet als de gunstige windrichting om de personeels- en kantoorgebouwen vóór de brandende hallen te vrijwaren. Ook de canvas-spinnerij bleef behouden. Tegen vijf uur was het vuur zover bedwongen dat de Maastrichtse brandweer kon vertrekken. Zij had een materiaalwagen, een auto en een motorspuit ingezet. De korpsen van Genk, Bilzen, Hasselt en Eisden bleven nog ter plaatse om na te blussen.

Een vermoedelijke oorzaak

Over het ontstaan van de brand kon men diezelfde avond nog geen zekerheid geven. In het krantenbericht werd broei in opgeslagen gemalen rubber als mogelijke oorzaak genoemd. Dat was een eerste vermoeden, geen vastgestelde uitkomst van een onderzoek. Er was ook een probleem bij de eerste bluspoging. De fabrieksbrandinstallatie had mogelijk kunnen helpen om uitbreiding te beperken, maar het dienstdoende personeel kreeg de kranen niet los. Vervolgens duurde het volgens de krant nog ruim een kwartier voordat de eerste waterstralen van de Maastrichtse motorpompinstallaties vanuit het kanaal de brandhaard bereikten. Die passage toont hoe moeilijk de eerste bestrijding verliep. Ze biedt op zichzelf echter onvoldoende grond om achteraf verantwoordelijkheid of schuld vast te stellen.

Onrust rond de fabriek

De brand trok veel toeschouwers. De politie van Lanaken, onder leiding van een in het bericht als De Breda genoemde verantwoordelijke, hield de toestromende mensen op veilige afstand. Ook de directie en enkele commissarissen van Carideng waren aanwezig. De drukte had gevolgen voor het verkeer. De politiekorpsen van Lanaken en de grensplaats Smeermaas leidden het verkeer tussen beide plaatsen om via de brug nabij Tournebride. Voor wie de fabriek als dagelijkse werkplek kende, ging het ondertussen om meer dan brandende gebouwen. Achter de schade aan muren, voorraden en materieel lag de vraag hoeveel werk er de volgende dagen nog zou zijn.

Een zware slag voor het personeel

De schade liep op tot in de miljoenen franken (de Belgische munt destijds)  De krant meldde dat ongeveer tweehonderd van de achthonderd arbeiders door de brand zonder werk zouden komen te zitten.  Voor Lanaken was het een ernstige industriële tegenslag. Twee hallen waren verloren, maar andere afdelingen waren behouden gebleven. In die tegenstelling lag ook de onzekerheid van de getroffen gezinnen: opluchting omdat erger was voorkomen, naast bezorgdheid over het dagelijkse inkomen.

X


LAMAZE, EEN NIEUWE JEUGDCLUB TE KOTEM-BOORSEM (FOTO 1973)

Ingekleurde versie Updated Lamaze, een jeugdvereniging die langzaam maar zeker groeide  Wie terugdenkt aan het vroegere dorpsleven, denkt al...