woensdag 4 november 2026

LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - HET DORP ROND DE KERKTOREN

Ingekleurde versie

Updated

Sommige oude foto’s laten ons even stilstaan bij een dorp dat we vandaag nog bij naam kennen, maar nauwelijks meer in dit beeld herkennen. Op deze panoramafoto van Lanaken (toen Lanaeken) kijken we vanaf de kerktoren in de richting van de Dorpstraat. Onder ons liggen de daken van het oude dorpscentrum, dicht bij elkaar, met daartussen tuinen, bomen en kleine open ruimten. Het is een bijzonder gezichtspunt. Vanaf de straat zag men de gevels, de deuren en de ramen. Hier kijken we over de huizen heen. We zien hoe de bebouwing zich langs de weg schikte en hoeveel groen er tussen en achter de woningen aanwezig was. Het dorp lijkt vanuit deze hoogte bijna verscholen te liggen tussen zijn bomen. De straat trekt onze blik het beeld in. Ze loopt tussen de huizen door en verdwijnt verderop achter de bebouwing en het gebladerte. Op de voorgrond zijn enkele kleine figuren te onderscheiden. Ze vallen nauwelijks op in het geheel, maar geven het panorama iets menselijks. Beneden ging het dagelijkse leven verder, terwijl boven op de kerktoren dit ogenblik werd vastgelegd. Vooraan nemen de hellende daken een groot deel van de foto in. Hun dakvlakken, schoorstenen en nokken vormen samen een onregelmatig patroon. Geen strakke rij gelijkvormige woningen, maar huizen die elk hun eigen plaats in het straatbeeld innemen. Verderop staan lage gevels langs de weg, terwijl een hoger gebouw boven zijn omgeving uitkomt. Bijzonder zijn ook de eenvoudige zijgevels, met slechts enkele kleine vensters. Vanuit deze hoogte krijgen zulke gewone bouwdetails plots aandacht. Het zijn precies die elementen die een oude dorpsfoto zo waardevol maken: niet alleen de opvallende gebouwen, maar ook de bescheiden huizen en de ruimten ertussen vertellen hoe een plaats er vroeger uitzag. Achter de woningen ontdekken we stukjes grond, omheiningen en bijgebouwen. De foto toont daardoor meer dan een straat alleen. Ze geeft een inkijk in de achterkant van het dorp, in de kleine wereld die vanaf de openbare weg grotendeels verborgen bleef. Aandacht voor de verspreiding van de bewoning. Die concentreerde zich rondom de kerk en op de Heuvel. Meer naar de Heide was er praktisch geen bebouwing. Dat maakt dit panorama ook tot een beeld van de toenmalige verhoudingen. Het dorp had nog een duidelijk herkenbare kern, met daarbuiten veel open ruimte. De huizen stonden niet overal verspreid over het landschap. Ze zochten elkaar op rond de vertrouwde plekken van de dorpsgemeenschap. De kerktoren, vanwaar de opname werd gemaakt, biedt ons daar letterlijk een overzicht van. Vanaf die hoge plaats wordt zichtbaar wat men beneden slechts straat voor straat kon ervaren: hoe dicht de woningen bij elkaar stonden, waar de bomen ruimte kregen en waar de bebouwing overging in het verdere landschap. Er lijkt op deze foto niets uitzonderlijks te gebeuren. Geen optocht, geen feestelijke inhuldiging, geen menigte die voor de fotograaf poseert. Juist daarin schuilt haar aantrekkingskracht. Dit is een dorpsgezicht dat voor de bewoners wellicht heel gewoon was. De weg tussen de huizen, de daken achter de kerk, de bomen die boven de tuinen uitstaken: het hoorde allemaal bij hun vertrouwde omgeving. Voor ons zijn het details geworden om aandachtig te bekijken. We laten onze ogen langs de gevels gaan, volgen de bocht van de straat en proberen achter de voorste daken nog een volgend huis te ontdekken. Wat voor de mensen van toen vanzelfsprekend was, vraagt vandaag om opnieuw gezien te worden.

Deze foto bewaart het oude Lanaken in één ruim beeld: de woningen rond de kerk, de bebouwing op de Heuvel en de ruimte verder naar de Heide. Een verzameling daken en bomen, gezien vanaf de kerktoren, maar tegelijk een klein stukje dorpsleven dat aan de vergetelheid is ontsnapt.

X




EISDEN

Ingekleurde versie

Updated

X



MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) STEENWEG (NU RIJKSWEG) RICHTING MAASEIK (JAREN 60)

Ingekleurde versie

Updated

X



LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - ST. ANNA KLINIEK 1911

Ingekleurde versie

Updated

Hoe het allemaal begon...

In 1887 kwamen de ‘Kleine Zusters van de Heilige Jozef’, gesticht door de
toenmalige kapelaan van Heerlen, Petrus Joseph Savelberg, naar Lanaken.
Zij klopten aan bij de pastoor en de burgemeester met de vraag of zij in de
gemeente op bedeltocht mochten gaan. Zowel pastoor Maes als burgemeester
Caritat vonden dit een schitterend idee en legden ook al snel contact met Mgr.
Savelberg, stichter van de congregatie.

 

Bijstand aan armen

Drie zusters werden overgeplaatst naar Lanaken. Hun taak bestond erin arme
zieken te helpen in het huishouden. Een eigen woning hadden de zusters niet,
maar ze vonden onderdak bij Mevr. Breul de Caritat.
Toen graaf en gravin Werner de Merode – Trelon een stuk grond aan de zusters
schonken, ontstond het plan om een klooster te bouwen. Ook van mejuffrouw
Anna Reidi de Montaigne hadden de zusters een mild bedrag gekregen.
Vandaar de naam het ‘Sint Annagesticht’.

 'Helpen waar niemand helpt'

Onder deze leuze van de stichter gingen de zusters zich -
gratis en met veel toewijding - steeds meer toeleggen op verzorging
en verpleging van hulpbehoevenden.
In 1888 was het klooster klaar en kwamen de eerste patiënten
over de vloer: voornamelijk mensen met epilepsie, maar ook hulpbehoevende bejaarden. 'De Kleine Zusters van de Heilige Jozef’ zetten zich met hart en ziel in voor hun veelzijdige taak: bejaardenhulp,
thuisverzorging, sociaal dienstbetoon en stervensbegeleiding.
In 1903 werd, onder leiding van Dr. Lejeune, begonnen met de uitbouw
van een kliniek. Later werd deze klinische taak echter afgebouwd en gingen
de zusters zich nog meer toespitsen op ouderenzorg en opvang van bejaarden.

 Een nieuwe toekomst

IIn 1968 en 1971 werd het klooster tijdelijk gerenoveerd, maar door de enorme renovatiekosten moest het gebouw toch worden gesloopt.  In 1977 waren de plannen klaar voor een nieuw rusthuis waarin de zusters hun intrek namen in 1985.
De vzw ‘De kleine zusters van de Heilige Jozef’ richtte in 1973 een nieuwe vzw op om het rust- en verzorgingstehuis uit te baten:
vzw Huize Sint-Anna. Met de jaren groeide het rusthuis uit tot een woon- en zorgcentrum met mogelijkheid tot kortverblijf en dagopvang.
 

Vernieuwing in het hartje van Lanaken

Eind september 2017 opent het nieuwe woonzorgcentrum in het hartje van Lanaken, ter vervanging van het huidige rusthuis. Het nieuwe gebouw krijgt een nieuwe naam, WZC Ludinaca. Ludinaca is de oudst gekende schrijfwijze van de gemeentenaam en dateert van 810.

Het nieuwe gebouw biedt meer dan 73 m² per senior en is hiermee waarschijnlijk het grootste in de regio. Dit vertaalt zich in 4 niveaus met grote kamers, waarvan een aantal de mogelijkheid bieden om als koppel zo lang mogelijk samen te wonen, knusse zithoeken (4 per etage) met TV en openhaard, een volledig uitgeruste keuken per niveau, met aansluitend een grote eetruimte omgeven met veel buitenlicht en een terras. De grote raampartijen geven veel licht en een ruimtelijk gevoel en werpen een mooi zicht op de omgeving van Lanaken.

De omgeving rond het gebouw wordt een open woon-en wandelgebied, met veel groen en een uitnodigende parkzone.

WOONZORGCENTRUM BESSEMERBERG

Rust- en verzorgingstehuis Vilain XIIII

De oorsprong van woon-en zorgcentrum Bessemerberg vinden we terug in de geschiedenis van rust- en verzorgingstehuis Vilain XIIII te Leut.

Het kasteel van Leut is de getuige van een lange en afwisselende geschiedenis.
Staatsrechterlijk is Leut eeuwenlang een rijksheerlijkheid geweest waaraan
feodale rechten over de dorpen Leut, Meeswijk en later ook Eisden verbonden
waren. De wording van de rijksheerlijkheid dateert wellicht uit de middeleeuwen:
in 1274 noemt een Jacob van Tongeren zich immers “Heer van Leut”.

Het belangrijkste geslacht is evenwel de adellijke familie Van Vlodrop. Zij
bewoont het kasteel tussen 1475 en 1752. Tijdens hun bewind gaat de
rijksheerlijkheid een rumoerige tijd tegemoet.
Om beurt bezetten Spaanse en Hollandse troepen het kasteel en in 1662 is men
zelfs getuige van een heuse belegering met kanonnen en geweren.
In de loop van de 18de eeuw komt aan het statuut van rijksheerlijkheid stilaan
een einde: in 1752 koopt de Maastrichtenaar Willem van Meeuwen het kasteel en
in 1795 gaat de rijksheerlijkheid op in het Franse rijk.
Via een reeks erfenissen in vrouwelijke lijn en een huwelijk wordt burggraaf
Charles Ghislain Vilain XIIII in 1822 eigenaar van het kasteel. Hij maakte een
politieke carrière in het nieuwbakken België en bekleedde ministers-,
ambassadeurs- en gouverneursposten. Hij zetelde tientallen jaren in het
parlement en was decennialang burgemeester van Leut.
Burggraaf Vilain XIIII stierf in 1878 en liet alleen dochters na.
 

Ziekenhuis

Het kasteel Vilain XIIII neemt een plaats in het zorglandschap als in 1920 de
Kolenmijnen Limburg-Maas (mijn van Eisden) alle eigendommen van de familie
Vilain XIIII koopt om in het kasteel de gekwetste mijnwerkers te verzorgen. In
de loop der jaren ontwikkelt het kasteel zich tot een regionaal ziekenhuis.
Op 1 januari 1962 wordt een nieuwbouw in gebruik genomen met daarin
ziekenhuisdiensten als heelkunde, inwendige geneeskunde en materniteit.
 

Rust- en verzorgingstehuis

Als in 1987 de mijnen van het oostelijk bekken sluiten, wordt ook per 31
december 1987 het ziekenhuis “Kliniek Vilain XIIII” gesloten. Na een grondige
architectonische herconditionering wordt op 12 december 1988 het “Rust- en
Verzorgingstehuis Vilain XIIII” opgestart.
 

Samen met Huize Sint-Anna

Sinds januari 2008 wordt dit ‘Rust- en Verzorgingstehuis Vilain XIIII’ uitgebaat
door Huize Sint-Anna vzw.  Na voltooiing van het nieuwe woonzorgcentrum Bessemerberg zijn de bewoners en het personeel van de RVT ondergebracht in het nieuwe gebouw te Lanaken.

"Op 3 mei 2011 opende het gloednieuwe woonzorgcentrum "Bessemerberg" op de ZOL Campus Sint-Barbara zijn deuren!  Het biedt gespecialiseerde zorg voor de regio Maasmechelen en Lanaken.

 Bosrijke omgeving

Het nieuwe centrum telt in totaal 120 kamers. Deze zijn verdeeld over drie verdiepingen. Elke verdieping huisvest 3 leefgroepen. De privé kamers  bevinden zich aan de buitenzijde van woonblokken met telkens een onbelemmerd uitzicht naar de bosrijke omgeving. In de leefruimten ontmoeten bewoners elkaar in een centraal gelegen glasvolume wat is voorbehouden voor meer publieke ontmoetingen. Een wijk binnen de beslotenheid van het gebouw, een dorp op zich,  met straten (de gangen) die van de huisjes (de kamers) lopen naar de wijken (Vilain XIII, De Merode en De Dreef) vandaar naar het dorpsplein, het gemeenschappelijke  gelijkvloers  met cafetaria “De BESMER”, het kapsalon “Salon Bertine”, de keuken, de kinesitherapeut en andere diensten.
Met het dorpselement stimuleren we het sociaal contact en de solidariteit jegens de minder mobiele bewoners.

Met de nieuwe woonzorgcampussen WZC Bessemerberg en het gloednieuwe WZC Ludinaca zet vzw Huize Sint-Anna de stap naar een nieuwe generatie ouderenzorg.


X




STEENKOOLMIJN EISDEN 1956

Ingekleurde versie

Updated

Met de fiets of gewoon te voet kwamen ze naar de mijn. Anderen hadden al een treinreis achter de rug. Het station Eisden-Mijn, gebouwd in 1926 en verbonden met As, was een belangrijke aankomstplaats voor pendelende mijnwerkers. De spoorweg bracht niet alleen kolen weg, maar bracht ook de mannen die ze moesten bovenhalen naar hun werk. Op deze foto zien we zo’n alledaagse aankomst. Mannen met petten en werkmansjassen stappen naar het gebouw. Rechts rijdt een fietser het beeld binnen. Voor hen ligt de donkere toegang onder de hoge boogvensters: een vertrouwde doorgang voor wie hier telkens opnieuw aan zijn werkdag begon. Die lage ingang leidde naar de fietsenbergplaats in het souterrain. Daarboven bevonden zich de kleed- en badruimten. Het eerste gedeelte van het wasgebouw was in 1922 opgetrokken; latere uitbreidingen volgden dezelfde bouwstijl. De grote vensters gaven het gebouw een statige uitstraling, maar achter de gevel draaide alles om de praktische organisatie van het mijnwerk. Hier veranderde de mijnwerker van kleren en bereidde hij zich voor op zijn taak. Na de dienst kwam hij terug om het stof en vuil af te wassen. De erfgoedinventaris vermeldt voor het gebouw 140 douches en 1.200 kleerkastjes, naast afzonderlijke badvoorzieningen voor ingenieurs en douches voor opzichters, de zogenoemde porions. Achteraan verbond een passerelle het gebouw met de schachten. Zo vormden fietsenkelder, kleedzaal en badzaal een schakel tussen het leven buiten de mijn en het werk op de mijnzetel. In 1956 bevond Eisden zich midden in zijn naoorlogse bloeiperiode. Het jaar voordien had de mijn haar hoogste tewerkstelling bereikt; in 1957 zou haar productie een hoogtepunt bereiken. Achter de rustige bewegingen op de foto ging dus een onderneming schuil die op volle kracht werkte. Toch zijn het vooral de kleine dingen die blijven hangen: een pet, een jas, een fiets, mannen die samen naar binnen stappen. Geen plechtigheid en geen uitzonderlijke gebeurtenis, maar een gewoon moment uit een zwaar beroepsleven. Voor de gezinnen die van de mijn leefden, begon achter deze gevel telkens opnieuw een werkdag waarvan het loon thuis onmisbaar was.

X





dinsdag 3 november 2026

ZICHT OP DE BILZERSTEENWEG, RIEMST 1914-1918

Ingekleurde bewerkte versie (De rechthoekige vormen rechts op de achtergrond en waarschijnlijk 2 onduidelijke personen aan de deur op de hoek links zijn verwijderd.)

Originele foto
Op de rechterachtergrond zijn kleine rechthoekige vormen in de lucht zichtbaar, mogelijk restanten van vensters en zouden kunnen wijzen op een vroegere retouche, maar dat is niet met zekerheid vast te stellen.

Onder het oog van de schildwacht — Riemst tijdens de Eerste Wereldoorlog

Een brede kasseiweg, bakstenen huizen en een bomenrij die de Bilzersteenweg in de verte begeleidt: deze opname toont het centrum van Riemst tijdens de Duitse bezetting van 1914–1918. Dwars over de voorgrond loopt de steenweg tussen Tongeren en Maastricht. Tussen de kasseien zijn de rails van de buurttram zichtbaar, een herinnering aan de tijd waarin het tramverkeer de dorpen met de omliggende steden verbond. Riemst lag aan een belangrijke tramverbinding. Sinds 1897 liep hier de lijn van Tongeren naar Lanaken, via onder meer Riemst en Vroenhoven. In 1909 kwam daar vanuit Vroenhoven de aansluiting naar Maastricht bij. De sporen op de foto maakten dus deel uit van een netwerk dat al vóór de oorlog mensen en goederen door de streek vervoerde. Op de voorgrond staat een Duitse schildwacht. Links, tegen de gevel van het hoekhuis, bevindt zich het gestreepte wachthuisje. Zijn aanwezigheid gaf het vertrouwde dorpskruispunt een andere betekenis: de openbare weg stond voortaan onder toezicht van de bezetter. Dat juist hier een wachtpost werd ingericht, is goed te begrijpen vanuit de ligging. In Riemst kwamen de wegen naar Bilzen, Visé, Tongeren en Maastricht samen. Het kruispunt bood daardoor een geschikte plaats om het doorgaande verkeer te controleren. Ook in het huidige wegennet is die samenkomst nog herkenbaar, al werd het kruispunt in 2011–2012 tot een rotonde omgevormd. Tijdens de bezetting was reizen geen vanzelfsprekendheid meer. De Duitse overheid legde de bevolking voorschriften op over identiteitsbewijzen, reispassen en toelatingen. Een bekendmaking van de militaire gouverneur van Limburg van 20 november 1914 handelt al uitdrukkelijk over deze documenten. Wie zich wilde verplaatsen, kreeg zo te maken met een administratie die bepaalde onder welke voorwaarden reizen mogelijk was. Een wachtpost op een belangrijk kruispunt paste binnen dat systeem van toezicht. De foto bewaart daarmee meer dan een oud straatbeeld. De kasseien, tramrails en gevels vertellen over het Riemst van toen; de schildwacht en zijn wachthuisje tonen hoe de oorlog ook hier het dagelijkse leven binnendrong.

BOORSEM ZICHT OP DE WANDELSTRAAT CA. 1982

Updated

maandag 2 november 2026

MEESWIJK - CAFÉ "OVERZET" TIJDENS DE OVERSTROMING IN 1995

Remastered

Zaterdag 28 januari 1995 — Rond café Overzet heeft de Maas het landschap overgenomen. Het bruine water omringt de gebouwen, overspoelt het terras en onttrekt de toegangsweg grotendeels aan het zicht. Alleen bomen, palen en verkeersborden geven nog aan waar het gewone leven zich afspeelde. Het café lijkt steeds dieper in het water weg te zakken: een treffend beeld van een gebouw dat door het hoogwater wordt ingesloten. Café Overzet lag in Meeswijk, op het grondgebied van Maasmechelen, vlak bij het veer naar het Nederlandse Berg aan de Maas. Het was jarenlang een halte voor wandelaars, fietsers en kajakkers. De ligging aan de rivier bepaalde zowel de aantrekkingskracht als de kwetsbaarheid van de zaak. Binnen herinnerden merktekens aan de hoogten die het Maaswater tijdens eerdere overstromingen had bereikt.  In januari 1995 werd die vertrouwde dreiging opnieuw werkelijkheid. Dertien maanden na de zware overstromingen van december 1993 kreeg vooral het Maasbekken weer te maken met uitzonderlijke wateroverlast. Het KMI beschrijft januari 1995 als een maand van overstromingen met een uitzonderlijke omvang. De foto van Overzet geeft die grote watersnood een herkenbaar, plaatselijk gezicht: een café dat normaal mensen ontving, stond nu midden in een overstroomd landschap.  Bij die omgeving hoort ook het verhaal van een helikopterongeval dat één dag vóór de opgegeven fotodatum plaatsvond. Op vrijdag 27 januari 1995, omstreeks 13.30 uur, raakte een helikopter van het type Schweizer 269C, met registratie OO-THL, tijdens een reportagevlucht een kabel en stortte in de Maas. Aan boord bevonden zich de piloot en cameraman Pierre Daniels. De vlucht diende om de overstromingen in beeld te brengen; het Nederlandse NOS Journaal berichtte diezelfde avond dat het toestel tijdens televisieopnamen voor VTM was neergestort.  Het Nederlandse ministerie van Defensie beschreef later hoe het toestel een staalkabel van een veerpont over de Maas had geraakt. De twee inzittenden konden zich uit de helikopter bevrijden en hielden zich aan een verkeersbord vast. Een Nederlandse Lynx-reddingshelikopter bracht hen in veiligheid. Volgens het ongevallenoverzicht van Helispot werden beiden met onderkoelingsverschijnselen naar het ziekenhuis in Maastricht overgebracht. Ze overleefden het ongeval.  De kabel op de voorgrond van de foto roept die gebeurtenis onmiddellijk op. Dat een veerkabel bij de crash betrokken was, is gedocumenteerd. Of juist het zichtbare kabelgedeelte op deze opname door het toestel werd geraakt, valt met de geraadpleegde bronnen echter niet met zekerheid vast te stellen. Café Overzet verdween niet tijdens de watersnood van 1995. Het bleef nog ongeveer tien jaar bestaan, maar zijn ligging in het winterbed van de Maas werd uiteindelijk doorslaggevend. In een antwoord aan het Vlaams Parlement, gepubliceerd op 25 maart 2005, bevestigde de bevoegde minister dat het pand op 8 augustus 2004 vrijwillig en in der minne was aangekocht. De uitbating mocht volgens de gemaakte afspraak tot 30 september 2005 doorgaan; de afbraak was voorzien voor de winter of het voorjaar van 2006.  De overheid wees daarbij op de blijvende risico’s. Bij hoge Maasafvoer kon het water ongeveer een meter boven de cafédrempel staan. Bescherming bij iedere nieuwe hoogwaterperiode bleef daardoor problematisch. Ook mogelijke uitspoeling bij het droogpompen en de noodzaak om voldoende ruimte voor de rivier te behouden, speelden mee. Het verdwijnen van Overzet paste in het beleid om bebouwing uit het winterbed van de Maas weg te nemen.  Het café sloot in 2005 en werd in het voorjaar van 2006 afgebroken. Vandaag bestaat het gebouw niet meer. De foto bewaart daardoor meer dan een ogenblik uit de overstromingswinter van 1995. Ze toont een verdwenen ontmoetingsplek, waarvan de geschiedenis nauw verweven was met het veer, de grens en de Maas — de rivier die bezoekers aantrok, maar uiteindelijk meer ruimte kreeg. 

X




zondag 1 november 2026

HET VEER AAN DE HAL IN KOTEM (RECONSTRUCTIE)

Reconstructie van een kleine wat onduidelijke foto waarbij de mensen veel te slecht waren, ze zijn dus allen fictief op het veer. Voor de rest is alles prima, deze foto is ook ingekleurd.

X

TOEN DE TANK VAN KOTEM EEN MONUMENT WERD


Van een gezonken oorlogsvoertuig tot een blijvende herinnering aan de Maas

In 1977 kreeg Kotem een bijzonder monument. Een amfibievoertuig dat sinds de laatste oorlogsmaanden op de bodem van de Maas had gelegen, werd geborgen en opgeknapt. Op 3 september kreeg de Buffalo een plaats op een sokkel bij de autosnelwegbrug. Daarmee bracht het dorp ook de herinnering boven water aan de Britse militairen die hier tijdens hun opleiding een noodlottig ongeval meemaakten. 

De geschiedenis begon in de winter van 1944–1945. Kotem was al bevrijd, maar de oorlog was nog niet voorbij. Britse militairen oefenden aan de Maas met amfibievoertuigen, ter voorbereiding op de oversteek van de Rijn. Bij hoogwater bood de rivier daarvoor geschikte omstandigheden: een brede stroom, sterke stroming en moeilijk bereikbare oevers. Volgens het historische verhaal van de Provincie Limburg verliepen de voorbereidingen in het geheim en moesten enkele Kotemse gezinnen tijdelijk hun woning verlaten.  De voertuigen waarmee de soldaten oefenden, waren Buffalo’s. Het exemplaar dat later het Kotemse monument zou worden, was een LVT-4, een amfibisch rupsvoertuig van Amerikaanse oorsprong dat ook door het Britse leger werd gebruikt. De plaatselijke benaming ‘tank’ bleef hangen, al diende dit type in de eerste plaats om militairen en materieel over water en vervolgens verder over land te vervoeren. ‘Amerikaans’ verwijst hier dus naar de oorsprong van het voertuig; de bemanning in Kotem was Brits.  Tijdens een nachtelijke oefening ging het mis. De ramp wordt in de plaatselijke geschiedschrijving gedateerd op 5 maart 1945. In een later gepubliceerde brief beschreef radio-operator John Shearer hoe de motor uitviel toen de Buffalo de oever probeerde op te rijden. Het voertuig gleed terug in het water. Na een krakend geluid stroomde water naar binnen en zonk het. Shearer overleefde; zijn kameraad Philip Harding behoorde tot de slachtoffers. Over de identiteit en het lot van de overige inzittenden lopen de gepubliceerde versies uiteen.  Meer dan dertig jaar bleef de Buffalo in de Maas liggen. In 1977 vonden leden van duikclub Jaws het voertuig terug. Volgens de geschiedenis die op het monument werd vastgelegd, hielpen aanwijzingen van Jeanne Geens bij de zoektocht. De berging wordt gedateerd op 5 juni 1977. Plaatselijke ondernemingen werkten mee om het zware voertuig uit de rivier te halen. De restauratie werd uitgevoerd door Scheepswerven Sint-Barbara in Maasmechelen.  Kotem wilde de vondst bewaren. Een tankcomité zette zich in voor een monument en de Buffalo werd gereinigd, gezandstraald en geschilderd. Tijdens de tankfeesten van 3 en 4 september 1977 kreeg het gerestaureerde voertuig een centrale plaats. Bij de inhuldiging waren John Shearer en John Harding, de broer van de omgekomen Philip Harding, aanwezig. Voor Shearer betekende het ook een terugkeer naar de mensen die hem tijdens de oorlog hadden opgevangen.  Zo kreeg een stuk oorlogsmaterieel een nieuwe betekenis. De Buffalo werd een herkenningspunt voor Kotem en een tastbare herinnering aan een ongeval dat zich vlak bij het dorp had afgespeeld. Dertig jaar later volgde opnieuw een restauratie. Op 11 november 2007 werd het voertuig heringehuldigd. Daarmee bleef behouden wat de initiatiefnemers in 1977 hadden willen doorgeven: de herinnering aan de mannen achter het monument. 

X


HERBRICHT, DECEMBER 1993 - KALVEREN IN VEILIGHEID GEBRACHT

Updated

Een man draagt een kalf stevig tegen zich aan. Rechts helpen twee anderen een dier op zijn poten. Boven hun hoofden hangt een helikopter, met daaronder lange hijsbanden en een transportkooi. Op de achtergrond staat het water tot rond de huizen. Het is een bijzonder beeld uit de Maaslandse geschiedenis: de evacuatie van vee tijdens de overstroming van december 1993. De foto wordt gesitueerd bij de reddingsoperatie in Herbricht, het kleine gehucht aan de Maas bij Neerharen, in de gemeente Lanaken. Ze toont hoe mensen met vereende krachten dieren in veiligheid brengen. Terwijl de helikopter het transport mogelijk maakt, gebeurt het laatste, zware werk met de handen: vasthouden, tillen, dragen en voorzichtig neerzetten.

De Maas bleef stijgen

December 1993 was een bijzonder natte maand. In het stroomgebied van de Maas, in België en Frankrijk, viel langdurig veel regen. De zware neerslag rond 20 december deed het rivierpeil vervolgens snel oplopen. Op 22 december bereikte de Maas bij Borgharen een waterstand van 45,90 meter boven NAP. Het KNMI vermeldt voor die hoogwatergolf een maximale afvoer van ongeveer 3.120 kubieke meter water per seconde. Op tal van plaatsen liep het Maaswater het omliggende land binnen. Ook aan Belgische zijde waren de gevolgen ingrijpend. Volgens het KMI moesten in Maaseik en omgeving ongeveer 1.600 mensen hun woning verlaten. Velen brachten kerstavond door bij familie of in een opvangcentrum. De vertrouwde voorbereidingen voor Kerstmis maakten plaats voor bezorgdheid over woningen, bezittingen en dieren. Voor Herbricht was hoogwater geen onbekend verschijnsel. Het gehucht lag in het winterbed van de Maas: de ruimte die de rivier bij een grote watertoevoer kan innemen. Maar tijdens die decemberdagen werd de kwetsbaarheid van die ligging bijzonder tastbaar. Een latere bewonersgetuigenis herinnert uitdrukkelijk aan de helikopterevacuatie rond Kerstmis 1993.

Ook de dieren moesten weg

Bij een overstroming beperkt de nood zich niet tot de woningen. Waar vee gehouden wordt, moet ook voor de dieren een uitweg worden gevonden. De foto laat zien welke uitzonderlijke middelen daarvoor werden ingezet. Onder de helikopter bevindt zich een metalen transportkooi, verbonden met opvallende rode en gele hijsbanden. Rond die kooi staan verschillende helpers. Een man buigt zich over de rand, terwijl anderen de kalveren verder dragen. Het beeld maakt duidelijk dat zo’n evacuatie veel meer vroeg dan alleen een vlucht boven het water. Op de grond moesten mensen klaarstaan om de dieren op te vangen en verder te begeleiden. De reddingsbeelden bereikten destijds de televisie en bleven verbonden met de herinnering aan de zware overstromingen van de jaren negentig.

Een keerpunt voor het gehucht

De watersnood kreeg voor Herbricht een lange nasleep. Na het hoogwater van 1993 werd in 1994 een evaluatiecommissie opgericht. Uit een parlementaire bespreking van 1998 blijkt dat het verdwijnen van bebouwing uit het winterbed en de aanleg van een nevengeul toen al deel uitmaakten van de plannen voor de omgeving. De vraag hoe mensen er veilig konden blijven wonen, raakte daarmee rechtstreeks aan de toekomst van het gehucht.

X


zaterdag 31 oktober 2026

CINEMA TRIOS IN GENK 1980

Remastered 

Een avond naar de film, aan de hand van een programma uit 1980

Een bioscoopprogramma kan een hele tijd terugbrengen. Op deze bewaarde affiche van cinema Trios in Genk staan zeven films bij elkaar: een romantische komedie, een musical, een angstaanjagende thriller, een avontuurlijke oorlogsfilm, Franse humor, sensationele beelden en een dierenfilm voor het gezin. Samen geven ze een bijzonder inkijkje in wat er tijdens één herfstweek in de Genkse cinema te beleven viel. De periode staat bovenaan: van vrijdag 31 oktober tot en met donderdag 6 november 1980. Daarnaast wordt gewezen op een bijzondere vakantieregeling op vrijdag 31 oktober en maandag 3 november. Het is een klein praktisch detail, maar het maakt de affiche tot meer dan een verzameling filmtitels. We zien hoe de bioscoop zijn programma afstemde op vrije namiddagen, avondbezoekers en gezinnen.

Naar de cinema in Shopping II

Cinema Trios, in latere berichtgeving ook Trioscoop genoemd, bevond zich in Shopping II aan de Rootenstraat in het centrum van Genk. Vooral tijdens de jaren tachtig was de bioscoop een belangrijke publiekstrekker. Voor verschillende generaties Genkenaars werd het een vertrouwde plek om de films van het moment op het grote scherm te ontdekken. De naam past bij een ontwikkeling die het Belgische bioscooplandschap veranderde: verschillende filmzalen onder één dak. Het voordeel van zo’n formule wordt op de Genkse affiche zichtbaar. Verschillende soorten films konden tegelijk worden aangeprezen, met vertoningen op uiteenlopende uren. Wie een avondje uit plande, kreeg een ruime keuze voorgeschoteld.

Zeven films, zeven manieren om even weg te zijn

Links bovenaan staat Annie Hall. De reclame legt nadruk op Woody Allen en de vier Oscars die de film had gewonnen. Dat klopt: bij de Oscaruitreiking van 1978 won de film de prijzen voor beste film, regie, vrouwelijke hoofdrol en oorspronkelijk scenario. Diane Keaton kreeg de acteerprijs; Woody Allen en Marshall Brickman deelden de scenarioprijs.  Dat deze titel in het najaar van 1980 nog op het programma stond, is betekenisvol. De affiche verenigt recente films met titels die al eerder waren verschenen. Ze bewijst dat een bekroonde film ook later nog een plaats in de plaatselijke programmering kon krijgen. 

Het grote middenvak behoort aan Xanadu, met Olivia Newton-John en Gene Kelly. De opvallende titelletters en het grote portret geven de musical veel ruimte. De film uit 1980 bracht Newton-John samen met een van de bekendste namen uit de klassieke Hollywoodmusical. Ook Electric Light Orchestra leverde muziek voor de film. Zo ontmoetten verschillende generaties populaire muziek en film elkaar in één productie.  

Rechts daarvan verandert de stemming volledig. Het gezicht van Jack Nicholson kondigt The Shining aan, Stanley Kubricks horrorfilm uit 1980. De advertentie verwijst naar eerdere Kubrickfilms en gebruikt diens reputatie als verkoopargument. Voor de bezoeker van toen was dit een nieuwe bioscoopervaring; de status van gevestigde horrorklassieker zou de film pas met de jaren verwerven. 

Onderaan links staat The Final Countdown, op de affiche eveneens aangekondigd als Nimitz terug naar de hel. Kirk Douglas en Martin Sheen trekken de aandacht. De film uit 1980 laat een modern Amerikaans vliegdekschip terugkeren naar de periode vlak vóór de aanval op Pearl Harbor. De combinatie van militaire actie en een onmogelijke reis door de tijd bood een heel ander soort spanning dan Kubricks hotelhorror. 

Daarnaast zorgt Les Borsalini voor Franse komedie, met Jean Lefebvre, Darry Cowl en Robert Castel. Het officiële filmregister van Québec bevestigt de acteurs en regisseur Michel Nerval. De getekende auto en de opeengestapelde figuren op de affiche maken meteen duidelijk dat hier een luchtiger avontuur wordt aangeboden. 

De bloeddorstige savanne, met de Engelse titel Brutes and Savages, wordt op het programma vooral door sensationele beelden en beloften van onthullingen verkocht. De advertentietaal over andere culturen weerspiegelt de manier waarop zulke onderwerpen destijds commercieel werden voorgesteld. 

Helemaal rechts onderaan staat De ongelooflijke uitstap. De namen Luath, Bodger en Tao identificeren de film als Disneys The Incredible Journey uit 1963, over twee honden en een Siamese kat die een lange tocht ondernemen. Op deze affiche krijgt het dierenavontuur vooral namiddagvertoningen: een herkenbare plaats voor gezinscinema binnen het ruimere programma. 

Ook om kwart over tien kon je nog binnen

Juist de kleine letters geven deze affiche haar plaatselijke karakter. Bij verschillende films staan namiddag- en avonduren. Bovendien worden meerdere late voorstellingen aangekondigd om 22.15 uur. De bloeddorstige savanne krijgt uitsluitend dat late uur vermeld. Daarmee toont het programma hoe breed een bioscoopdag kon worden ingevuld. Een gezin kon voor een namiddag kiezen, andere bezoekers voor de gebruikelijke avondvoorstelling, en wie later op stap ging kon nog aan een film beginnen wanneer elders de avond al ver gevorderd was. De zeven advertenties mogen overigens niet worden gelezen als bewijs dat de cinema zeven zalen had. Films konden binnen dezelfde week op verschillende tijdstippen een zaal delen. Het document geeft een weekaanbod weer, geen plattegrond van het gebouw.

Het doek viel, het gebouw bleef

Volgens de geraadpleegde lokale berichtgeving eindigde de bioscoopwerking midden jaren negentig. Die sluiting wordt in verband gebracht met de vervanging van de Genkse en Hasseltse vestigingen door het grotere Kinepoliscomplex in Hasselt. Daarna kreeg het Genkse pand onder meer een winkelfunctie voor H&M en volgde een lange periode van leegstand.  In 2022 begon een nieuw hoofdstuk met het Werkhuis. LUCA School of Arts, ontwerperscollectief GERAAS en de stad Genk werkten samen om in het voormalige bioscooppand ruimte te bieden aan jonge kunstenaars en ontwerpers. Er kwamen ateliers, tentoonstellingen en workshops. LUCA vermeldt daarvoor het adres Rootenstraat 33A. Zo kreeg een gebouw waar jarenlang naar verhalen werd gekeken opnieuw een creatieve bestemming. De affiche uit 1980 bewaart intussen een heel concreet stukje Genkse geschiedenis. Ze vertelt welke films werden aangeboden, welke acteurs bezoekers moesten lokken en op welke uren men kon gaan kijken. Voor wie er ooit binnenstapte, kunnen die namen nog iets anders oproepen: de film waarvoor men afsprak, het gezelschap waarmee men ging, of een avond die langer is bijgebleven dan het verhaal op het scherm.

PS: De Trioscoop in Hasselt opende in 1972. Het openingsjaar van die in Genk is mij onbekend

X


DE OUDE MOLEN OP DE STICHELSBERG - EEN STUKJE VERDWENEN GENK (TOEN GENCK, FOTO VAN VÓÓR 1910)

Updated

Een onverharde weg loopt tussen de hagen naar enkele huizen. De ondergrond is ongelijk, met sporen en kleine onregelmatigheden die bij een oude dorpsweg horen. Links gaat een woning gedeeltelijk schuil achter het groen. Verderop staat een gebouw met een opvallend patroon van donkere balken in de gevel. Rechts daarvan verheft zich een houten windmolen boven de begroeiing. Het is een eenvoudig straatbeeld, maar juist daardoor vertelt deze foto veel: ze toont een omgeving waarin wonen, werken en het landschap nog dicht bij elkaar lagen. Volgens de plaatsaanduiding bij deze opname zien we de Oude Molen van Genk, ook bekend als de Molen Vaes. Deze houten korenwindmolen stond op de Stichelsberg, aan de noordzijde van de huidige Schabartstraat, ter hoogte van nummer 7 aan de zijde van de Windmolenstraat, bij de Berglaan en de Hoogstraat. De molen wordt in de Belgische Molendatabase beschreven als een staakmolen. Op de foto valt vooral de hoge, houten molenkast op. De wieken tekenen zich af tegen de lucht, terwijl het onderste gedeelte gedeeltelijk achter de begroeiing verdwijnt. De molen staat duidelijk los van het gebouw ernaast. Samen vormen ze het herkenningspunt aan het einde van de weg. Er zijn geen voorbijgangers of voertuigen te zien. Daardoor gaat alle aandacht naar de gebouwen, de hagen en die grote houten constructie die boven het dagelijkse straatbeeld uitsteekt. De geschiedenis van de molen voert terug naar de negentiende eeuw. Arnold Vaes kreeg in 1868 toestemming voor de oprichting; het kadaster vermeldt de molen in 1870. Als bouwheer wordt de Genkse brouwer Jan Renier Theunissen genoemd. Zijn schoonzoon Martinus Vaes verwierf de molen in 1872. De familie Vaes verbond zo haar naam blijvend aan deze plek. Voor de mensen uit de omgeving was een korenmolen in de eerste plaats een werkplaats. Hier werd graan verwerkt tot meel, een grondstof die rechtstreeks verbonden was met het dagelijkse voedsel. Achter het vertrouwde silhouet van een windmolen ging zwaar en zorgvuldig werk schuil: zakken verplaatsen, het maalwerk bedienen en voortdurend rekening houden met de beschikbare wind. De rust van een foto laat dat werk nauwelijks zien. Ze bewaart de buitenkant, terwijl de bedrijvigheid binnen onzichtbaar blijft. Ook de weg verdient aandacht. Hij heeft geen strakke afboording en loopt vrijwel ongemerkt over in de begroeide bermen. De hagen schermen de erven af, maar sluiten het zicht niet helemaal af. Tussen het groen blijven daken, gevels en kale boomtakken zichtbaar. Het zijn zulke kleine bijzonderheden die een oude opname waardevol maken. Niet alleen een verdwenen gebouw wordt vastgelegd, maar ook de manier waarop een buurt eruitzag vóór latere heraanleg en bebouwing. De woning naast de molen op de foto is niet de molenaarswoning. De molenaarsfamilie Vaes woonde elders in het centrum van Genk.

Een tweede leven in Zonhoven

In 1910 verdween de Oude Molen uit Genk, maar daarmee eindigde haar bestaan nog niet. Pieter Jan Evers-Vaes liet haar overbrengen naar Zonhoven. Daar werd ze opnieuw opgericht aan de Klapstraat, op de hoek met de Herestraat in het gehucht Heuven. Ze raakte er bekend als de Molen Evers, of de Molen van Heuven. De kadastrale inschrijving van de heropbouw volgde in 1911. Zo kreeg dezelfde houten molen een plaats in het leven van een andere gemeenschap. Wat in Genk een vertrouwd herkenningspunt was geweest, werd in Zonhoven opnieuw een werkende korenmolen. Een dergelijke verhuizing maakt duidelijk dat een molen ook een waardevol bedrijfswerktuig was: de constructie kon worden afgebroken en elders weer worden opgebouwd. In Zonhoven ondervond Evers concurrentie van andere wind- en watermolens. In 1930 werd het malen met de windmolen stopgezet. Vijf jaar later, in 1935, volgde de afbraak. De maalderijactiviteit werd voortgezet met een elektrische installatie aan de Heuvenstraat, die door zoon Eduard Evers nog tot na 1966 werd uitgebaat.

X

vrijdag 30 oktober 2026

BOORSEM (TOEN BOORSHEIM) KANAAL'S BRUG (ZUID-WILLEMSVAART)

Ingekleurde versie (Op deze foto zijn personen verwijderd en een kar met paard wegens te slechte kwaliteit)


Updated (Op deze foto zijn personen verwijderd en een kar met paard wegens te slechte kwaliteit)

Originele Updated

Er hangt een rustige bedrijvigheid rond de kanaalbrug van Boorsem. Het is een beeld uit de tijd waarin de Zuid-Willemsvaart een vertrouwd onderdeel vormde van het dagelijkse dorpsleven. Bij draaibrug 4 vraagt iedere doorvaart om ruimte. Het beweegbare brugdek draait opzij, zodat de schepen de nauwe doorgang kunnen passeren. Het verkeer over land moet dan even wachten. Voor de bewoners was het een bekend tafereel: een geopende brug, een naderend schip en het water dat tegen de oevers klotst. Vooraan ligt een kleine stoomsleepboot, herkenbaar aan haar hoge schoorsteen en compacte bouw. Zulke sleepboten hielpen vrachtschepen zonder eigen motor vooruit. Achter de brug is een groter vrachtschip zichtbaar, met een lange romp die ruimte bood aan een flinke lading. Samen tonen ze hoe goederen vroeger over het kanaal werden vervoerd, toen veel binnenschepen nog afhankelijk waren van trekkracht van buitenaf. De sleepboot ligt dicht bij het geopende brugdek en het grotere schip sluit daarachter aan. Het beeld past bij een doorvaart waarbij voorzichtig gemanoeuvreerd moet worden. Of de sleepboot het achterliggende schip op dit precieze ogenblik daadwerkelijk sleept, is op de foto niet met zekerheid te zien: een duidelijke sleepverbinding is niet herkenbaar. Rechts staat een aanzienlijk huis met twee bouwlagen, een hoog pannendak en verschillende schoorstenen. De regelmatig geplaatste ramen kijken uit op het kanaal. Het gebouw geeft deze plek een herkenbaar gezicht en vormt een mooi tegenwicht voor de lage brug en de schepen op het water. Wie er destijds woonde en of het huis een functie bij de brug is niet bekend.

PS: Achter het laatste schip rechts ligt het Monnikhof, verscholen achter de boot.

X


HET MONNIKHOF VAN BOORSEM

 FOTO WORDT NOG GEPLAATST !!!


Wie de geschiedenis van het Maasland volgt, komt vroeg of laat bij het Monnikhof in Boorsem terecht. De oude hoeve, ook bekend als het Monnikhof, draagt een verleden met zich mee dat veel verder teruggaat dan de gebouwen die we vandaag herkennen. Achter de poort schuilt een verhaal van abdijbezit en landbouw, van schenkingen en betwiste gronden, van branden en wederopbouw. En zoals dat bij oude hoeven weleens gebeurt, kreeg ook hier de geschiedenis gezelschap van een sage.

Het is een plek waar de grote veranderingen van de streek op kleine schaal samenkomen. De invloed van de abdijen, het werk van opeenvolgende pachters, de verkoop onder het Franse bewind en later de druk op het Maaslandse landschap: het Monnikhof maakte het allemaal mee. Toch bleef de hoeve bestaan. De officiële erfgoedinventaris beschrijft haar als een bewaard gebouwencomplex met erfgoedwaarde. Wat ooit een economisch steunpunt van een kloostergemeenschap was, werd door de eeuwen heen ook een woonplek met een eigen, telkens veranderend verhaal.

Grond voor de abdij van Hocht

Voor de vroegste geschiedenis moeten we terug naar de dertiende eeuw. De abdij van Hocht, bij Lanaken, bezat in het Maasland gronden die haar inkomsten en landbouwproducten opleverden. Zulke bezittingen groeiden door aankopen en schenkingen. Soms speelden ook familiebelangen mee, waardoor een overdracht achteraf minder eenvoudig bleek dan ze aanvankelijk had geleken. Volgens de door P. Repriels beschreven oorkonden kocht de abdij op 4 maart 1230 van Diederik, heer van Altena, 57 bunder grond. De afgesproken prijs bedroeg 185 pond en 10 schellingen Luiks. Toen bevoegde schatters de grond nadien 60 pond lager waardeerden, betaalde Diederik dat verschil terug. De oude tekst verbindt die terugbetaling met de zorg voor zijn zielenheil en dat van zijn voorouders. In zulke akten stonden bezit en geloof dicht bij elkaar: een regeling over land kon tegelijk een geestelijke betekenis krijgen. Twintig jaar later kwam een oude aanspraak opnieuw aan het licht. Een akte van 3 augustus 1250 handelt over een geschil tussen Leonius, burggraaf van Brussel, en de abdis van Hocht. Een derde van de eerder verkochte grond behoorde toe aan de vrouw van Leonius, een zuster van Diederik van Altena. Om de onenigheid te beëindigen, schonken Leonius en zijn vrouw hun aandeel, met de opbrengsten ervan, aan de abdij. Zo werd volgens de aangehaalde akte ook het vrije bezit van dat deel verzekerd. Nog in 1250 volgde een andere belangrijke overdracht. Diederik, heer van Valkenburg, maakte samen met zijn vrouw Berta en zijn broer Engelbert, aartsdiaken te Luik, cijnsgoederen in Boorsem over aan Hocht. Die goederen waren verbonden aan een hofstede of cijnshof en omvatten volgens Repriels 36 bunder. Er bleef een jaarlijkse cijns van vijf Luikse denieren verschuldigd. Ook moest een vertegenwoordiger worden aangesteld voor bepaalde rechtszaken. Repriels zag in die hofstede de waarschijnlijke kern van het latere Monnikhof. Dat is een historische interpretatie van de akten, geen exact gedateerde stichting van de hoeve. De documenten tonen wel hoe de abdij in Boorsem een stevig grondbezit opbouwde. De precieze omvang in hedendaagse hectares laat zich uit deze oude oppervlaktematen niet zonder bijkomend onderzoek afleiden.

Een uithof tussen de velden

Het Monnikhof was een uithof, in de oude tekst een grangia genoemd: een plaats van waaruit gronden van een abdij werden uitgebaat. Het woord doet misschien aan een afgezonderd klooster denken, maar de betekenis was vooral praktisch. Hier kwamen landbouw, beheer en opslag samen. Een hoeve met haar akkers en weiden vormde een schakel in het grotere bezit van de abdij. De cisterciënzertraditie hechtte veel belang aan arbeid en aan een geordend beheer van de domeinen. Lekenbroeders konden daarbij een rol spelen. Repriels bracht de naam Monnikhof met zulke oorspronkelijke bewoners in verband. Hoe hun aanwezigheid in Boorsem precies verliep, vertelt het beschikbare materiaal echter niet van jaar tot jaar. De naam bewaart dus een herinnering, zonder dat hij ons een volledige bewonerslijst geeft. Na verloop van tijd werd de rechtstreekse uitbating op veel abdijdomeinen vervangen door pacht en andere vormen van grondgebruik. Ook voor het Monnikhof beschrijft Repriels een opeenvolging van pachters. Het dagelijkse boerenwerk bleef, terwijl de verhouding tussen de gebruikers van het land en de abdij veranderde. De hoeve bleef inkomsten opleveren voor Hocht, ook wanneer de bewoners zelf niet tot een kloostergemeenschap behoorden. De banden reikten over de grenzen van Boorsem heen. In Mechelen bezat Hocht eveneens verspreide percelen. De oudste goederenlijst van het zogenoemde Hochterlant die Repriels vermeldt, dateert uit 1456. Hij situeert gronden onder meer in het Opperveld, bij de Slak en de Hemelrijksweiden, en op de Hogenzavel. Sommige lagen gunstig ten opzichte van het Monnikhof; andere konden vanuit het Molenhof in Opgrimbie worden uitgebaat. Ook dat Molenhof was met Hocht verbonden. De aangeleverde tekst vermeldt er voor 1230 een schenking van een hofstede en 27 bunder grond. Zo verschijnt achter de afzonderlijke hoeve een netwerk van bezittingen. Wat voor de dorpsbewoners vertrouwde velden en plaatsnamen waren, maakte voor de abdij deel uit van een groter geheel van landbouwgronden, rechten en inkomsten.

De geliefden bij de waterput

Naast die geschiedenis van akten en grondbezit groeide een heel ander verhaal. Het Monnikhof werd het decor van een sage over twee geliefden. Ze werd volgens Repriels opgenomen in het Vlaams sagenboek van K. C. Peeters. Wie haar leest, hoort nog iets van de mondelinge verteltrant waarin zulke verhalen vroeger rondgingen. Volgens de overlevering woonde op het hof een baron. Zijn dochter werd verliefd op de zoon van de graaf van Rekem. Voor de graaf was dat geen passende verbintenis. Hij verzette zich tegen hun liefde en verhinderde dat de twee met elkaar zouden trouwen. In de wereld van de sage woog de rang van de familie zwaarder dan het geluk van de jonge mensen. Op het domein lag een diepe waterput. Daar vonden de geliefden volgens het verhaal samen de dood. Na de dood van de twee zou de familie van het meisje het hof hebben verlaten. De graaf zou het vervolgens aan de zusters hebben afgestaan, op voorwaarde dat zij iedere nacht bij de put voor de overledenen gingen bidden. Daarmee kreeg ook de band tussen het hof en de kloosterwereld een plaats in het volksverhaal. Maar de rust keerde volgens de vertellers niet terug. In het donker zouden witte gestalten op het domein zijn verschenen. Men hield ze voor de geesten van de geliefden. Het verhaal wil dat voorbijgangers de omgeving uiteindelijk meden en zelfs de zusters niet meer onbevreesd langs die plek durfden te gaan. De echte band met Hocht is ouder en wordt in de aangehaalde middeleeuwse akten heel anders verklaard. Toch heeft het volksverhaal zijn eigen waarde. Het laat zien hoe een oude hoeve in het geheugen van een streek meer kon worden dan een verzameling gebouwen. Een donkere doorgang, een diepe put en een naam die naar religieuzen verwees, konden genoeg zijn om generaties lang de verbeelding te voeden.

Vuur en wederopbouw

Het Monnikenhof kende ook gevaren waarvoor geen sage nodig was. Volgens Repriels werd de hoeve meermaals door brand getroffen. Rond 1650 zou de schade zo groot zijn geweest dat Maria de Robles, die hij als priorin aanduidt, het complex opnieuw liet optrekken. Boven de grote toegangspoort liet zij volgens zijn tekst haar wapenschild aanbrengen. De officiële bouwkundige beschrijving geeft hier een belangrijk aanknopingspunt. Ze dateert het gesloten hoevecomplex in het midden van de zeventiende eeuw en vermeldt boven de toegang een kalkstenen gevelsteen met het jaartal 1652. Die datering sluit aan bij de wederopbouw die Repriels rond 1650 situeert. Ze betekent niet dat de geschiedenis van het domein pas toen begon: de middeleeuwse bezittingen gingen eraan vooraf. Repriels vermeldt opnieuw brandschade in 1848 en 1889. Over de oorzaken, de precieze omvang en eventuele slachtoffers geven de bladzijden geen nadere informatie. Wel tonen de terugkerende branden hoe vaak een oud hoevecomplex moest worden hersteld en aangepast. Het gebouw dat een volgende generatie overnam, was telkens ook het resultaat van het werk van haar voorgangers. In het bewaarde complex zijn verschillende bouwfasen herkenbaar. De inventaris beschrijft een bakstenen hoeve rond een erf, met een poortgebouw en een schuur aan de achterzijde. Sommige openingen werden later gewijzigd. De gebouwen vertellen daardoor geen verhaal van één enkel bouwjaar, maar van langdurig gebruik. Een muur bleef staan, een toegang veranderde, een vleugel kreeg een andere inrichting. Zo groeide de hoeve mee met de behoeften van haar bewoners.

Van abdijbezit naar particuliere eigendom

Onder het Franse bewind kwam een einde aan de oude eigendomsverhouding met de abdij. Volgens Repriels werd de hoeve aangeslagen en openbaar verkocht aan Adriaan Hensch van de Zangerije. Voor het hof en 86 bunder akkerland noemt hij een bedrag van 68.000 frank. De aangeleverde bladzijden geven geen precieze verkoopdatum. Voor de bewoners van een landbouwstreek kreeg zo'n machtswisseling een heel concrete betekenis. De grond bleef dezelfde grond en de seizoenen bleven het werk bepalen, maar achter de pacht en het eigendom stonden andere mensen en andere rechten. Wat eeuwenlang tot een abdijdomein had behoord, ging een particulier bestaan tegemoet. Aan het einde van zijn bijdrage noemt Repriels de heer Neven uit Tongeren als eigenaar en de heer Castermans als pachter. Die vermelding hoort bij het moment waarop hij schreef in 1986.

Een oude hoeve in een veranderend Maasland

Repriels schreef zijn bijdrage vanuit een duidelijke bezorgdheid. De voortschrijdende kiezelwinning kon volgens hem het voortbestaan van het Monnikenhof bedreigen. Alleen al zijn titel maakte van de hoeve een erfgoedvraagstuk. Het ging om meer dan oude stenen: met het verdwijnen van zo'n plaats dreigde ook een herkenbaar deel van het plaatselijke verleden verloren te gaan. Het landschap rond een oude hoeve blijft zelden eeuwenlang hetzelfde. De huidige nabijheid van de Zuid-Willemsvaart, die ook de erfgoedinventaris vermeldt, herinnert eraan dat het domein nieuwe buren en nieuwe verbindingen kreeg. Het Monnikhof bleef intussen zijn naam dragen, ook toen het gebruik van de gebouwen veranderde. Dat het complex bewaard bleef, geeft aan de oude bezorgdheid een bijzonder vervolg. De bouwkundige inventaris uit 1996 beschreef een kort voordien uitgevoerde grondige restauratie. Daarbij was ook zichtbaar dat vroegere hoevedelen als woning waren ingericht. De landbouwgeschiedenis bleef afleesbaar, terwijl de gebouwen een nieuwe woonfunctie kregen. De inventaris vermeldt vandaag nog een bewaarde hoeve met aanwezige erfgoedwaarde. De geschiedenis van deze prachtige hoeve ligt verspreid over middeleeuwse akten, oude bouwdelen, verhalen van pachters en de herinneringen die mensen aan het domein bewaren. Elke generatie kende de hoeve op haar eigen manier. Voor de ene was ze een werkplek, voor de andere een woning, voor weer een andere het decor van een verhaal dat men liever niet in het donker vertelde. Zo blijft het Monnikhof een herkenbare plaats in het geheugen van Boorsem. De gevelsteen draagt een jaartal, de naam verwijst naar het oudere abdijverleden en de sage bewaart de verbeelding van de streek. Achter de poort ligt een geschiedenis die begon lang voordat de huidige bewonersnamen bekend waren, en die met elke zorgvuldig bewaarde herinnering verder wordt aangevuld.

Een nieuw hoofdstuk voor het Monnikhof

In 1992 kochten voetballegende Eric Gerets en zijn toenmalige echtgenote Ria hun droomwoning: het historische Monnikhof aan de Zuid-Willemsvaart in Boorsem. De eeuwenoude hoeve onderging vervolgens een grondige renovatie, die eind jaren negentig werd afgerond. ‘De Leeuw van Rekem’, die met PSV de Europacup I won en een van de sterkhouders was van de Rode Duivels op het WK van 1986, gaf daarmee een nieuwe toekomst aan deze bijzondere plek. Waar ooit het boerenleven zijn dagelijkse ritme kende, begon een nieuw hoofdstuk, met respect voor het verleden. Zo bleef het Monnikhof een vertrouwd baken in het Boorsemse landschap, waarin eeuwen geschiedenis verder leven.

X

donderdag 29 oktober 2026

EEN HOOIWAGEN ONDER DE ROOK VAN MAASTRICHT '40-'45

Updated

Een paard voor een hooggeladen hooiwagen, straatstenen onder de hoeven en daarachter donkere rook boven de Maastrichtse fabrieksgebouwen. Het is een beeld waarin het dagelijkse werk en de dreiging van vernieling dicht bij elkaar komen. Op de voorgrond ligt de oogst, hoog opgestapeld en in losse plukken over de randen van de wagen hangend. Verderop verspreidt een brede rookwolk zich boven de daken. Voor een boerenbedrijf vertegenwoordigde zo’n volle wagen een kostbare voorraad. Hooi was nodig om de dieren tijdens de wintermaanden te voeden. Maaien, drogen, keren en binnenhalen vergden veel arbeid en waren sterk afhankelijk van het weer. Zodra het hooi voldoende droog was, moest het worden opgeladen en opgeborgen. Ook in oorlogstijd bleef dat werk noodzakelijk. De dieren moesten worden verzorgd en de wintervoorraad moest worden aangevuld, ondanks alle onzekerheid. Achter dit landelijke tafereel ligt de industriële wereld van de Maastrichtse papierfabriek. Haar geschiedenis begon in 1850 met de oprichting van Lhoest, Weustenraad & Cie. Vanaf 1851 verrezen de eerste fabrieksgebouwen op een deel van het voormalige terrein van de Commanderij Nieuwen Biesen. In mei 1852 begon de papierproductie met twee machines. De ligging bij het Bassin, de kanalen en de Maas bood gunstige mogelijkheden voor de aanvoer van grondstoffen en het vervoer van het afgewerkte papier. In 1875 kreeg de onderneming de naam Koninklijke Nederlandse Papierfabriek, doorgaans afgekort tot KNP. In Maastricht stond de fabriek bekend als ’t Lommelefebrik. Die bijnaam verwees naar de lompen die aanvankelijk een belangrijke grondstof voor papier waren. Afgedankte stoffen werden er verwerkt tot een nieuw product. De onderneming groeide uit tot een belangrijke werkgever en werd een herkenbaar onderdeel van het stadsbeeld. Enkele gebouwen uit de uitbreidingsperiode van 1859 tot 1861 behoren tot het bewaard gebleven industriële erfgoed rond het Bassin.  Op de foto komen landbouw en industrie dicht bij elkaar. Een paard en een houten wagen passeren een omgeving van schoorstenen en fabriekshallen. Het herinnert aan een tijd waarin dergelijke vormen van vervoer nog vanzelfsprekend deel uitmaakten van het straatbeeld, ook in een industriestad. De opname dateert uit de oorlogsjaren 1940–1945. Een precieze datum en een bevestigde verklaring voor de rook ontbreken echter. Wel staat vast dat de directe omgeving van de papierfabriek tijdens de oorlog zwaar door een bombardement werd getroffen. Op 18 augustus 1944 probeerden Amerikaanse bommenwerpers de spoorbrug over de Maas te vernietigen. De brug werd niet uitgeschakeld, maar de omliggende woonbuurten en bedrijven werden zwaar geraakt. Deze dag ging in de Maastrichtse geschiedenis de boeken in als Zwarte Vrijdag. Bij de herdenking wordt gesproken van 101 dodelijke slachtoffers. Ongeveer vijftienhonderd mensen verloren hun onderkomen.  Vlak naast de papierfabriek lag het Quartier Amélie, een arbeiderswijkje dat tussen de fabriek, de spoorlijn Maastricht–Hasselt en de Maas was ingeklemd. In de volksmond heette het Krejje Dörrep, naar de sintels waarmee de straten waren verhard. Het bombardement verwoestte het buurtje grotendeels. Slechts een rij van elf woningen aan de Fransensingel bleef voorlopig behouden. Ook aan de overkant van de Maas was de schade groot. Daar werden onder meer het Roed Dörrep, de Maastrichtse Zinkwit Maatschappij en tegelfabriek REMA getroffen.  De oorlogsschade lag dus tot vlak bij KNP. Dat maakt een verband tussen de rook op de foto en het bombardement van 18 augustus 1944 denkbaar, maar daarmee is het nog niet bewezen. De verwoesting van naburige woningen en fabrieken bevestigt evenmin dat de papierfabriek zelf rechtstreeks werd getroffen. Zonder een betrouwbare datering of een oorspronkelijke archiefbeschrijving blijft onbekend welke brand hier te zien is. Voor het Quartier Amélie betekende het bombardement het begin van het definitieve verdwijnen. De zwaar beschadigde woningen werden grotendeels gesloopt. In 1947 werd het terrein met de resterende huizen aan KNP verkocht. Later maakten ook die woningen plaats voor uitbreiding van de papierfabriek. In 1955 verrees hier een nieuwe warmtekrachtcentrale, die het aanzicht van het complex aan de Maaszijde blijvend veranderde.  Ook de spoorbrug ontkwam uiteindelijk niet aan vernietiging. Nadat het Amerikaanse bombardement haar niet had uitgeschakeld, bliezen terugtrekkende Duitse troepen de brug in de nacht van 7 op 8 september 1944 op. De rivierovergang was van groot militair belang en werd daardoor een gevaarlijke plaats voor iedereen die er in de omgeving woonde en werkte. Tegen die historische achtergrond krijgt de foto haar bijzondere zeggingskracht. Over de identiteit van de voerman, zijn bestemming en de oorzaak van de rook weten we vooralsnog weinig met zekerheid. Toch brengt het beeld iets tastbaars dichtbij: het werk dat moest worden voortgezet, terwijl de omgeving door onzekerheid werd beheerst.

PS: Aanzienlijk méér Nederlanders stierven door bombardementen van bevriende geallieerde vliegers dan door bommen uit Duitse vliegtuigen. Piloten schenen niet in staat te zijn precies vast te stellen wanneer zij boven Nederlands gebied vlogen of waren niet in staat precisiebombardementen uit te voeren. Ook kwam het herhaaldelijk voor dat zij hun overtollige bommenlast boven Nederlandse dorpen en steden lieten vallen.

X

LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - HET DORP ROND DE KERKTOREN

Ingekleurde versie Updated Sommige oude foto’s laten ons even stilstaan bij een dorp dat we vandaag nog bij naam kennen, maar nauwelijks mee...