maandag 5 oktober 2026

OUD-REKEM (TOEN RECKHEIM) SINT PIETER GENDARMERIE EN MONUMENT

Ingekleurde versie (alle personen zijn verwijderd wegens te slechte kwaliteit bij het kleuren)

Updated zonder alle personen

Originele foto

Oud-Rekem, het vroegere Reckheim — herinneringen aan Sint-Pieter

Er zijn oude dorpsbeelden waarin meer bewaard bleef dan baksteen en kasseien. Deze opname van Sint-Pieter in Oud-Rekem toont zo’n plek. Links staan de gebouwen van de vroegere rijkswacht en het oude huis Delwaide. Rechts rijst het oorlogsmonument boven zijn voetstuk uit, geflankeerd door twee kanonnen. Achter de muur staan bomen die het geheel een besloten karakter geven. Een vertrouwd straatbeeld, maar tegelijk een plaats waar het verdriet van een gemeenschap een blijvende vorm kreeg. De naam Sint-Pieter voert ons nog verder terug. Hier lag de westelijke toegang tot het oude stadje Reckheim, bij het Paterskwartier. Dat stadsdeel werd afgesloten door de Bospoort, ook Maastrichterpoort genoemd. Vanaf omstreeks 1900 kregen de wegen rond de verdwenen poort de naam Sint-Pieter, naar de patroonheilige van Rekem. Zo bleef, ook nadat de poort verdween, de geschiedenis van deze toegang tot het stadje in de straatnaam voortleven. Bij het woord gendarmerie past een onderscheid tussen verschillende perioden. De rijkswachters verbleven vanaf 1904 met hun gezinnen in een voormalig hotel aan de huidige Herenstraat 18. Na de Tweede Wereldoorlog verhuisde de brigade naar nieuwe gebouwen op Sint-Pieter. Die kazerne, met woningen voor de rijkswachters en hun families, dateert uit de jaren vijftig. Het monument rechts werd op 20 augustus 1922 plechtig onthuld. Beeldhouwer Frans Huygelen ontwierp de bronzen soldaat; de Brusselse gieterij Verbeyst voerde het beeld uit. Met opgeheven vaandel en geweer staat de figuur op een natuurstenen sokkel. Onder het gedenkteken bevindt zich een grafkelder die al in 1919 werd aangelegd voor drie Rekemse oorlogsdoden. Het waren Kusters, Segers en Boutsen. Die combinatie van namen komt ook voor op een historische herdenkingsprentkaart, beschreven als een huldebetoon in Reckheim op 26 oktober 1919, met de vermelding van de grafkelder van de drie dapperen. Het monument was dus ook verbonden met mensen die de inwoners bij naam kenden: hun verlies behoorde tot de geschiedenis van Rekem zelf. De twee kanonnen geven de opname een bijzonder historisch belang. Het waren oorlogstrofeeën die bij het gedenkteken stonden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ze door Duitse soldaten meegenomen. Hun aanwezigheid wijst erop dat de oorspronkelijke opname vermoedelijk tussen de onthulling in 1922 en hun verwijdering tijdens de bezetting werd gemaakt. Later kreeg deze herdenkingsplek ook betekenis voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Bij het monument werden platen aangebracht voor onder meer gevallen leden van het Geheim Leger en slachtoffers van 10 mei 1940. Daarmee groeide het oorspronkelijke eerbetoon aan de oorlogsdoden van 1914–1918 uit tot een plaats van herinnering aan beide oorlogen.

Vandaag laat deze oude foto vooral voelen hoe dicht het dagelijkse leven en de herinnering aan de oorlog bij elkaar lagen. De kasseien liepen langs woningen en dienstgebouwen, maar ook langs een grafmonument. Mensen passeerden hier met hun boodschappen, op weg naar huis of naar hun werk, terwijl de namen van de doden aanwezig bleven. De kanonnen verdwenen en het straatbeeld veranderde. Toch bewaart de opname iets wat geen nieuwe bestrating kan terugbrengen: het oude Sint-Pieter, waar achter eenvoudige gevels werd geleefd en waar Rekem zijn oorlogsdoden een plaats gaf, midden in de gemeenschap.

X






BOORSEM - GRAANOOGST (KOREN BINNENHALEN)

Ingekleurde versie

Updated

Een paard voor een hooggeladen kar, korenschoven op het veld en enkele handen die samen het werk verzetten: deze foto uit Boorsem bewaart een stukje boerenleven dat uit het dagelijkse dorpsbeeld verdwenen is. Boven op de lading neemt een jongeman de schoven aan. Naast de kar staat een man klaar om verder te laden, terwijl bij het paard een andere helper wacht. Het is een eenvoudig tafereel, maar achter iedere schoof schuilt het werk van een heel seizoen. Het koren was gemaaid en in schoven gebonden, zoals dat vroeger gebruikelijk was. Die schoven werden op het veld rechtop bij elkaar gezet om verder te drogen. Pas daarna werden ze met paard en kar opgehaald en naar de boerderij gebracht. Het maaien, binden, rechtzetten en binnenhalen waren afzonderlijke stappen, waarvoor telkens opnieuw handen nodig waren. De traditionele graanoogst was dan ook werk dat men samen verrichtte. Op het Boorsemse beeld zien we dat binnenhalen volop gebeuren. De kar draagt al een flinke vracht. De schoven liggen hoog opgestapeld, met de ruwe halmen en aren naar buiten. Wie boven op zo’n lading werkte, moest zijn evenwicht bewaren en de bundels zorgvuldig neerleggen. Een kar laden vroeg ervaring: de oogst moest mee naar huis, maar onderweg ook blijven liggen. Voor ons heeft zo’n foto iets rustigs en vertrouwds. Voor de mensen op het veld was het een werkdag. Schoven moesten worden opgetild, doorgegeven en geschikt. Onder een hemd kleefde het stof aan de huid; droge halmen schuurden langs handen en onderarmen. Het paard stond tussen het werk door te wachten, met de kar achter zich. Men kan zich bij dit beeld het geritsel van het koren voorstellen, het kraken van het hout en de korte aanwijzingen tussen de helpers. Eenmaal thuis werden de gedroogde schoven in de schuur opgeslagen. Daarmee was de oogst binnen, maar de graankorrels zaten nog in de aren. Het eigenlijke dorsen moest dus nog gebeuren. In de oudere landbouwpraktijk was dat vaak winterwerk, wanneer de werkzaamheden op het land minder aandacht vroegen. Dan werden de schoven losgemaakt en op de dorsvloer uitgespreid. Met dorsvlegels sloeg men de korrels uit de aren. Zo’n vlegel bestond uit een lange houten steel en een korter, zwaarder slaghout, die beweeglijk met elkaar verbonden waren. Het lijkt eenvoudig, maar goed dorsen vroeg oefening. Wie met anderen werkte, moest een regelmatig ritme aanhouden. In de schuur klonk dan het herhaalde kloppen van hout op het uitgespreide koren: een wintergeluid dat bij het oude boerenbedrijf hoorde. De verandering kwam geleidelijk. Tussen de dorsvlegel en de moderne maaidorser lag nog de tijd van de afzonderlijke dorsmachine. Zo’n machine kon naar een boerderij worden gebracht, waar een ploeg de schoven aanvoerde en invoerde. Het dorsen ging sneller, maar er bleef veel werk nodig rond de machine. Historisch onderzoek beschrijft dorsploegen die van bedrijf naar bedrijf trokken om de opgeslagen oogst te verwerken. Later nam de maaidorser, ook pikdorser of combine genoemd, verschillende werkzaamheden in één keer over. Hij rijdt door het rijpe graan, maait de halmen en dorst meteen de korrels uit de aren. Daarmee verdween voor die oogst de noodzaak om eerst schoven te binden, op het veld te laten drogen en met paard en kar naar de schuur te brengen. De opkomst van zelfrijdende maaidorsers kreeg vanaf de jaren vijftig een sterke impuls. Wanneer een bepaalde Boorsemse boer precies overschakelde, kunnen we uit deze foto niet afleiden.

Dit mooie beeld uit een Boorsems veld behoort inmiddels tot de voltooid verleden tijd. De schoven, de hooggeladen kar en het geduldige paard verdwenen uit de gewone oogstdagen. Wat overblijft, is een foto die laat zien hoeveel mensenwerk er ooit nodig was om het koren veilig binnen te krijgen. En juist daarin ligt haar waarde. Ze bewaart geen grootse gebeurtenis, maar een dag uit het leven van mensen die het land bewerkten. Een dag waarop de schuur weer wat voller raakte en de inspanning van maanden eindelijk naar huis werd gebracht.

X








LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - CAFÉ HOTEL RESTAURANT BAIJOT TOURNEBRIDE 1927

Ingekleurde versie (alle mensen zijn verwijderd wegens te slechte kwaliteit bij het kleuren)

Updated

Aan Tournebride, langs de steenweg door Lanaken, stond Hotel Baijot: een etablissement dat in de plaatselijke herinnering een bijzondere naam heeft behouden. Oude postkaarten vermelden het als Café-Hôtel-Restaurant Baijot en verbinden het uitdrukkelijk met het buurtspoorwegstation van Tournebride. Ook de toen gebruikelijke schrijfwijze Lanaeken vinden we op die kaarten terug. Het hotel bevond zich daarmee op een plaats waar gastvrijheid en het dagelijkse verkeer elkaar ontmoetten.

De historische foto toont een verzorgd gebouw met sierlijke banden in het metselwerk, hoge vensters en een opvallende aanbouw met houten gevelwerk. De opschriften HOTEL, CAFÉ en RESTAURANT maakten duidelijk waarvoor bezoekers er terechtkonden. Voor de gevel stonden terrasstoelen en tafeltjes onder de bomen. Op de oorspronkelijke opname zitten en staan verschillende mensen voor het gebouw, terwijl fietsen tegen de gevel en bij de boom het straatbeeld vervolledigen. Het is een tastbare herinnering aan een tijd waarin een hotelterras ook een ontmoetingsplaats was.

Baijot gold als het meest gerenommeerde hotel van de gemeente, een pleisterplaats voor de welgestelde burgerij en bezoekers uit hogere kringen. Wanneer prins de Merode van het nabijgelegen Pietersheim jachtpartijen organiseerde, zouden zijn gasten hier hebben overnacht. Die overlevering geeft het hotel een bijzondere plaats in het sociale leven van Lanaken: het bood onderdak aan mensen die voor hun ontspanning en contacten naar de streek kwamen.

De verbinding tussen Hotel Baijot en de jacht wordt ook ondersteund door bewaard gebleven postkaarten. Er bestaat een kaart van het hotel met de aanduiding Rendez-vous de chasse à courre: een samenkomst voor een jacht met honden en ruiters. Dat vormt een concrete aanwijzing dat Baijot bij zulke bijeenkomsten een rol speelde. 

Het nabijgelegen Pietersheim vormde de historische achtergrond van die adellijke wereld. De familie de Merode was al eeuwen met het domein verbonden. Voor een verhaal rond 1927 is vooral een recentere gebeurtenis van belang: het kasteel was in 1920 volledig uitgebrand en was in 1926 gerestaureerd. In het jaar van deze foto plaatsen, was die herstelling dus nog maar pas voltooid. 

Voor de deur van Baijot lag de steenweg, die Lanaken met de omliggende plaatsen verbond. De fietsen op de oorspronkelijke foto laten zien hoe bezoekers zich verplaatsten. Daarnaast bracht de buurttram reizigers naar Tournebride. Voor wie onderweg was, bood Baijot de mogelijkheid om iets te drinken, te eten of een kamer te nemen. 

Tournebride maakte deel uit van de tramverbinding tussen Maastricht en Maaseik. 

Zo brengt het beeld van Baijot verschillende kanten van het vroegere Lanaken samen. Achter de ramen lag de wereld van hotelkamers en restaurantbezoek; op het terras vonden ontmoetingen plaats; langs de steenweg kwamen reizigers voorbij. In de nabijheid lag Pietersheim, met zijn kasteelgeschiedenis en jachttraditie. Het gebouw stond midden in die wisselwerking tussen het plaatselijke leven en bezoekers van buiten de gemeente.

Later moest Hotel Baijot verdwijnen voor de verbreding van de rijksweg. Het hotel was gelegen tegenover de busstelplaats. Daarmee verdween een herkenningspunt dat op oude postkaarten nog altijd zijn vroegere uitstraling bewaart. 

X












LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - CAFÉ HOTEL RESTAURANT BAIJOT TOURNEBRIDE 1927

Ingekleurde versie

Updated

Voor de bakstenen gevel van Baijot heeft het dagelijkse leven even stilgestaan. Mannen zitten met hun glas aan kleine tafeltjes, vrouwen en kinderen kijken naar de fotograaf en in de deuropening staan enkele mensen dicht bij elkaar. Links staat een fiets. Boven de ramen vertellen de opschriften waarvoor men hier terechtkon: hotel, café en restaurant. Het is een opname die de gezelligheid van een uitspanning langs een drukke verkeersroute tastbaar maakt. De naam Baijot is ook op oude postkaarten terug te vinden. Het Café-Hôtel-Restaurant Baijot was dichtbij het buurttramstation van Tournebride gelegen. De combinatie van café, hotel en restaurant paste goed bij deze ligging. Wie onderweg was, kon er iets drinken, een maaltijd gebruiken of overnachten. De tafeltjes en stoelen op de foto tonen bovendien dat het leven zich bij geschikt weer tot buiten uitstrekte. Hun aanwezigheid geeft de gevel wel iets menselijks: achter de naam Baijot ging een plaats schuil waar mensen elkaar ontmoetten.

Tournebride: een naam uit de tijd van paarden en postkoetsen

Tournebride lag aan een belangrijke verbinding door het Maasland. De naam wordt doorgaans uitgelegd als het omdraaien van de teugels. Daarbij wordt vaak verteld dat hier de paarden van een paardentram werden omgespannen. Spoorhistorisch onderzoek in Op de Rails spreekt dat tegen: in Tournebride heeft geen paardentram gereden. De naam bestond al in de achttiende eeuw en wordt daar verbonden met de postkoetsroute van Tongeren naar Maaseik via Maastricht. De tram die later kwam, was een stoomtram. Zo droeg Tournebride in 1927 nog een herinnering aan een oudere manier van reizen. Waar vroeger paarden en koetsen het vervoer bepaalden, kregen reizigers later aansluiting op het buurtspoornet.

De steenweg: de verbinding met de buitenwereld

De weg Maastricht–Maaseik werd in 1812–1813 aangelegd. Deze steenweg ontsloot onder meer Neerharen en Smeermaas en werd een belangrijke verkeersas voor de omgeving van Tournebride. Langs die verbinding ontstonden nieuwe concentraties van bebouwing. Een horecazaak bij de weg en het tramstation bevond zich daardoor op een gunstige plaats voor reizigers en bezoekers. Bij een voorstelling van de steenweg in 1927 moeten we denken aan gemengd verkeer: voetgangers, fietsen, paard en kar en het toenemende gemotoriseerde vervoer. De straat vóór het café had nog een ruwe ondergrond.

En langs die verkeersas passeerde de tram

In 1927 behoorde de buurttram al bijna dertig jaar tot de omgeving van Tournebride. De lijn Tongeren–Lanaken opende op 15 mei 1897. Op 7 januari 1898 kwam de verbinding met Tournebride tot stand, met aansluiting op de route naar Maastricht. Tournebride groeide uit tot een knooppunt met een tramstelplaats. Hier kwamen de verbindingen richting Tongeren en richting Maastricht en Maaseik samen. De tram hoorde dus bij het leven rond Baijot. 

Lanaken in 1927: een dorp in verandering

Lanaken had tot het begin van de twintigste eeuw een overwegend landelijk karakter. Industrie en nieuwe werkgelegenheid veranderden dat geleidelijk. Ook de opening van de nabijgelegen steenkoolmijn van Eisden droeg bij aan de groei van de tewerkstelling en de bevolking. In 1927 leefden het oude dorpsleven en de nieuwe industriële wereld daardoor steeds sterker naast elkaar. De grote kanaalwerken die het landschap later grondig zouden wijzigen, moesten nog beginnen. De aanleg van het Albertkanaal dateert van 1929–1939; het verbindingskanaal Briegden–Neerharen volgde in de jaren dertig. Het Tournebride van deze opname behoorde dus nog tot het landschap van vóór die ingrepen. Juist daarom is deze foto zo waardevol. Zij bewaart een ogenblik waarop de geschiedenis zichtbaar wordt in gewone dingen: een fiets tegen het terras, een glas op tafel, nette kleding, een kind tussen de volwassenen en een open deur waarachter het caféleven verderging. Baijot staat hier als een herkenbaar rustpunt langs de steenweg, in een Lanaken dat steeds meer met de omliggende dorpen en steden verbonden raakte.

X




zaterdag 3 oktober 2026

DE OUDE VUCHTERBRUG - SCHILDERIJ VAN CHRISTOFFEL HENDRIK DIJKMAN (1879-1954)

Updated

Een lage brug over het water, een bakstenen huis tussen de bomen en een bootje langs de oever: dit schilderij bewaart de sfeer van een verdwenen stukje Maasland. De geelbruine boomkruinen en hun weerspiegelingen geven het tafereel een rustige herfststemming. De brug vormt het middelpunt, als verbinding tussen twee oevers waar het dagelijkse leven zich langs de vaart afspeelde. Het werk is een schilderij van de voormalige draaibrug in Vucht, gemaakt door Christoffel Hendrik Dijkman.  De Zuid-Willemsvaart veranderde het landschap en de vervoersmogelijkheden van het Maasland ingrijpend. De aanleg begon in 1822, onder koning Willem I; in 1826 werden de hogere kanaalgedeelten feestelijk geopend. De waterweg verbond Maastricht met ’s-Hertogenbosch en bood een belangrijke route voor goederenvervoer. In de jaren twintig van de twintigste eeuw werden onder meer kolen, grind en zand over het kanaal vervoerd.  Waar landwegen de vaart kruisten, waren bruggen nodig. Bij een draaibrug draaide het beweegbare brugdeel horizontaal opzij om schepen door te laten. Zo kwamen het verkeer over land en de scheepvaart op één plaats samen.  Dijkman werd op 29 december 1879 geboren in Sint-Maartensdijk, op het Zeeuwse eiland Tholen. Volgens de regionale publicatie trok hij in 1925 naar de Maasvallei, verbleef hij enige tijd in Vucht en kreeg hij bij de verkoop van zijn schilderijen hulp van Bert Gorissen. Hij gebruikte ook de naam Henk Dijkman. Later werkte hij in Maastricht en omgeving, waar hij tot zijn overlijden op 11 december 1954 historische plekken vastlegde.  Het kanaallandschap bleef ondertussen veranderen. Tijdens het interbellum werd de Zuid-Willemsvaart verbreed en werden op verschillende plaatsen bochten rechtgetrokken. Oude kanaalarmen en nieuwe brugconstructies getuigen vandaag nog van die aanpassingen. Juist daarin ligt de waarde van dit werk: het bewaart een gezicht op de vaart dat in het huidige landschap moeilijk terug te vinden is. Dijkman liet ons een schilderachtige herinnering na aan water, baksteen, bomen en een bescheiden brug — herkenbare elementen van het vroegere Maasland.

X

EISDEN-DORP (TOEN EYSDEN) / INGANG VAN HET DORP 1918

Ingekleurde versie

Updated

Aan de Zuid-Willemsvaart lag een toegang tot het oude Eisden die voor generaties dorpsbewoners een vertrouwd gezicht moet zijn geweest. Het water op de voorgrond, de huizen aan de overkant en de straat die tussen de gevels het dorp binnenloopt: samen vormen ze een herinnering aan een Maaslands dorp waarvan het leven nauw verbonden was met het kanaal. De waterweg had het landschap ingrijpend veranderd. De Zuid-Willemsvaart werd in de jaren 1820 aangelegd en vormde de westelijke begrenzing van het oude dorpscentrum. Aan de overzijde lagen de uitgestrekte heidegronden, waar later de mijngebouwen en de mijnwerkerswijk zouden verrijzen. Het kanaal bracht zo een duidelijke scheiding tussen het oude Eisden en het gebied waar de nieuwe industriële wereld gestalte kreeg.  Bij het uiteinde van de vroegere Dorpstraat, de latere Langstraat, lag het Boseind. In de plaatselijke geschiedenis wordt die omgeving beschreven als de buurt bij de draaibrug. Sinds de aanleg van een brug in 1875 sprak men er ook van wonen “aan de brök”. Langs het kanaal vonden schippers onderdak in logementen en cafés. De families Ramakers, Dexters en Dedroog worden genoemd bij die bedrijvigheid. Ook de kiezelwinning aan de andere oever bood werk: de Eisdense kiezel was geschikt voor wegen en kanaaldijken.  In het gerestaureerde beeld trekt vooral de horecagevel de aandacht, met de woorden CAFÉ, RESTAURANT en BIÈRES ARTOIS. Zo’n gevel maakt zichtbaar dat een dorpsingang ook een plaats van ontmoeting en handel kon zijn. Wanneer we de opgegeven datering 1918 volgen, plaatsen we het tafereel aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Tegelijk stond Eisden aan de vooravond van een grote verandering. De mijnmaatschappij was al in 1907 opgericht; de daadwerkelijke steenkoolwinning kwam pas in de vroege jaren 1920 op gang. De groei van de mijn en de cité zou het karakter en de omvang van Eisden sterk veranderen, met nieuwe woningen, handelszaken en horecagelegenheden ten westen van het kanaal.  Deze dorpsingang bewaart vooral het beeld van een overgang: tussen water en straat, tussen het oude Maaslandse dorpsleven en de mijnwereld die zich verder zou ontwikkelen. De bakstenen gevels en het kanaal vertellen samen hoe wonen, werken en reizen hier dicht bij elkaar lagen.

X





vrijdag 2 oktober 2026

OUD-REKEM (TOEN RECKHEIM) SINT-PIETER

Ingekleurde versie

Updated

OUD-REKEM — DE GRAANHANDEL VAN DANIEL DELWAIDE OP SINT-PIETER

Een paard voor een houten kar, een kip tussen de kasseien en een brede bakstenen gevel: deze oude opname bewaart een stukje van het dagelijkse leven in toendertijd Reckheim. Hier was de graanhandel van Daniel Delwaide gevestigd. De grote toegangspoort en het ruime gebouw geven het straatbeeld een uitgesproken bedrijvig karakter, al ligt alles op het ogenblik van de opname rustig.

Het paard en de kar herinneren aan de tijd waarin vervoer nog sterk op dierlijke trekkracht steunde. Wat er precies met deze kar werd vervoerd, vertelt de foto niet. Toch past het tafereel mooi bij de vermelde graanhandel: een onderneming die verbonden was met het landbouwleven van het dorp en zijn omgeving. De onregelmatige kasseien, de begroeiing langs de gevel en het kleine dier op straat maken de opname bijzonder herkenbaar. Het zijn eenvoudige details die een verdwenen dorpswereld dichtbij brengen.

De plaatsnaam Sint-Pieter heeft eveneens een lokale geschiedenis. Vanaf 1900 de wegen rond de verdwenen Bospoort, ook Maastrichterpoort genoemd, zo aangeduid, naar de patroonheilige van Rekem. Daarmee situeert deze foto zich in een omgeving waar het oude stratenpatroon en het dagelijkse dorpsleven samenkwamen.

Links, net buiten het beeld, lag café Wallon. Die naam duikt ook op in de geschiedenis van het Rekemse voetbal. De plaatselijke ploeg De Walratten had er haar clublokaal. De vereniging bestond rond de oprichting van AA Rekem in 1927 en speelde op een weide aan de Groenstraat. Café Wallon was dus ook verbonden met het verenigingsleven van Oud-Rekem.

De graanhandel werd later omgebouwd tot Rijkswachtkazerne. Daarmee kreeg het pand een heel andere bestemming: een plaats van handel werd een onderkomen voor de ordehandhaving. De precieze datum van die verandering is onbekend. 

Zo bewaart deze opname meer dan een oude gevel. Ze herinnert aan de graanhandel van Daniel Delwaide, aan het nabijgelegen café Wallon en aan een straat waar werk, vervoer en dorpsleven elkaar ontmoetten. Het paard wacht voor de kar, de kip scharrelt over de stenen en het gebouw staat er nog in zijn vroegere gedaante — een bescheiden maar waardevolle getuige van het oude Rekem.

X




woensdag 30 september 2026

MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) ZICHT OP HEILIG-HARTCOLLEGE

Updated

Deze luchtfoto toont het Heilig-Hartcollege vanuit een bijzonder gezichtspunt. De indrukwekkende schoolgebouwen, de centrale kapel en de uitgestrekte speelplaats bepalen het beeld. Daaromheen herkennen we woningen, tuinen, bomenrijen en open percelen. Het is een zicht op Mechelen-aan-de-Maas waarin onderwijs en dorpsleven dicht bij elkaar lagen, maar waarin ook nog veel onbebouwde plaatsen aanwezig waren. Het college aan de Rijksweg droeg oorspronkelijk de naam “Gesticht van het H. Hart”. Een gevelsteen vermeldt het bouwjaar 1914, onder het episcopaat van bisschop Rutten. De bakstenen gevels, natuurstenen afwerking, hoge dakpartijen en talrijke vensters geven het complex zijn statige uitstraling. De architectuur verenigt verschillende historische stijlinvloeden, wat als eclecticisme wordt omschreven. Het gebouwencomplex kwam in verschillende fasen tot stand. Volgens het beschermingsdossier dateren het hoofdgebouw en de zuidelijke vleugel, bestemd voor college en normaalschool, uit 1912–1916. De technische school volgde in 1922–1924. De centrale koepelkapel werd gebouwd in 1934–1936. Architect Verlinden uit Luik tekende de ontwerpen; voor de hoofdvleugel vermeldt het dossier een inspiratie op het Rijksmuseum in Amsterdam. Op de foto trekt de kapel onmiddellijk de aandacht. Haar hoge centrale dak, roosvenster en aansluitende bouwdelen vormen het hart van het schoolcomplex. Rechts strekt zich de grote speelplaats uit. De verspreide leerlingen lijken vanuit de lucht kleine stippen, maar maken duidelijk hoe ruim het terrein was. Midden op die open plaats staat een afzonderlijk schoolgebouw. Bijzonder opvallend zijn de vele onbebouwde gronden rondom het college. Tussen en achter de huizen liggen nog tuinen, graslanden en percelen met een herkenbare indeling in kleinere teeltvakken. De bebouwing vormt geen aaneengesloten geheel: op verschillende plaatsen blijft het landschap zichtbaar tussen de woningen. Dat geeft deze opname haar open, haast landelijke karakter. Niet iedere onbebouwde plek was daarom ongebruikt. Op de foto zijn gronden te herkennen die als tuin of teeltgrond waren ingericht. Andere stukken ogen als grasland. Zonder bijkomende kaarten of gegevens kunnen we hun toenmalige bestemming niet overal met zekerheid vaststellen, maar de aanwezige open ruimte spreekt voor zichzelf. Zo bewaart deze luchtfoto meer dan alleen het uitzicht op een school. Ze toont ook een stukje Mechelen-aan-de-Maas waarin een groot onderwijscomplex omringd werd door huizen én veel groen en onbebouwde grond. Voor wie er schoolliep of in de omgeving woonde, kan dit beeld herinneringen oproepen aan de speelplaats, de vertrouwde gevels en de straten rond het college.

X



MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) RIJKSWEG ( TOEN STEENWEG) 1933

Ingekleurde versie

Updated (op deze foto zijn de personen weggelaten wegens te slechte kwaliteit)

Originele foto

Wie deze afbeelding bekijkt, blijft vanzelf even staan bij de bakstenen gevels, de luiken en het sierlijke balkon. Boven de winkelpui lezen we ‘In den Gouden Anker’. Rechts staat een automobiel, terwijl bomen en voortuintjes het straatbeeld verzachten. Het is een beeld dat ons terugvoert naar Mechelen-aan-de-Maas, naar de weg die hier als de Steenweg bekendstond: de huidige Rijksweg.

Die weg had het dorp ingrijpend veranderd. De verbinding Maastricht–Maaseik werd in de eerste helft van de negentiende eeuw aangelegd. De bebouwing langs de weg kwam vooral vanaf het einde van die eeuw en tijdens de twintigste eeuw tot ontwikkeling. Winkels en horecazaken maakten van de verkeersweg geleidelijk ook een plaats waar mensen hun boodschappen deden en elkaar ontmoetten.

Een winkelgevel als herkenningspunt

Op de afgebeelde gevel neemt de naam ‘In den Gouden Anker’ een opvallende plaats in. Onder het opschrift trekt de etalage de aandacht. Zo’n winkelpui geeft de straat een ander karakter dan een rij woonhuizen alleen.

Het dorp groeide mee met de mijnstreek

Rond 1933 bevond Mechelen-aan-de-Maas zich in een periode van verandering. Het vroegere landbouwdorp kreeg steeds sterker de invloed van de mijnindustrie te voelen. De ontwikkeling van de mijnen in Eisden en Waterschei vanaf de jaren twintig bracht nieuwe inwoners en werkgelegenheid naar de omgeving. De erfgoedinventaris beschrijft hoe Mechelen daardoor geleidelijk uitgroeide tot een mijnwerkersdorp. Die verandering voltrok zich niet overal tegelijk. Oudere woningen, tuinen en vertrouwde dorpsgewoonten bleven bestaan, terwijl handel en verkeer toenamen. De Steenweg lag midden in die ontwikkeling. Hier raakten het dagelijkse leven van de bewoners en de beweging van de grotere streek elkaar.

Een straat om bij stil te staan

Het aantrekkelijke van dit straatbeeld zit in de kleine dingen: het ritme van de vensters, de tuinmuurtjes, het ijzeren hekwerk en de bloempotten bij de doorgang. Ze geven de huizen een eigen gezicht. Achter iedere gevel lag een huishouden, een werkdag, een leven. Zo herinnert deze afbeelding ons aan een Steenweg die steeds belangrijker werd voor Mechelen-aan-de-Maas. Een weg waar handel zich vestigde en waar de veranderingen van de twintigste eeuw zichtbaar werden.

X




dinsdag 29 september 2026

GENK (TOEN GENCK) - "KOSENHUISJE" EN VILLA "BRETHEIDE" (ARTIKEL 1972)

Upscaled

Deze foto werd gemaakt vanaf de Henri Decleenestraat, vóór 1903. Op de voorgrond bemerkt men het "Kosenhuisje"; 1834 stond er in de balk. Op de berg staat de villa "Bretheide". De "Koos" met haar man (Thijs Smits-Vancosen), zijn gaan wonen aan de Verloren Kostweg in 1881. Zij woonden er nog in 1901 waarna het huisje onbewoond bleef tot in 1919, toen er een vluchtelingenfamilie uit "de Vlaanders", de familie Seynaeve, er haar intrek nam en er bleef tot 1930. Van toen af bleef het hutje onbewoond doch het werd door het Gemeentebestuur en de C.O.O. steeds in goede staat onderhouden. Op de berg staat nu, ten huidigen dage, nog de Villa "Bretheide". Deze villa werd gebouwd door de juffrouwen Vent. Zij kwamen te Genk toe op 7 juli 1905. Hun vader was hofgeestelijke te Brussel. Koning Albert en zijn moeder, prinses Maria van Hohenzollern-Sigmaringen (stierf in 1912), zouden er meermaals verbleven hebben.

Upscaled

Het "Kosenhuisje" werd als een herinnering aan het oude Genk in ere gehouden. Toch kon het met moeite de vooruitgang en de hoogbouw van zich afhouden. Enkele tientallen meters van de voordeur raasden de wagens over de vier vakken brede Europalaan en door de nog kale bomen zag men de zevenentachtig meter lange zuidergevel van de geriatrie, die bij het St.-Jansziekenhuis opgericht werd. Door het oprichten van de geriatrie lag de villa "Bretheide" als een kleinood gevat in een gordel van hoogbouw. De villa was op het moment van dit artikel in 1972 erg verwaarloosd. Anno 2025 zijn het "Kosenhuisje" en villa "Bretheide" voorgoed verdwenen, alsook de geriatrie op de achtergrond.

 Het Kosenhuisje stond bij de Molenvijver, en het werd ook wel het 'huisje van de Koos' genoemd. Het was een geliefd onderwerp voor kunstenaars en het huisje stond in de buurt van de Kapelaanswijer, waar het zich in het water spiegelde.

X

DE VERDWENEN BANMOLEN VAN LANAEKEN (LANAKEN)

Updated (de originele postkaart was zeer onduidelijk, vooral op de achtergrond boven de huisjes en voor de kerk. Er kunnen dus kleine afwijkingen zijn aan de historische juistheid aan de kerk).

De kerk rijst op boven de huizen, terwijl de weg in een bocht door het dorp loopt. Links vooraan staat een laag gebouw dat je gemakkelijk voorbij zou kijken. Daar was de banmolen van de heren van Pietersheim (deze molen staat net buiten de foto aan de zijkant van het  huis). Bij die molen hoorde meer dan het gebouw alleen. Aan de overkant lag een grote spaarvijver, gevoed door de Molenbeek. Het water werd er verzameld om de molen te laten draaien. Waar een voorbijganger een vijver zag, zag de molenaar de kracht die nodig was om graan te malen. Het woord banmolen voert ons terug naar de tijd van de heerlijkheid Pietersheim. Zo’n molen was verbonden aan de rechten van de heer. Voor de mensen uit de omgeving was het tegelijk een heel praktische plaats: het graan van het veld moest er worden gemalen voordat er brood van kon worden gebakken. De molen hoorde dus niet alleen bij het bezit van een adellijke familie, maar ook bij het dagelijkse leven van het dorp.  Het molenbedrijf werd na 1750 uitgebaat door: Devue, Paulussen, Carbotte, Nijsthoven en Pepels. Achter die opsomming schuilen opeenvolgende generaties molenaars. Hoe lang elke familie er werkte en in welke volgorde zij elkaar precies opvolgden is niet bekend. De prent toont een stil ogenblik. We zien de gevels, de bomen en de kerktoren; we horen het stromende water of het werk in de molen niet. De vijver aan de overzijde is buiten beeld gebleven, maar hoorde bij dezelfde plek. De molen links vooraan die eveneens buiten beeld is was een onderdeel van het landschap én van de voedselvoorziening van Lanaken. De molen werd na 1940 afgebroken en de vijver gedempt. Er is geen precieze sloopdatum of reden voor de afbraak. Wat op de prentkaart nog een herkenbare plaats was, verdween zo uit het straatbeeld. De kerk bleef als herkenningspunt boven de huizen uitsteken; de molen en zijn water verdwenen. Juist daarom is deze foto waardevol. Ze bewaart het uitzicht op een plek die later ingrijpend veranderde. Wie vandaag naar de oude kaart kijkt, ziet links niet zomaar een huis langs de weg, maar de herinnering aan graan, water en de molenaarsfamilies die hier hun werk deden.

X

maandag 28 september 2026

DE ZOO VAN ZWARTBERG - EEN DIERENTUIN OP DE GROND VAN DE MIJN











































Voor vele Limburgse gezinnen was de Zoo van Zwartberg ooit een vaste uitstap. Je trok erheen met de kinderen, wandelde van verblijf naar verblijf en bleef soms langer staan dan gepland wanneer een dier zich eindelijk liet zien. Thuis werd nog verteld over de leeuwen, de olifanten of een ontmoeting van heel dichtbij. Wie vandaag een oude foto van zo’n bezoek terugvindt, ziet vaak meer dan een dierentuin: een stukje van zijn eigen jeugd. De geschiedenis van die plek begint echter onder de grond. Zwartberg was een mijnwijk. Vanaf 1925 werd er steenkool bovengehaald en tientallen jaren lang bepaalde de mijn het leven van vele gezinnen. Toen de mijn in 1966 sloot, liet ze een terrein en een directeursvilla achter. De familie Wauters kocht de voormalige woning in 1967, met het plan er een dierentuin op te richten. Zo kreeg een plaats die verbonden was met het zware werk van de mijn een onverwachte nieuwe bestemming.

TWEE LEEUWEN OP HET STADHUIS

De officiële start was allesbehalve alledaags. Op 17 mei 1970 werd Marcel Wauters, vergezeld van twee leeuwen, op het stadhuis van Genk ontvangen voor de ondertekening van de oprichtingsakte. Kort daarna kon het publiek kennismaken met de Limburgse Zoo. Alleen al dat beeld — een man die met twee leeuwen naar het stadhuis trekt — vertelt iets over het eigenzinnige karakter van de onderneming. Het was een privéproject van de familie Wauters. Dieren kwamen er via schenkingen, maar ook uit circussen en dierentuinen die ermee ophielden. Volgens de geschiedenis van LABIOMISTA werden daarbij oude en soms mishandelde dieren opgevangen. Door die opvang en door het fokken van dieren bleef de collectie groeien. Er ontstond een zoo met een grote verscheidenheid aan soorten en een aanpak die bezoekers zich jaren later nog zouden herinneren. Sommige dieren liepen er zelfs vrij rond. Voor een kind was Zwartberg een wereld op zichzelf. De ingang voorbij, het gewone leven even achter je laten en dan maar kijken waar het volgende pad naartoe leidde. Velen herinneren zich ook restaurant Safari en Bongo, een geliefd dier uit de zoo. Dat zulke namen nog altijd opduiken in verhalen over Zwartberg, toont hoe sterk de plek in het geheugen van bezoekers is blijven zitten. Het Belang van Limburg wijdde er later een podcastaflevering aan, gebaseerd op herinneringen en gesprekken met mensen die de zoo van nabij kenden. De zoo groeide uit tot een grote trekpleister. TV Limburg spreekt over meer dan 300.000 bezoekers per jaar. Er kwamen gezinnen uit Genk en de rest van Limburg, maar ook van verder weg. Voor sommigen was het hun eerste ontmoeting met dieren die ze voordien alleen op een prent hadden gezien. Voor anderen hoorde de zoo gewoon bij het ritme van de jeugd: een schooluitstap, een zondag met de familie, een foto die later in een album verdween.

ACHTER DE HERINNERINGEN

Toch had de Zoo van Zwartberg ook een andere kant. Een grote en steeds veranderende verzameling dieren verzorgen vroeg ruimte, personeel en geld. Volgens LABIOMISTA ontving de privézoo geen subsidies. Intussen werden de eisen voor de huisvesting en het welzijn van dieren strenger. Wat de zoo bijzonder maakte — haar grote aantal dieren en eigenzinnige werking — werd daardoor steeds moeilijker vol te houden. Er gebeurden bovendien pijnlijke dingen. In 1976 kwam een dierenverzorger om het leven in de berenkuil. In 1987 ontsnapten bavianen, die volgens de latere reconstructie van Het Belang van Limburg wekenlang voor opschudding zorgden in Genk. Zulke gebeurtenissen behoren evenzeer tot de geschiedenis van de zoo als de familiefoto’s en de mooie uitstappen. In de jaren negentig werd de kritiek op de omstandigheden waarin sommige dieren leefden steeds luider. Een BBC-reportage uit 1994 bracht de toestand van de zoo internationaal onder de aandacht. Dierenrechtenorganisaties protesteerden, terwijl de financiële problemen bleven wegen. Veel bezoekers hielden warme herinneringen aan Zwartberg over; tegelijk waren er ernstige vragen over het welzijn van de dieren. Beide verhalen mogen verteld worden.

HET EINDE VAN EEN TIJDPERK

De sluiting voltrok zich dus rond 1997–1998;  In 1999 kocht de stad Genk de terreinen van de voormalige mijn en zoo. De directeursvilla bleef bewaard en werd in 2005 als monument beschermd. In 2009 opende de buurt het bewegwijzerde ZWAZOOpad, een naam die het verleden van de plek levend hield. Sinds 2019 heeft het terrein met LABIOMISTA opnieuw een bestemming. Op dezelfde grond volgen zo drie hoofdstukken elkaar op: eerst de mijn, daarna de zoo en nu een plek voor kunst, natuur en ontmoeting. Wie er vroeger kwam, zal bij de naam Zoo van Zwartberg misschien meteen weer een bepaald beeld voor zich zien: de ingang, een dier achter het hek, de hand van een ouder of grootouder tijdens de wandeling. De zoo zelf is verdwenen. Maar zolang die foto’s en verhalen worden gedeeld, blijft ook dit hoofdstuk van Zwartberg bestaan.

OUD-REKEM (TOEN RECKHEIM) SINT PIETER GENDARMERIE EN MONUMENT

Ingekleurde versie (alle personen zijn verwijderd wegens te slechte kwaliteit bij het kleuren) Updated zonder alle personen Originele foto O...