zaterdag 10 oktober 2026

KOTEM - GEBOORTEHUIS MARIEKE ALBERTS IS AL MEER DAN 500 JAAR OUD (ARTIKEL JAREN 80)


Updated
De stalen staven voor de ramen aan het huis van Nellie Pelssers verwijzen naar de tijd van de Bokkerijders.

Een huis vol herinneringen aan de Maas

In Geneuth, het kleine gehucht bij Kotem, ligt het verleden soms dichterbij dan men vermoedt. Het schuilt in oude muren, achter een kelderdeur of in een verweerde steen boven een stal. Aan de Maas staat zo’n huis: de voormalige boerderij waar Nellie Pelssers met haar man Albert Conings woonde. Wie alleen naar de gevel keek, kon nauwelijks vermoeden hoeveel verschillende levens dit gebouw volgens haar herinneringen had gekend.

Nellie kwam er in 1960 wonen. Voor Albert was het een terugkeer naar vertrouwde grond. Zijn grootouders hadden er gewoond en hij was er zelf geboren. Het huis behoorde daardoor niet alleen tot de geschiedenis van het gehucht, maar ook tot die van zijn familie. Na zijn overlijden in 1990 bleven voor Nellie de kamers, de binnenplaats en de oude bijgebouwen verbonden met hun gezamenlijke leven.

De voorgevel kijkt uit op de Maas. Die ligging helpt begrijpen waarom het gebouw door de jaren heen uiteenlopende bestemmingen kreeg. Nellie vertelde dat er vóór de tijd van het veerhuis soldaten zouden hebben verbleven. Als tastbare herinnering wees zij op een dichtgemetselde opening in de muur, gericht naar de rivier, die als een voormalig schietgat werd beschouwd. Wat zich daar precies had afgespeeld, bleef evenwel een van de vragen waarop het huis geen volledig antwoord gaf.

Ook de ijzeren staven voor de vensters prikkelden de verbeelding. Aan de overkant van de straat werden bij het leegstaande huis Smeesters vergelijkbare tralies aangetroffen. In het plaatselijke verhaal werden ze verbonden met de angst voor de Bokkerijders, die in de achttiende eeuw in de streek hun sporen nalieten. Of de staven werkelijk met dat doel waren aangebracht, valt uit de overgeleverde tekst niet met zekerheid af te leiden. Ze herinneren in elk geval aan een tijd waarin bewoners hun huis stevig wilden beschermen.

Onder het woonhuis lag nog een ander stukje verleden verborgen. De gewelfde kelders en de mergelblokken werden door Nellie in verband gebracht met een vroegere brouwerij. Op het erf bevond zich bovendien een waterput van ongeveer acht meter diep, die vóór het interview was dichtgemaakt. Zulke overblijfselen vertellen niet alles, maar maken duidelijk dat het gebouw meer was geweest dan een eenvoudige boerenwoning.

Volgens Nellie vonden ook mensen uit de scheepvaart er ooit onderdak. Paarden die boten langs de Maas voorttrokken, konden in de stal uitrusten. Hun begeleiders brachten er eveneens de nacht door, dicht bij hun dieren. Zo krijgt het oude erf in gedachten opnieuw beweging: een paard dat na het trekken wordt uitgespannen, voetstappen op de binnenplaats en reizigers die voor de nacht een rustplaats zoeken.

Rond de Eerste Wereldoorlog kreeg het huis, naar haar zeggen, de functie van veerhuis. De trappen aan de voorzijde leidden naar de plaats waar voetgangers met het veerpont de Maas konden oversteken. Voor de bewoners van beide oevers betekende zo’n overtocht een verbinding met werk, familie en het dagelijkse leven aan de andere kant van het water.

Omstreeks 1930 werden bij het veerhuis ook een café en een winkel uitgebaat. Het gebouw was daarmee een plek waar mensen passeerden, iets kochten, een glas dronken of even bleven praten. Later diende het als boerderij, tot het uiteindelijk uitsluitend een woonhuis werd. Elke bestemming liet iets achter, al was het maar in de herinneringen van wie er had geleefd.

In een muur van de stal zit een steen met het jaartal 1779. Nellie bracht die in verband met de bouw van de achterliggende stallingen. Op de voorgevel vertellen andere tekens over een macht die het leven in Geneuth steeds mee bepaalde: de Maas.

Drie plaatjes houden er de herinnering aan vroegere waterstanden vast. Eén draagt de datum 23 december 1880, een ander 1 januari 1926. Vooral dat laatste wees Nellie aan als herinnering aan het uitzonderlijk hoge water. Een derde vermeldt ‘40 el 49 duim boven Amsterdams Peil’, zonder jaartal. Voor een voorbijganger lijken het misschien kleine bijzonderheden. Voor wie langs de rivier woont, zijn het tekens van momenten waarop het water tot bij de huizen kwam en het vertrouwde landschap veranderde.

Die aanduidingen trokken destijds al de aandacht van toeristen en schoolkinderen. Ze bleven voor de gevel staan, bekeken de hoogte en probeerden zich voor te stellen hoe de Maas daar ooit had gestaan. Een eenvoudig plaatje maakte het verleden plots zichtbaar.

Bij de voorbereiding van een film over Maasmechelen kwamen de verhalen van Nellie en het oude huis uitgebreider aan het licht. Volgens de herinnering bij het artikel werd de film later in de schouwburg van Maasmechelen vertoond en kreeg ook het kleine Geneuth daarin ruime aandacht.

Toch bleef een deel van de geschiedenis onopgehelderd. Nellie besefte zelf dat niemand nog precies wist wat het gebouw allemaal had meegemaakt. Misschien ligt juist daarin de aantrekkingskracht van zo’n oude woning. Niet elke steen geeft zijn verhaal prijs, niet elke herinnering kan nog worden nagegaan.

Aan de Maas bleef het huis staan, met zijn trappen, tralies, gewelven en watermerken. Een stille getuige van mensen die er woonden, werkten, overnachtten en vertrokken. En van een rivier die telkens weer haar eigen hoofdstuk aan de geschiedenis van Geneuth toevoegde.

X

MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) KOTEM (TOEN COTHEM) - OP DE BOORDEN DER MAAS TE GENHEUTH (NU GENEUTH) 1921

Updated

Aan de oever van de Maas staat een kudde rundvee verspreid over het gras. Sommige dieren grazen met de kop naar beneden, andere kijken in de richting van de fotograaf. Achter hen ligt de rivier, met enkele smalle bootjes dicht bij de kant. Aan de overzijde tekent zich een rij bomen af, weerspiegeld in het water. Het is een eenvoudig tafereel, maar juist daarin schuilt de waarde van deze oude prentkaart: ze bewaart een stukje dagelijks leven dat ooit vanzelfsprekend was. Bovenaan staat het opschrift: “MECHELEN a/M — Op de boorden der Maas te Genheuth.” De kaart, hier aangeduid met het jaartal 1921, voert ons naar het huidige Geneuth, bij Kotem. De oudere schrijfwijzen Genheuth en Cothem horen bij de plaatsnamen die we op historische kaarten en prentkaarten tegenkomen. Dat de kaart Mechelen-aan-de-Maas vermeldt, is betekenisvol. Geneuth was vroeger een enclave van die gemeente. Het gehucht werd pas in 1970 bij Kotem gevoegd. Op de achttiende-eeuwse Ferrariskaart staat het al aangeduid als Hameau Op Geenhuyt. Achter het bescheiden Maasgezicht gaat dus ook een geschiedenis van oude plaatsnamen en gemeentegrenzen schuil. De runderen bevinden zich volgens de aangeleverde beschrijving op de Weerd, de uitgestrekte en vruchtbare weilanden langs de Maas. Hier vormden gras, vee en rivier samen een vertrouwd landschap. Voor de landbouwende bevolking waren zulke gronden van groot belang. Ze boden ruimte om dieren te laten grazen en maakten deel uit van de bestaansmiddelen van de dorpen langs het water. De vruchtbaarheid van de Maasvallei was mede het werk van de rivier zelf. Bij overstromingen zette de Maas slib af, waardoor in de loop van de tijd rijke landbouwgronden ontstonden. De weilanden op deze foto moeten we daarom zien als onderdeel van een landschap dat door zowel de natuur als het boerenwerk werd gevormd. Vóór de Eerste Wereldoorlog hadden landbouw en veeteelt een belangrijke plaats in het leven van de Mechelaren. Mechelen-aan-de-Maas was tot in de twintigste eeuw een klein landbouwdorp. Daarbij bestond een duidelijk verschil tussen de vruchtbare gronden nabij de Maas en de armere heidegronden verder naar het westen. De ligging van een akker of weide bepaalde mee welke mogelijkheden een gezin had om zijn bestaan op te bouwen. Op de prentkaart krijgt die landbouwgeschiedenis een tastbare vorm. We zien geen cijfers of eigendomsakten, maar dieren aan het water, mensen langs de oever en bootjes die herinneren aan het gebruik van de rivier. Wie de runderen bezat en welke taak de afgebeelde personen uitvoerden, valt uit de foto alleen niet met zekerheid af te leiden. Het beeld toont wel hoe dicht het dagelijkse leven zich bij de Maas afspeelde. In de jaren na deze kaart zou de streek sterk veranderen. In Eisden begon de steenkoolontginning in 1923. De mijn bracht nieuwe werkgelegenheid en trok mensen van elders aan. Geleidelijk kreeg de omgeving een ander aanzien en veranderde ook het bestaan van vele landbouwersgezinnen. Toch bewaart dit Maasgezicht de herinnering aan het oudere land. Aan een oever waar runderen graasden, waar bootjes tegen de kant lagen en waar het werk afhankelijk bleef van grond, seizoenen en water. De kudde op de Weerd maakt die verdwenen wereld even zichtbaar: het landelijke Mechelen-aan-de-Maas, met Geneuth als een kleine plek in de grote geschiedenis van de rivier.

MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) - GEZICHT AAN DE MAAS

Ingekleurde versie

Updated

Kinderen op de oever, koeien bij het water en een man met zijn fiets: deze oude prentkaart bewaart een eenvoudig maar sprekend gezicht op het vroegere Maasland.

De Maas ligt rustig tussen haar oevers. Bomen spiegelen zich in het water en aan de overkant sluit een brede strook groen het uitzicht af. Op de voorgrond staan drie kinderen. Twee houden elkaar bij de hand. Verderop bevindt zich een vrouw, terwijl rechts een man met een donkere hoed bij zijn fiets staat. Daartussen zoeken twee koeien hun weg langs de grazige helling naar het water. Bovenaan staat het opschrift: ‘Mechelen a/d Maas — Gezicht aan de Maas’. Het is een bescheiden titel voor een beeld waarin veel samenkomt: het landschap, het vee en de mensen die er een ogenblik deel van uitmaken. De precieze opnamedatum en de namen van de afgebeelde personen zijn niet vastgesteld. Toch biedt de oorspronkelijke foto een waardevol aanknopingspunt om te vertellen over de vroegere band tussen Mechelen-aan-de-Maas en de rivier. Tot in de twintigste eeuw was Mechelen-aan-de-Maas een klein landbouwdorp, met de Maas aan de oostzijde en heidegronden aan de westzijde. Die ligging bracht duidelijke verschillen met zich mee. De gronden nabij de rivier waren vruchtbaarder dan de schrale heidegrond. Dat verklaarde het verschil mee waarom de oude dorpskern zich aan de oostkant ontwikkelde en het gehucht Boseinde langzamer groeide. De kinderen geven het beeld zijn bijzondere karakter. Hun houding maakt van het landschap meer dan een verzameling bomen en water. De man met de fiets en de vrouw verderop trekken eveneens de aandacht. misschien hielden zij even halt voor de fotograaf. Het rustige water toont slechts één stemming van de Maas. De rivier kon ook dreigend worden. Overstromingen en veranderingen van de rivierloop hebben de Maasvallei eeuwenlang gevormd. Oude geulen, afgesneden bochten en verschillen in het reliëf herinneren daaraan. Ook Mechelen bleef niet gespaard: de historische beschrijving van het dorp vermeldt een uitzonderlijk zware overstroming in 1740. Achter het kalme uitzicht van deze prentkaart schuilt dus een landschap waarmee bewoners voortdurend rekening moesten houden. In de twintigste eeuw veranderde de streek ingrijpend. Mijnbouw, grindwinning, de groei van de bevolking en veranderingen in de landbouw drukten hun stempel op de Maasvallei.  De plaatsnaam bovenaan behoort eveneens tot de geschiedenis. Mechelen-aan-de-Maas ging op 1 januari 1971 samen met Eisden, Vucht en Opgrimbie op in de nieuwe gemeente Maasmechelen. Een verdere gemeentelijke fusie volgde op 1 januari 1977. Op deze kaart blijft de vroegere naam leesbaar, verbonden met het water dat er al zo lang deel van het landschap uitmaakt. Zo bewaart dit ‘Gezicht aan de Maas’ een ogenblik dat gemakkelijk voorbij had kunnen gaan. De kinderen staan stil, de fiets wacht en de koeien bevinden zich vlak bij het water. Het is een klein tafereel, maar juist daarin ligt de waarde: een stukje Mechelen-aan-de-Maas waarin het vroegere leven nog een herkenbaar gezicht krijgt.

X





vrijdag 9 oktober 2026

MEERS (NEDERLAND) WEERTERHOF (ARTIKEL 1990)

Updated
Het Weerterhof aan de voorzijde. Volgens de oorspronkelijke bladzijde werd het linkerdeel met de vroegere schuttenkamer in zijn oorspronkelijke staat gerestaureerd; het rechterdeel was toen nog oorspronkelijk bewaard.

Updated

De noordoostzijde van het Weerterhof, op de oorspronkelijke bladzijde beschreven als nog in haar oorspronkelijke staat bewaard.


Het Weerterhof — tussen Mechelen, Elsloo en de Maas

Achter de verweerde gevels van het Weerterhof schuilt een geschiedenis die nauw verbonden is met de Maas. De twee foto’s tonen verschillende zijden van dezelfde hoeve: stevige muren, oude pannendaken en een erf waar het landelijke verleden nog voelbaar is. Het lijkt een rustige plek, maar de rivier bepaalde hier eeuwenlang hoe mensen woonden, werkten en elkaar konden bereiken. Het gebied rond de hoeve stond bekend als de Proostenweerd. Het behoorde vroeger tot Mechelen-aan-de-Maas, hoewel het afgelegen lag ten opzichte van de dorpskern en aan Elsloo grensde. De naam verwijst naar de proost van het Sint-Servaaskapittel in Maastricht, die landsheer van Mechelen was. Een weerd of waard is land dat door rivierarmen wordt omsloten. In deze streek was dat geen onveranderlijke toestand: de Maas verlegde haar bedding en kon vertrouwde verbindingen doorsnijden. De hogeproost liet in het Weerterhof een schuttenkamer onderbrengen, plaatselijk ook een ‘sjöttekamer’ genoemd. Daarmee bleef de band met Mechelen zichtbaar, ondanks de afstand. Volgens diezelfde tekst werd pas in 1842 een einde gemaakt aan de Mechelse verbondenheid van het gebied en werd het bij Elsloo gevoegd. De afgelegen ligging had ook een praktische keerzijde. Vooral in de winter kon de weg vanuit Mechelen moeilijk begaanbaar zijn. Toch beschrijven plaatselijke geschiedkundige publicaties het Weerterhof als een ontmoetingsplaats van de Mechelse schutterij, waar bijeenkomsten en gezamenlijke maaltijden plaatsvonden. Over de precieze historische betekenis van het woord schuttenkamer bestaat overigens verschil van inzicht: een onderzoeksrapport noemt ook een mogelijke functie als schoutenkamer, waar recht werd gesproken. De verschillende functies hoeven daarom niet zonder meer als één vaststaand verhaal te worden voorgesteld. Naast deze bestuurlijke en plaatselijke geschiedenis was er het dagelijkse leven langs de rivier. Voordat de scheepvaart over eigen motorkracht beschikte, werden schepen op de Maas stroomopwaarts getrokken door paarden. Die liepen langs een lijnpad of jaagpad op de oever, begeleid door lijndrijvers. Tegen de stroming in een geladen schip voortbewegen vroeg veel van mens en dier. Bij het Maaskruis tussen Vucht en Mechelen-aan-de-Maas veranderde de vaargeul van oever. Daar moesten ook de paarden en hun begeleiders de rivier oversteken om hun tocht langs het andere jaagpad voort te zetten. Dat was een gevaarlijk onderdeel van het werk. Bij het kruis stond een offerblok: men offerde voor een veilige overtocht en herdacht de drijvers die daarbij waren omgekomen. Het bewaarde Maaskruis herinnert nog aan die vroegere trekkersroute. In dat bestaan had een rustplaats grote waarde. Het Weerterhof was een plek waar lijndrijvers en paarden op verhaal konden komen. Ook de plaatselijke geschiedschrijving vermeldt een schippersherberg bij de hoeve. Zo was het hof verbonden met zowel het boerenleven als het verkeer op de Maas. De eerste foto toont de voorzijde met de aaneengesloten bouwdelen. Het linkerdeel waarin vroeger de schuttenkamer was ondergebracht, is in zijn oorspronkelijke staat gerestaureerd. De tweede foto laat de noordoostzijde zien, die eveneens haar oude toestand heeft behouden. Die beschrijvingen horen bij het moment waarop de oorspronkelijke foto’s en onderschriften werden gemaakt in 1990.

Samen vertellen de beelden meer dan het verhaal van een oude hoeve. Ze herinneren aan een afgelegen stukje Mechels grondgebied, aan schutters en rivierwerkers, aan paarden op het lijnpad en aan de Maas die telkens opnieuw haar weg zocht. Het Weerterhof bleef staan, terwijl het landschap eromheen veranderde. Juist daarin ligt zijn bijzondere betekenis: een stille getuige van een Maasland waarin water, arbeid en menselijke verbondenheid nauw met elkaar verweven waren.

PS: Het Weerterhof ligt bij Meers, nabij Elsloo, aan de Nederlandse kant van de Maas, tegenover de omgeving van Mechelen-aan-de-Maas. Het bestaat nog steeds, aan Op de Weerdt. Vroeger behoorde het terrein tot de Proostenweerd, een afgelegen stukje grondgebied van Mechelen-aan-de-Maas. Doordat de Maas haar loop verlegde, raakte de hoeve van Mechelen gescheiden en kwam ze aan de kant van Meers en Elsloo te liggen. Daarom wordt het Weerterhof in de geschiedenis van zowel Mechelen als Elsloo vermeld.

X

VEERBOOT OP DE MAAS IN GENEUTH (TOEN GENHEUT)

Updated en ingekleurd

Genheut, waar de Maas de mensen samenbracht

Een brede waterspiegel, bomen die zich in de rivier weerspiegelen en een oever waar enkele mensen bij een klein vaartuig staan (de veerboot). De oude foto van Genheut bewaart een eenvoudig Maaslands tafereel. Geen grootse gebeurtenis, maar een stukje dagelijks leven dat door de jaren heen bijna ongemerkt geschiedenis werd. Hier maakt de Maas een sierlijke bocht richting Vucht. Langs het water liggen de oevers open, met bomenrijen, struiken en grond die telkens opnieuw door de rivier werd gevormd. Het beeld straalt rust uit. Toch vertelt het kleine veer aan de kant dat deze plek ook een plaats van komen en gaan was. De familie Conings verzorgde hier tot aan de Tweede Wereldoorlog de overvaart naar het Nederlandse Meers. Achter die korte vermelding schuilt een vertrouwde verbinding tussen twee oevers. Wie naar de overkant wilde, kon hier de Maas oversteken. Voor de dorpen langs de Maas lag het leven aan de overzijde soms dichterbij dan de landkaart doet vermoeden. De rivier vormde een grens, maar het veer maakte die grens overbrugbaar. In de lokale geschiedschrijving over Meers wordt beschreven hoe mensen en fietsen bij kermisgelegenheden naar Geneuth werden overgezet. Zo diende de overvaart ook het eenvoudige plezier van een bezoek aan de andere kant. Op de foto blijven de mensen klein tegenover het brede water. Hun namen kennen we niet. Evenmin weten we waarvoor ze die dag aan de Maas stonden. Juist dat geeft het beeld zijn bijzondere waarde: het bewaart een ogenblik zonder alles uit te leggen. Een houding, een boot tegen de kant, een houten ton op de oever — kleine bijzonderheden die het vroegere landschap menselijk maken. Bij het kijken kunnen we ons het zachte klotsen tegen het hout voorstellen, het geritsel van de bladeren en een kort gesprek aan de waterkant. Het zijn gedachten die de foto oproept, geen vastgelegde herinneringen van de afgebeelde personen. Maar ze helpen ons te begrijpen hoe gewoon zo’n oversteek ooit kon zijn. Het werk van een veerman vroeg vertrouwdheid met het water. De rustige Maas van deze opname toont slechts één gezicht van de rivier. De familie Conings woonde ook langs de Maas in Geneuth. Een latere beschrijving van hun hoeve vermeldt dat na de overstroming van 1926 een betonnen waterkeringsmuur tussen het pand en de rivier kwam te liggen. Zo stonden wonen, werken en bescherming tegen het water hier dicht bij elkaar.

Vandaag kijken we naar bomen, water en enkele mensen aan de kant. Wie wat langer kijkt, ziet ook een verbinding die verdwenen is. Hier begon voor iemand de weg naar Meers. Hier kwam een ander weer thuis. En tussen die twee oevers lag de Maas: soms rustig, soms onberekenbaar, maar altijd aanwezig in het leven van het Maasland.


donderdag 8 oktober 2026

KOTEM /ELSLOO - RUÏNE VAN HET KASTEEL VAN ELSLOO ZICHTBAAR BIJ LAAGWATER 1969

Ingekleurde versie

Update

De Maas geeft haar geheimen niet zomaar prijs. Meestal houdt zij ze verborgen onder het stromende water. Maar wanneer het peil voldoende zakt, komen bij Elsloo oude muurresten tevoorschijn. Dan wordt even zichtbaar wat de rivier eeuwen geleden aan de menselijke bewoning heeft onttrokken: de resten die worden toegeschreven aan het verdronken kasteel van Elsloo. De bouwfragmenten liggen verspreid over een gebied van ongeveer veertig bij vijftig meter. Het grootste fragment steekt bijna vier meter boven de rivierbodem uit. Het zijn indrukwekkende overblijfselen, zeker wanneer men bedenkt dat op deze plaats ooit een burcht stond, met muren die bescherming moesten bieden en een uitzicht over het Maasland. De ligging aan het water had voordelen. De rivier vormde een belangrijke verbinding en bood de kasteelheren mogelijkheden om inkomsten te halen uit de scheepvaart. Maar diezelfde Maas kon ook een bedreiging worden. Door de eeuwen heen veranderde haar loop en tastte zij de oever aan. Uiteindelijk vielen delen van de oude bewoning aan het water ten prooi. De kasteelresten herinneren aan die voortdurende wisselwerking tussen mens en rivier.  In 1969 maakte een lage waterstand de muren bijzonder goed zichtbaar. Die gelegenheid werd benut om de overblijfselen vast te leggen. Op de foto staat pater Munsters uit Stein, bekend om zijn belangstelling voor de oudheidkunde en de geschiedenis van de streek. Zijn aanwezigheid bij de ruïne verbindt het oude bouwwerk met de mensen die het verleden wilden onderzoeken en bewaren. Ook de plaatselijke geschiedschrijving vermeldt hem bij de opnamen uit dat jaar.  De vindplaats was al bekend toen het archeologische onderzoek voor de Maaswerken begon. Later konden onderzoekers ook onder water naar bouwresten zoeken: in 2004 werd daarvoor akoestisch bodemonderzoek uitgevoerd. Toch blijft onzeker hoe het vroegere kasteel er precies heeft uitgezien. De bewaarde fragmenten geven slechts een deel van zijn geschiedenis prijs. Juist daardoor spreekt deze plek zo tot de verbeelding. Waar ooit mensen woonden, klinken nu het water en de wind. Bij laagwater verschijnt even een stukje van hun verdwenen wereld. Daarna stijgt de Maas opnieuw en verdwijnen de muren weer uit het zicht.

X

woensdag 7 oktober 2026

GENK (TOEN GENCK) - DE MOLEN

Ingekleurde versie

Updated

De windmolen van Genk — een verdwenen dorpsgezicht

Boven het veld verheft zich de donkere houten molen, met verderop de ranke kerktoren. Het is een beeld van het landelijke Genk: groen, open ruimte en twee herkenningspunten die boven het dorp uitsteken.  De molen stond op de Stichelsberg, nabij de huidige Schabartstraat, Berglaan en Hoogstraat. De oude begeleidende tekst laat zijn geschiedenis vóór 1842 beginnen. Het onderzoek dat Molenecho’s samenbrengt, vermeldt echter een bouwvergunning uit 1868 en een kadastrale registratie in 1870. Arnold Vaes, die eerder de Genkse Dorpsmolen pachtte, was betrokken bij deze windmolen. Zijn zoon Martinus en later kleinzoon Jan Renier zetten het molenaarswerk voort. Na andere huurders en een verkoopprocedure werd de molen in 1910 door molenmaker Theodoor Janssen afgebroken en naar Zonhoven overgebracht. Daarmee verdween zijn vertrouwde silhouet uit Genk. In het Zonhovense gehucht Heuven kreeg hij een tweede leven als de molen van Pieter Jan Evers-Vaes. Daar werd de windmolenbedrijvigheid in 1930 gestaakt. In 1935 volgde de afbraak; het malen werd voortgezet in een elektrische maalderij. Wat bleef, is dit stille dorpsgezicht. De houten molenkast, het veld en de kerktoren bewaren samen de herinnering aan een landschap waarin windkracht nog deel uitmaakte van het dagelijkse werk.

X




GENK (TOEN GENCK) - HÔTEL DES ARTISTES OMSTREEKS 1905

Ingekleurde versie

Updated

Hôtel des Artistes — toen Genk nog een schildersdorp was

Een smalle kasseiweg, bomen langs de straat en rechts een hotel waarvan de naam nog duidelijk op de gevel staat: Hôtel des Artistes. Deze oude prentkaart bewaart een stukje Genk dat ver van de huidige stadsdrukte lijkt te liggen. Mensen houden halt bij het logement, terwijl verderop de kerktoren boven het groen uitsteekt. Het precieze opnamejaar is niet vastgesteld, maar het beeld ademt de sfeer van Genk rond de vorige eeuwwisseling. Genk was in de negentiende eeuw een Kempisch boerendorp, omringd door heide, vijvers, moerassen en verspreide gehuchten. Vanaf omstreeks 1840 vonden kunstenaars hun weg naar dat landschap. Zij kwamen er voor de ruimte, het licht en de weerspiegelingen op het water. Tussen 1840 en 1940 bezochten honderden landschapsschilders het dorp. Logementen zoals Hôtel de la Cloche en later Hôtel des Artistes boden hun een onderkomen. Een van die bezoekers was Emile Van Doren, geboren in Brussel in 1865. Als jonge student van de Brusselse kunstacademie ontdekte hij Genk rond 1890. Wat voor anderen een schilderuitstap bleef, werd voor hem een nieuw bestaan. In 1893 vestigde hij zich er voorgoed. Hij ontmoette er Cidonie Raikem, die een herberg uitbaatte in de Stationsstraat, de vroegere Statiestraat. Op 22 februari 1898 trouwden zij, met de kunstenaars Herman Richir en René Ovyn als getuigen. Samen bouwden zij het logement uit tot het bekende Hôtel des Artistes. Cidonie speelde daarin een belangrijke rol. Oude postkaarten vermelden de uitbating onder de naam ‘Madame Van Doren’. Het hotel werd een ontmoetingsplaats voor kunstenaars en bemiddelde bezoekers die het landelijke Genk kwamen ontdekken. Ook Van Dorens schilderijen vonden er hun publiek: het logement deed tegelijk dienst als galerie. Zo kwamen gastvrijheid en schilderkunst onder hetzelfde dak samen. Bij deze geschiedenis hoort wel een onderscheid dat in oudere teksten soms verloren ging. Hôtel des Artistes was niet dezelfde herberg als ‘Bij Merieës’, ook bekend als het logement van Marie van Mengske. Daar verbleven onder meer leerlingen van landschapsschilder Joseph Coosemans. Armand Maclot, die Genk in 1899 voor het eerst bezocht, herinnerde zich de oude Statiestraat als een smalle kasseiweg met aarden bermen, berken en eenvoudige huizen. Zijn beschrijving laat begrijpen waarom deze dorpsomgeving zo’n indruk maakte op schilders uit de stad. Omstreeks 1913 liet Van Doren villa Le Coin Perdu bouwen nabij de Molenvijver. Die kunstenaarswoning huisvest tegenwoordig het Emile Van Dorenmuseum. Hij overleed in 1949, maar de band tussen zijn naam en het Genkse landschap bleef bewaard. Op deze prentkaart lijkt dat oude schildersdorp nog even dichtbij. De kasseien, de bomen en de hotelgevel bewaren de herinnering aan een tijd waarin bezoekers naar Genk kwamen met een koffer, een schildersezel en aandacht voor het landschap. Een eenvoudig straatbeeld, maar tegelijk een tastbaar spoor van een bijzonder hoofdstuk uit de plaatselijke geschiedenis.

X

GENK (TOEN GENCK) - WEG NAAR AS

Ingekleurde versie

Updated

De Weg naar As — een blik op het oude Genck

Twee kinderen staan naast elkaar op een brede, onverharde weg. Hoge bomen werpen hun schaduw over de bermen, een houten afsluiting begeleidt de straat en rechts sluiten eenvoudige woningen aan bij het dorpsbeeld. Deze oude prentkaart bewaart een stukje Genk dat intussen nauwelijks nog herkenbaar is: de Weg naar As, toen op de kaart aangeduid als “Route vers Asch”. De opname dateert van vóór 1903. De fotograaf keek vanaf café “De la Montagne” in de richting van het Stationsplein. Links lag het oude station met zijn spoorwegomgeving. De kinderen vormen het stille middelpunt van de foto. Wie ze waren, weten we niet, maar hun aanwezigheid geeft het verdwenen straatbeeld iets vertrouwds. De spoorweg had het dorp toen al met de buitenwereld verbonden. Op 3 maart 1874 opende het eerste station van Genk aan de lijn Hasselt–Maaseik. Daarmee kreeg het kleine Kempense dorp een verbinding die later een belangrijke rol zou spelen in zijn ontwikkeling. In 1912 nam de Belgische Staat de exploitatie van de lijn over. Een overname door de NMBS werd in 1926 opgericht. Met de trein kwamen ook bezoekers naar het Genkse landschap. Schilders, natuurliefhebbers en vakantiegangers vonden gemakkelijker hun weg naar de heide, de vijvers en de dorpsherbergen. Het Emile Van Dorenmuseum beschrijft hoe de spoorverbinding de aantrekkingskracht van Genk als schildersdorp versterkte. De locomotief op de lijn kreeg later de bijnaam “Coco”. Zo hoorde het geluid van de trein bij een omgeving die op deze prentkaart nog uitgesproken landelijk oogt. De mijnontwikkeling veranderde vervolgens het spoorwegnet. Nieuwe verbindingen via de mijnzetels maakten het oorspronkelijke traject langs het dorpscentrum minder belangrijk. Volgens Train World ging het oude station in 1941 buiten dienst. In 1943 braken de Duitse bezettingstroepen de spoorlijn op. Daarmee verdween de spoorweg die jarenlang naast deze dorpsweg had gelegen. Delen van de vroegere bedding werden later opgenomen in de Europalaan. Ook de gebouwen rond het station verdwenen geleidelijk. Het spoorwegbeheer bouwde op 27 maart 1920 een woning voor de stationschef, tussen het spoor, de Weg naar As en de Stationsstraat. Die woning werd in december 1969 afgebroken bij de aanleg van de Europalaan. Wat overblijft, is deze blik op het oude Genck. Een afgeleefde weg, hoge bomen, huizen langs de berm en twee kinderen die even blijven staan voor de fotograaf. Het station en de spoorlijn zouden verdwijnen, de omgeving zou grondig veranderen. 

X

GENK (TOEN GENCK) - DE STATIONSSTRAAT OMSTREEKS 1910

Ingekleurde versie

Updated

GENK OMSTREEKS 1910 — DE STATIONSSTRAAT, TOEN DE STILTE NOG TUSSEN DE KASSEIEN LAG

Een straat met bomen, een eenvoudig hekwerk en tramrails die tussen de kasseien naar de verte lopen. Deze oude prentkaart brengt ons naar de Stationsstraat van Genk, omstreeks 1910. Bovenaan stond de Franse benaming Genck — Rue de la Station et Hôtel de la Poste. Het is een gezicht op een dorp waarin de moderne tijd al haar sporen trok, maar het landelijke karakter nog duidelijk aanwezig was. Links staat het Hôtel de la Poste, met zijn brede zijgevel en lange voorgevel langs de straat. Dit gebouw was het huis van windmolenaar Vaes, gebouwd omstreeks 1848. Ook de molengeschiedenis van Genk situeert de molenaarswoning in het dorpscentrum en noemt dat bouwjaar bij benadering. De woning stond dus niet naast de windmolen: die bevond zich elders, bij de huidige Schabartstraat en Windmolenstraat. Zo bewaart deze kaart ook een stukje geschiedenis van een molenaarsfamilie die haar plaats had in het dagelijkse leven van Genk. Voor 1829 was de Rotterdamse schoenmaker Boonen Herman Jacob bewoner op deze plek. Dat jaartal ligt vóór de opgegeven bouwdatum van het afgebeelde huis en kan daarom niet zonder meer op hetzelfde gebouw worden betrokken. Toch geeft die vermelding iets kostbaars mee: achter een gevel schuilt meer dan een bouwgeschiedenis. Er woonden mensen, er werd gewerkt en er werden levens opgebouwd. Rechts, op de hoek van de Molenstraat, stond volgens dezelfde beschrijving een gietijzeren handwijzer met de aanduiding “Mechelen 15 km”. Een bescheiden wegwijzer, maar voor wie te voet, met de fiets of met paard en kar onderweg was, een nuttig herkenningspunt. In de verte situeert zich het gemeentehuis en de school. Het oude gemeentehuis aan de Oude Markt dateert van 1909: bij een opname omstreeks 1910 was het dus nog een betrekkelijk nieuw gebouw. De rails brengen beweging in dit stille straatbeeld. Het onderschrift bewaart daarbij een levendige herinnering aan burgers die zich aan een voorbijrijdende tram waagden om aan het vuur een pijpje aan te steken. Of dat vaak gebeurde, valt uit deze bron alleen niet vast te stellen. Het verhaal past wel bij de volkse herinneringen waarin de tram meer was dan vervoer: hij hoorde bij het dorpsleven. Tussen het Hôtel de la Cloche en het molenaarshuis liep buurtweg nummer 3, over de beek en langs de zavel naar Winterslag. Ook de straatverlichting krijgt een plaats in die herinnering. De gemeente liet petroleumlantaarns verzorgen door “Bijneese Jan” uit de Molenstraat, die tevens grafmaker was. Hij moest ze aansteken en doven. Achter het avondlicht in de straat zat dus nog de dagelijkse ronde van een dorpsgenoot. Genk stond aan de vooravond van grote veranderingen. De mijnontginning zou vanaf 1917 in Winterslag, vervolgens in Waterschei en Zwartberg, de groei van de gemeente sterk bepalen. Op deze kaart overheersen nog de bomen, de lage bebouwing en de open straat. Juist daarin ligt de bekoring van dit beeld. Twee rails tussen oude kasseien, een hotel bij het dorpscentrum en een weg die rustig naar de verte loopt. Het oude Genk is hier nog dichtbij — alsof straks iemand buitenkomt, de straat oversteekt en zijn buurman bij naam begroet.

X




GENK (TOEN GENCK) - DE TRAPKENS OMSTREEKS 1910

Ingekleurde versie

Updated

De Trapkens van Genk — waar het oude dorp nog even blijft bestaan

Sommige oude prentkaarten bewaren meer dan een straatbeeld. Ze tonen een stukje dorpsleven dat uit het dagelijkse zicht verdwenen is, maar in namen en herinneringen blijft voortbestaan. Zo ook deze opname van de Genkse Trapkens: brede treden tussen een hoge muur en dicht op elkaar gebouwde huizen, met daarachter een straat die verder het dorp in loopt. Boven de gevels hangen draden aan zware isolatoren. Het is een eenvoudig tafereel, maar juist daarin schuilt zijn waarde. De Trapkens is gesitueerd op het tracé van de oude Hoogstraat. Die verbond het centrum via de Schabartstraat, ook aangeduid als Lijkweg, met de richting Zutendaal en Maastricht. Het straatje maakte daarmee deel uit van een ouder wegennet, gevormd in een tijd waarin de verbindingen tussen dorp, gehuchten en omliggende gemeenten het dagelijkse verkeer bepaalden. De hoogteverschillen waren daarbij geen bijkomstigheid. De naam Hoogstraat verwijst volgens de studie Genker straatnaamgeving in de twintigste eeuw naar de hogere ligging tegenover het lager gelegen centrum. In de treden op de foto wordt dat reliëf bijna tastbaar: hier moest men werkelijk omhoog om zijn weg voort te zetten. De huidige Hoogstraat kwam rechts vóór de afgebeelde bebouwing te liggen. Toen de Berglaan voor het verkeer werd opengesteld, werd het Trapkensstraatje voor doorgaand verkeer afgesloten. Midden op de weg plaatste men daarvoor een blauwe steen die vervolgens in het Molenvijverpark terechtkwam, rond het ringevenement. Zo kon een bescheiden obstakel uit het dagelijkse straatverkeer zelf een herinnering aan het vroegere dorp worden. Links op de foto staat de muur die de hoger gelegen kerk- en kerkhofgrond begrensde. Deze muur werd in 1890 voor 9.000 frank werd gebouwd. Het ijzeren hek erboven en de bebouwing aan de overzijde geven de doorgang een besloten karakter. Kerk, kerkhof, woningen en straat lagen hier dicht bij elkaar. Dat past bij het oude Genk, waar de Sint-Martinuskerk en de dorpskern lange tijd een centrale rol vervulden voor de omliggende gehuchten.  Rechts bevond zich de winkel die men kende als “bij Kesterswijke”. Het was een naam die kennelijk langer meeging dan de oorspronkelijke functie van het pand, want de zaak was geruime tijd een tijdschriftenwinkel. Zulke benamingen horen bij de geschiedenis van een dorp: een winkel bleef in de volksmond verbonden met de mensen die er woonden of handel dreven, ook wanneer de bestemming veranderde. Tot na de Tweede Wereldoorlog hield ook de plaatselijk als “Pietje de dood” bekende begrafenisondernemer hier zijn zaak. Het is een opvallend detail naast de nabijheid van kerk en kerkhof. Achter de gevels op deze foto ging het gewone leven verder, met zijn boodschappen en ontmoetingen, maar ook met afscheid en rouw. Intussen veranderde Genk ingrijpend. De ontwikkeling van de mijnindustrie bracht nieuwe woonwijken, een sterke bevolkingsgroei en een steeds uitgebreider wegennet. Het oude dorpscentrum werd bovendien in 1944 zwaar getroffen door een bombardement waardoor het vroegere stratenpatroon slechts gedeeltelijk bleef behouden. Oude opnamen als deze bewaren daardoor ook de samenhang van plekken die later een ander uitzicht kregen.  De Trapkens blijven op deze foto een doorgang op mensenmaat. De treden, de muur en de vertrouwde gevels vertellen samen over een Genk dat nog dicht rond zijn kerk lag. Wie aandachtig kijkt, ziet tussen de stenen niet alleen een verdwenen straatbeeld, maar ook de stille sporen van het leven dat zich er heeft afgespeeld.

X




maandag 5 oktober 2026

OUD-REKEM (TOEN RECKHEIM) SINT PIETER GENDARMERIE EN MONUMENT

Ingekleurde versie (alle personen zijn verwijderd wegens te slechte kwaliteit bij het kleuren)

Updated zonder alle personen

Originele foto

Oud-Rekem, het vroegere Reckheim — herinneringen aan Sint-Pieter

Er zijn oude dorpsbeelden waarin meer bewaard bleef dan baksteen en kasseien. Deze opname van Sint-Pieter in Oud-Rekem toont zo’n plek. Links staan de gebouwen van de vroegere rijkswacht en het oude huis Delwaide. Rechts rijst het oorlogsmonument boven zijn voetstuk uit, geflankeerd door twee kanonnen. Achter de muur staan bomen die het geheel een besloten karakter geven. Een vertrouwd straatbeeld, maar tegelijk een plaats waar het verdriet van een gemeenschap een blijvende vorm kreeg. De naam Sint-Pieter voert ons nog verder terug. Hier lag de westelijke toegang tot het oude stadje Reckheim, bij het Paterskwartier. Dat stadsdeel werd afgesloten door de Bospoort, ook Maastrichterpoort genoemd. Vanaf omstreeks 1900 kregen de wegen rond de verdwenen poort de naam Sint-Pieter, naar de patroonheilige van Rekem. Zo bleef, ook nadat de poort verdween, de geschiedenis van deze toegang tot het stadje in de straatnaam voortleven. Bij het woord gendarmerie past een onderscheid tussen verschillende perioden. De rijkswachters verbleven vanaf 1904 met hun gezinnen in een voormalig hotel aan de huidige Herenstraat 18. Na de Tweede Wereldoorlog verhuisde de brigade naar nieuwe gebouwen op Sint-Pieter. Die kazerne, met woningen voor de rijkswachters en hun families, dateert uit de jaren vijftig. Het monument rechts werd op 20 augustus 1922 plechtig onthuld. Beeldhouwer Frans Huygelen ontwierp de bronzen soldaat; de Brusselse gieterij Verbeyst voerde het beeld uit. Met opgeheven vaandel en geweer staat de figuur op een natuurstenen sokkel. Onder het gedenkteken bevindt zich een grafkelder die al in 1919 werd aangelegd voor drie Rekemse oorlogsdoden. Het waren Kusters, Segers en Boutsen. Die combinatie van namen komt ook voor op een historische herdenkingsprentkaart, beschreven als een huldebetoon in Reckheim op 26 oktober 1919, met de vermelding van de grafkelder van de drie dapperen. Het monument was dus ook verbonden met mensen die de inwoners bij naam kenden: hun verlies behoorde tot de geschiedenis van Rekem zelf. De twee kanonnen geven de opname een bijzonder historisch belang. Het waren oorlogstrofeeën die bij het gedenkteken stonden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ze door Duitse soldaten meegenomen. Hun aanwezigheid wijst erop dat de oorspronkelijke opname vermoedelijk tussen de onthulling in 1922 en hun verwijdering tijdens de bezetting werd gemaakt. Later kreeg deze herdenkingsplek ook betekenis voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Bij het monument werden platen aangebracht voor onder meer gevallen leden van het Geheim Leger en slachtoffers van 10 mei 1940. Daarmee groeide het oorspronkelijke eerbetoon aan de oorlogsdoden van 1914–1918 uit tot een plaats van herinnering aan beide oorlogen.

Vandaag laat deze oude foto vooral voelen hoe dicht het dagelijkse leven en de herinnering aan de oorlog bij elkaar lagen. De kasseien liepen langs woningen en dienstgebouwen, maar ook langs een grafmonument. Mensen passeerden hier met hun boodschappen, op weg naar huis of naar hun werk, terwijl de namen van de doden aanwezig bleven. De kanonnen verdwenen en het straatbeeld veranderde. Toch bewaart de opname iets wat geen nieuwe bestrating kan terugbrengen: het oude Sint-Pieter, waar achter eenvoudige gevels werd geleefd en waar Rekem zijn oorlogsdoden een plaats gaf, midden in de gemeenschap.

X






BOORSEM - GRAANOOGST (KOREN BINNENHALEN)

Ingekleurde versie

Updated

Een paard voor een hooggeladen kar, korenschoven op het veld en enkele handen die samen het werk verzetten: deze foto uit Boorsem bewaart een stukje boerenleven dat uit het dagelijkse dorpsbeeld verdwenen is. Boven op de lading neemt een jongeman de schoven aan. Naast de kar staat een man klaar om verder te laden, terwijl bij het paard een andere helper wacht. Het is een eenvoudig tafereel, maar achter iedere schoof schuilt het werk van een heel seizoen. Het koren was gemaaid en in schoven gebonden, zoals dat vroeger gebruikelijk was. Die schoven werden op het veld rechtop bij elkaar gezet om verder te drogen. Pas daarna werden ze met paard en kar opgehaald en naar de boerderij gebracht. Het maaien, binden, rechtzetten en binnenhalen waren afzonderlijke stappen, waarvoor telkens opnieuw handen nodig waren. De traditionele graanoogst was dan ook werk dat men samen verrichtte. Op het Boorsemse beeld zien we dat binnenhalen volop gebeuren. De kar draagt al een flinke vracht. De schoven liggen hoog opgestapeld, met de ruwe halmen en aren naar buiten. Wie boven op zo’n lading werkte, moest zijn evenwicht bewaren en de bundels zorgvuldig neerleggen. Een kar laden vroeg ervaring: de oogst moest mee naar huis, maar onderweg ook blijven liggen. Voor ons heeft zo’n foto iets rustigs en vertrouwds. Voor de mensen op het veld was het een werkdag. Schoven moesten worden opgetild, doorgegeven en geschikt. Onder een hemd kleefde het stof aan de huid; droge halmen schuurden langs handen en onderarmen. Het paard stond tussen het werk door te wachten, met de kar achter zich. Men kan zich bij dit beeld het geritsel van het koren voorstellen, het kraken van het hout en de korte aanwijzingen tussen de helpers. Eenmaal thuis werden de gedroogde schoven in de schuur opgeslagen. Daarmee was de oogst binnen, maar de graankorrels zaten nog in de aren. Het eigenlijke dorsen moest dus nog gebeuren. In de oudere landbouwpraktijk was dat vaak winterwerk, wanneer de werkzaamheden op het land minder aandacht vroegen. Dan werden de schoven losgemaakt en op de dorsvloer uitgespreid. Met dorsvlegels sloeg men de korrels uit de aren. Zo’n vlegel bestond uit een lange houten steel en een korter, zwaarder slaghout, die beweeglijk met elkaar verbonden waren. Het lijkt eenvoudig, maar goed dorsen vroeg oefening. Wie met anderen werkte, moest een regelmatig ritme aanhouden. In de schuur klonk dan het herhaalde kloppen van hout op het uitgespreide koren: een wintergeluid dat bij het oude boerenbedrijf hoorde. De verandering kwam geleidelijk. Tussen de dorsvlegel en de moderne maaidorser lag nog de tijd van de afzonderlijke dorsmachine. Zo’n machine kon naar een boerderij worden gebracht, waar een ploeg de schoven aanvoerde en invoerde. Het dorsen ging sneller, maar er bleef veel werk nodig rond de machine. Historisch onderzoek beschrijft dorsploegen die van bedrijf naar bedrijf trokken om de opgeslagen oogst te verwerken. Later nam de maaidorser, ook pikdorser of combine genoemd, verschillende werkzaamheden in één keer over. Hij rijdt door het rijpe graan, maait de halmen en dorst meteen de korrels uit de aren. Daarmee verdween voor die oogst de noodzaak om eerst schoven te binden, op het veld te laten drogen en met paard en kar naar de schuur te brengen. De opkomst van zelfrijdende maaidorsers kreeg vanaf de jaren vijftig een sterke impuls. Wanneer een bepaalde Boorsemse boer precies overschakelde, kunnen we uit deze foto niet afleiden.

Dit mooie beeld uit een Boorsems veld behoort inmiddels tot de voltooid verleden tijd. De schoven, de hooggeladen kar en het geduldige paard verdwenen uit de gewone oogstdagen. Wat overblijft, is een foto die laat zien hoeveel mensenwerk er ooit nodig was om het koren veilig binnen te krijgen. En juist daarin ligt haar waarde. Ze bewaart geen grootse gebeurtenis, maar een dag uit het leven van mensen die het land bewerkten. Een dag waarop de schuur weer wat voller raakte en de inspanning van maanden eindelijk naar huis werd gebracht.

X








LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - CAFÉ HOTEL RESTAURANT BAIJOT TOURNEBRIDE 1927

Ingekleurde versie (alle mensen zijn verwijderd wegens te slechte kwaliteit bij het kleuren)

Updated

Aan Tournebride, langs de steenweg door Lanaken, stond Hotel Baijot: een etablissement dat in de plaatselijke herinnering een bijzondere naam heeft behouden. Oude postkaarten vermelden het als Café-Hôtel-Restaurant Baijot en verbinden het uitdrukkelijk met het buurtspoorwegstation van Tournebride. Ook de toen gebruikelijke schrijfwijze Lanaeken vinden we op die kaarten terug. Het hotel bevond zich daarmee op een plaats waar gastvrijheid en het dagelijkse verkeer elkaar ontmoetten.

De historische foto toont een verzorgd gebouw met sierlijke banden in het metselwerk, hoge vensters en een opvallende aanbouw met houten gevelwerk. De opschriften HOTEL, CAFÉ en RESTAURANT maakten duidelijk waarvoor bezoekers er terechtkonden. Voor de gevel stonden terrasstoelen en tafeltjes onder de bomen. Op de oorspronkelijke opname zitten en staan verschillende mensen voor het gebouw, terwijl fietsen tegen de gevel en bij de boom het straatbeeld vervolledigen. Het is een tastbare herinnering aan een tijd waarin een hotelterras ook een ontmoetingsplaats was.

Baijot gold als het meest gerenommeerde hotel van de gemeente, een pleisterplaats voor de welgestelde burgerij en bezoekers uit hogere kringen. Wanneer prins de Merode van het nabijgelegen Pietersheim jachtpartijen organiseerde, zouden zijn gasten hier hebben overnacht. Die overlevering geeft het hotel een bijzondere plaats in het sociale leven van Lanaken: het bood onderdak aan mensen die voor hun ontspanning en contacten naar de streek kwamen.

De verbinding tussen Hotel Baijot en de jacht wordt ook ondersteund door bewaard gebleven postkaarten. Er bestaat een kaart van het hotel met de aanduiding Rendez-vous de chasse à courre: een samenkomst voor een jacht met honden en ruiters. Dat vormt een concrete aanwijzing dat Baijot bij zulke bijeenkomsten een rol speelde. 

Het nabijgelegen Pietersheim vormde de historische achtergrond van die adellijke wereld. De familie de Merode was al eeuwen met het domein verbonden. Voor een verhaal rond 1927 is vooral een recentere gebeurtenis van belang: het kasteel was in 1920 volledig uitgebrand en was in 1926 gerestaureerd. In het jaar van deze foto plaatsen, was die herstelling dus nog maar pas voltooid. 

Voor de deur van Baijot lag de steenweg, die Lanaken met de omliggende plaatsen verbond. De fietsen op de oorspronkelijke foto laten zien hoe bezoekers zich verplaatsten. Daarnaast bracht de buurttram reizigers naar Tournebride. Voor wie onderweg was, bood Baijot de mogelijkheid om iets te drinken, te eten of een kamer te nemen. 

Tournebride maakte deel uit van de tramverbinding tussen Maastricht en Maaseik. 

Zo brengt het beeld van Baijot verschillende kanten van het vroegere Lanaken samen. Achter de ramen lag de wereld van hotelkamers en restaurantbezoek; op het terras vonden ontmoetingen plaats; langs de steenweg kwamen reizigers voorbij. In de nabijheid lag Pietersheim, met zijn kasteelgeschiedenis en jachttraditie. Het gebouw stond midden in die wisselwerking tussen het plaatselijke leven en bezoekers van buiten de gemeente.

Later moest Hotel Baijot verdwijnen voor de verbreding van de rijksweg. Het hotel was gelegen tegenover de busstelplaats. Daarmee verdween een herkenningspunt dat op oude postkaarten nog altijd zijn vroegere uitstraling bewaart. 

X












LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - CAFÉ HOTEL RESTAURANT BAIJOT TOURNEBRIDE 1927

Ingekleurde versie

Updated

Voor de bakstenen gevel van Baijot heeft het dagelijkse leven even stilgestaan. Mannen zitten met hun glas aan kleine tafeltjes, vrouwen en kinderen kijken naar de fotograaf en in de deuropening staan enkele mensen dicht bij elkaar. Links staat een fiets. Boven de ramen vertellen de opschriften waarvoor men hier terechtkon: hotel, café en restaurant. Het is een opname die de gezelligheid van een uitspanning langs een drukke verkeersroute tastbaar maakt. De naam Baijot is ook op oude postkaarten terug te vinden. Het Café-Hôtel-Restaurant Baijot was dichtbij het buurttramstation van Tournebride gelegen. De combinatie van café, hotel en restaurant paste goed bij deze ligging. Wie onderweg was, kon er iets drinken, een maaltijd gebruiken of overnachten. De tafeltjes en stoelen op de foto tonen bovendien dat het leven zich bij geschikt weer tot buiten uitstrekte. Hun aanwezigheid geeft de gevel wel iets menselijks: achter de naam Baijot ging een plaats schuil waar mensen elkaar ontmoetten.

Tournebride: een naam uit de tijd van paarden en postkoetsen

Tournebride lag aan een belangrijke verbinding door het Maasland. De naam wordt doorgaans uitgelegd als het omdraaien van de teugels. Daarbij wordt vaak verteld dat hier de paarden van een paardentram werden omgespannen. Spoorhistorisch onderzoek in Op de Rails spreekt dat tegen: in Tournebride heeft geen paardentram gereden. De naam bestond al in de achttiende eeuw en wordt daar verbonden met de postkoetsroute van Tongeren naar Maaseik via Maastricht. De tram die later kwam, was een stoomtram. Zo droeg Tournebride in 1927 nog een herinnering aan een oudere manier van reizen. Waar vroeger paarden en koetsen het vervoer bepaalden, kregen reizigers later aansluiting op het buurtspoornet.

De steenweg: de verbinding met de buitenwereld

De weg Maastricht–Maaseik werd in 1812–1813 aangelegd. Deze steenweg ontsloot onder meer Neerharen en Smeermaas en werd een belangrijke verkeersas voor de omgeving van Tournebride. Langs die verbinding ontstonden nieuwe concentraties van bebouwing. Een horecazaak bij de weg en het tramstation bevond zich daardoor op een gunstige plaats voor reizigers en bezoekers. Bij een voorstelling van de steenweg in 1927 moeten we denken aan gemengd verkeer: voetgangers, fietsen, paard en kar en het toenemende gemotoriseerde vervoer. De straat vóór het café had nog een ruwe ondergrond.

En langs die verkeersas passeerde de tram

In 1927 behoorde de buurttram al bijna dertig jaar tot de omgeving van Tournebride. De lijn Tongeren–Lanaken opende op 15 mei 1897. Op 7 januari 1898 kwam de verbinding met Tournebride tot stand, met aansluiting op de route naar Maastricht. Tournebride groeide uit tot een knooppunt met een tramstelplaats. Hier kwamen de verbindingen richting Tongeren en richting Maastricht en Maaseik samen. De tram hoorde dus bij het leven rond Baijot. 

Lanaken in 1927: een dorp in verandering

Lanaken had tot het begin van de twintigste eeuw een overwegend landelijk karakter. Industrie en nieuwe werkgelegenheid veranderden dat geleidelijk. Ook de opening van de nabijgelegen steenkoolmijn van Eisden droeg bij aan de groei van de tewerkstelling en de bevolking. In 1927 leefden het oude dorpsleven en de nieuwe industriële wereld daardoor steeds sterker naast elkaar. De grote kanaalwerken die het landschap later grondig zouden wijzigen, moesten nog beginnen. De aanleg van het Albertkanaal dateert van 1929–1939; het verbindingskanaal Briegden–Neerharen volgde in de jaren dertig. Het Tournebride van deze opname behoorde dus nog tot het landschap van vóór die ingrepen. Juist daarom is deze foto zo waardevol. Zij bewaart een ogenblik waarop de geschiedenis zichtbaar wordt in gewone dingen: een fiets tegen het terras, een glas op tafel, nette kleding, een kind tussen de volwassenen en een open deur waarachter het caféleven verderging. Baijot staat hier als een herkenbaar rustpunt langs de steenweg, in een Lanaken dat steeds meer met de omliggende dorpen en steden verbonden raakte.

X




zaterdag 3 oktober 2026

DE OUDE VUCHTERBRUG - SCHILDERIJ VAN CHRISTOFFEL HENDRIK DIJKMAN (1879-1954)

Updated

Een lage brug over het water, een bakstenen huis tussen de bomen en een bootje langs de oever: dit schilderij bewaart de sfeer van een verdwenen stukje Maasland. De geelbruine boomkruinen en hun weerspiegelingen geven het tafereel een rustige herfststemming. De brug vormt het middelpunt, als verbinding tussen twee oevers waar het dagelijkse leven zich langs de vaart afspeelde. Het werk is een schilderij van de voormalige draaibrug in Vucht, gemaakt door Christoffel Hendrik Dijkman.  De Zuid-Willemsvaart veranderde het landschap en de vervoersmogelijkheden van het Maasland ingrijpend. De aanleg begon in 1822, onder koning Willem I; in 1826 werden de hogere kanaalgedeelten feestelijk geopend. De waterweg verbond Maastricht met ’s-Hertogenbosch en bood een belangrijke route voor goederenvervoer. In de jaren twintig van de twintigste eeuw werden onder meer kolen, grind en zand over het kanaal vervoerd.  Waar landwegen de vaart kruisten, waren bruggen nodig. Bij een draaibrug draaide het beweegbare brugdeel horizontaal opzij om schepen door te laten. Zo kwamen het verkeer over land en de scheepvaart op één plaats samen.  Dijkman werd op 29 december 1879 geboren in Sint-Maartensdijk, op het Zeeuwse eiland Tholen. Volgens de regionale publicatie trok hij in 1925 naar de Maasvallei, verbleef hij enige tijd in Vucht en kreeg hij bij de verkoop van zijn schilderijen hulp van Bert Gorissen. Hij gebruikte ook de naam Henk Dijkman. Later werkte hij in Maastricht en omgeving, waar hij tot zijn overlijden op 11 december 1954 historische plekken vastlegde.  Het kanaallandschap bleef ondertussen veranderen. Tijdens het interbellum werd de Zuid-Willemsvaart verbreed en werden op verschillende plaatsen bochten rechtgetrokken. Oude kanaalarmen en nieuwe brugconstructies getuigen vandaag nog van die aanpassingen. Juist daarin ligt de waarde van dit werk: het bewaart een gezicht op de vaart dat in het huidige landschap moeilijk terug te vinden is. Dijkman liet ons een schilderachtige herinnering na aan water, baksteen, bomen en een bescheiden brug — herkenbare elementen van het vroegere Maasland.

X

EISDEN-DORP (TOEN EYSDEN) / INGANG VAN HET DORP 1918

Ingekleurde versie

Updated

Aan de Zuid-Willemsvaart lag een toegang tot het oude Eisden die voor generaties dorpsbewoners een vertrouwd gezicht moet zijn geweest. Het water op de voorgrond, de huizen aan de overkant en de straat die tussen de gevels het dorp binnenloopt: samen vormen ze een herinnering aan een Maaslands dorp waarvan het leven nauw verbonden was met het kanaal. De waterweg had het landschap ingrijpend veranderd. De Zuid-Willemsvaart werd in de jaren 1820 aangelegd en vormde de westelijke begrenzing van het oude dorpscentrum. Aan de overzijde lagen de uitgestrekte heidegronden, waar later de mijngebouwen en de mijnwerkerswijk zouden verrijzen. Het kanaal bracht zo een duidelijke scheiding tussen het oude Eisden en het gebied waar de nieuwe industriële wereld gestalte kreeg.  Bij het uiteinde van de vroegere Dorpstraat, de latere Langstraat, lag het Boseind. In de plaatselijke geschiedenis wordt die omgeving beschreven als de buurt bij de draaibrug. Sinds de aanleg van een brug in 1875 sprak men er ook van wonen “aan de brök”. Langs het kanaal vonden schippers onderdak in logementen en cafés. De families Ramakers, Dexters en Dedroog worden genoemd bij die bedrijvigheid. Ook de kiezelwinning aan de andere oever bood werk: de Eisdense kiezel was geschikt voor wegen en kanaaldijken.  In het gerestaureerde beeld trekt vooral de horecagevel de aandacht, met de woorden CAFÉ, RESTAURANT en BIÈRES ARTOIS. Zo’n gevel maakt zichtbaar dat een dorpsingang ook een plaats van ontmoeting en handel kon zijn. Wanneer we de opgegeven datering 1918 volgen, plaatsen we het tafereel aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Tegelijk stond Eisden aan de vooravond van een grote verandering. De mijnmaatschappij was al in 1907 opgericht; de daadwerkelijke steenkoolwinning kwam pas in de vroege jaren 1920 op gang. De groei van de mijn en de cité zou het karakter en de omvang van Eisden sterk veranderen, met nieuwe woningen, handelszaken en horecagelegenheden ten westen van het kanaal.  Deze dorpsingang bewaart vooral het beeld van een overgang: tussen water en straat, tussen het oude Maaslandse dorpsleven en de mijnwereld die zich verder zou ontwikkelen. De bakstenen gevels en het kanaal vertellen samen hoe wonen, werken en reizen hier dicht bij elkaar lagen.

X





vrijdag 2 oktober 2026

OUD-REKEM (TOEN RECKHEIM) SINT-PIETER

Ingekleurde versie

Updated

OUD-REKEM — DE GRAANHANDEL VAN DANIEL DELWAIDE OP SINT-PIETER

Een paard voor een houten kar, een kip tussen de kasseien en een brede bakstenen gevel: deze oude opname bewaart een stukje van het dagelijkse leven in toendertijd Reckheim. Hier was de graanhandel van Daniel Delwaide gevestigd. De grote toegangspoort en het ruime gebouw geven het straatbeeld een uitgesproken bedrijvig karakter, al ligt alles op het ogenblik van de opname rustig.

Het paard en de kar herinneren aan de tijd waarin vervoer nog sterk op dierlijke trekkracht steunde. Wat er precies met deze kar werd vervoerd, vertelt de foto niet. Toch past het tafereel mooi bij de vermelde graanhandel: een onderneming die verbonden was met het landbouwleven van het dorp en zijn omgeving. De onregelmatige kasseien, de begroeiing langs de gevel en het kleine dier op straat maken de opname bijzonder herkenbaar. Het zijn eenvoudige details die een verdwenen dorpswereld dichtbij brengen.

De plaatsnaam Sint-Pieter heeft eveneens een lokale geschiedenis. Vanaf 1900 de wegen rond de verdwenen Bospoort, ook Maastrichterpoort genoemd, zo aangeduid, naar de patroonheilige van Rekem. Daarmee situeert deze foto zich in een omgeving waar het oude stratenpatroon en het dagelijkse dorpsleven samenkwamen.

Links, net buiten het beeld, lag café Wallon. Die naam duikt ook op in de geschiedenis van het Rekemse voetbal. De plaatselijke ploeg De Walratten had er haar clublokaal. De vereniging bestond rond de oprichting van AA Rekem in 1927 en speelde op een weide aan de Groenstraat. Café Wallon was dus ook verbonden met het verenigingsleven van Oud-Rekem.

De graanhandel werd later omgebouwd tot Rijkswachtkazerne. Daarmee kreeg het pand een heel andere bestemming: een plaats van handel werd een onderkomen voor de ordehandhaving. De precieze datum van die verandering is onbekend. 

Zo bewaart deze opname meer dan een oude gevel. Ze herinnert aan de graanhandel van Daniel Delwaide, aan het nabijgelegen café Wallon en aan een straat waar werk, vervoer en dorpsleven elkaar ontmoetten. Het paard wacht voor de kar, de kip scharrelt over de stenen en het gebouw staat er nog in zijn vroegere gedaante — een bescheiden maar waardevolle getuige van het oude Rekem.

X




woensdag 30 september 2026

MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) ZICHT OP HEILIG-HARTCOLLEGE

Updated

Deze luchtfoto toont het Heilig-Hartcollege vanuit een bijzonder gezichtspunt. De indrukwekkende schoolgebouwen, de centrale kapel en de uitgestrekte speelplaats bepalen het beeld. Daaromheen herkennen we woningen, tuinen, bomenrijen en open percelen. Het is een zicht op Mechelen-aan-de-Maas waarin onderwijs en dorpsleven dicht bij elkaar lagen, maar waarin ook nog veel onbebouwde plaatsen aanwezig waren. Het college aan de Rijksweg droeg oorspronkelijk de naam “Gesticht van het H. Hart”. Een gevelsteen vermeldt het bouwjaar 1914, onder het episcopaat van bisschop Rutten. De bakstenen gevels, natuurstenen afwerking, hoge dakpartijen en talrijke vensters geven het complex zijn statige uitstraling. De architectuur verenigt verschillende historische stijlinvloeden, wat als eclecticisme wordt omschreven. Het gebouwencomplex kwam in verschillende fasen tot stand. Volgens het beschermingsdossier dateren het hoofdgebouw en de zuidelijke vleugel, bestemd voor college en normaalschool, uit 1912–1916. De technische school volgde in 1922–1924. De centrale koepelkapel werd gebouwd in 1934–1936. Architect Verlinden uit Luik tekende de ontwerpen; voor de hoofdvleugel vermeldt het dossier een inspiratie op het Rijksmuseum in Amsterdam. Op de foto trekt de kapel onmiddellijk de aandacht. Haar hoge centrale dak, roosvenster en aansluitende bouwdelen vormen het hart van het schoolcomplex. Rechts strekt zich de grote speelplaats uit. De verspreide leerlingen lijken vanuit de lucht kleine stippen, maar maken duidelijk hoe ruim het terrein was. Midden op die open plaats staat een afzonderlijk schoolgebouw. Bijzonder opvallend zijn de vele onbebouwde gronden rondom het college. Tussen en achter de huizen liggen nog tuinen, graslanden en percelen met een herkenbare indeling in kleinere teeltvakken. De bebouwing vormt geen aaneengesloten geheel: op verschillende plaatsen blijft het landschap zichtbaar tussen de woningen. Dat geeft deze opname haar open, haast landelijke karakter. Niet iedere onbebouwde plek was daarom ongebruikt. Op de foto zijn gronden te herkennen die als tuin of teeltgrond waren ingericht. Andere stukken ogen als grasland. Zonder bijkomende kaarten of gegevens kunnen we hun toenmalige bestemming niet overal met zekerheid vaststellen, maar de aanwezige open ruimte spreekt voor zichzelf. Zo bewaart deze luchtfoto meer dan alleen het uitzicht op een school. Ze toont ook een stukje Mechelen-aan-de-Maas waarin een groot onderwijscomplex omringd werd door huizen én veel groen en onbebouwde grond. Voor wie er schoolliep of in de omgeving woonde, kan dit beeld herinneringen oproepen aan de speelplaats, de vertrouwde gevels en de straten rond het college.

X



MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) RIJKSWEG ( TOEN STEENWEG) 1933

Ingekleurde versie

Updated (op deze foto zijn de personen weggelaten wegens te slechte kwaliteit)

Originele foto

Wie deze afbeelding bekijkt, blijft vanzelf even staan bij de bakstenen gevels, de luiken en het sierlijke balkon. Boven de winkelpui lezen we ‘In den Gouden Anker’. Rechts staat een automobiel, terwijl bomen en voortuintjes het straatbeeld verzachten. Het is een beeld dat ons terugvoert naar Mechelen-aan-de-Maas, naar de weg die hier als de Steenweg bekendstond: de huidige Rijksweg.

Die weg had het dorp ingrijpend veranderd. De verbinding Maastricht–Maaseik werd in de eerste helft van de negentiende eeuw aangelegd. De bebouwing langs de weg kwam vooral vanaf het einde van die eeuw en tijdens de twintigste eeuw tot ontwikkeling. Winkels en horecazaken maakten van de verkeersweg geleidelijk ook een plaats waar mensen hun boodschappen deden en elkaar ontmoetten.

Een winkelgevel als herkenningspunt

Op de afgebeelde gevel neemt de naam ‘In den Gouden Anker’ een opvallende plaats in. Onder het opschrift trekt de etalage de aandacht. Zo’n winkelpui geeft de straat een ander karakter dan een rij woonhuizen alleen.

Het dorp groeide mee met de mijnstreek

Rond 1933 bevond Mechelen-aan-de-Maas zich in een periode van verandering. Het vroegere landbouwdorp kreeg steeds sterker de invloed van de mijnindustrie te voelen. De ontwikkeling van de mijnen in Eisden en Waterschei vanaf de jaren twintig bracht nieuwe inwoners en werkgelegenheid naar de omgeving. De erfgoedinventaris beschrijft hoe Mechelen daardoor geleidelijk uitgroeide tot een mijnwerkersdorp. Die verandering voltrok zich niet overal tegelijk. Oudere woningen, tuinen en vertrouwde dorpsgewoonten bleven bestaan, terwijl handel en verkeer toenamen. De Steenweg lag midden in die ontwikkeling. Hier raakten het dagelijkse leven van de bewoners en de beweging van de grotere streek elkaar.

Een straat om bij stil te staan

Het aantrekkelijke van dit straatbeeld zit in de kleine dingen: het ritme van de vensters, de tuinmuurtjes, het ijzeren hekwerk en de bloempotten bij de doorgang. Ze geven de huizen een eigen gezicht. Achter iedere gevel lag een huishouden, een werkdag, een leven. Zo herinnert deze afbeelding ons aan een Steenweg die steeds belangrijker werd voor Mechelen-aan-de-Maas. Een weg waar handel zich vestigde en waar de veranderingen van de twintigste eeuw zichtbaar werden.

X




KOTEM - GEBOORTEHUIS MARIEKE ALBERTS IS AL MEER DAN 500 JAAR OUD (ARTIKEL JAREN 80)

Updated De stalen staven voor de ramen aan het huis van Nellie Pelssers verwijzen naar de tijd van de Bokkerijders. Een huis vol herinnering...