Ze zit aan een van de lange, ruwhouten tafels in een soort reusachtige stenen schuur. Aan de lage zoldering neonlampen in kermiskleuren – rood, geel, groen. Het is tjokvol in het pretpaleis. We bevinden ons te Smeermaas, in België, vlak bij Maastricht – de bus doet er een kwartiertje over. Dit is het dus: het befaamde kiencentrum Carlton, trekpleister voor Zuid-Limburgers die er avond aan avond met bussen worden aan- en afgevoerd.
'Vannacht heb ik ervan gedroomd. Ik riep dat ik "kien" had. Toen werd ik wakker.' De Maastrichtse die ervan had gedroomd, is een van de vele honderden, misschien wel duizend. De weduwe Leida van Lieshout is 78. ''s Zondags komen de kinderen, maar door de week ga ik elke dag naar Smeermaas; kienen.' Wat blijft er immers over? 'Ik ben maar alleen; ik heb anders niets.' Zo, met een thermosfles vol koffie en een pakje boterhammen, pakt ze 's middags de bus en om een uur of half vijf doet ze al haar blijde intrede. Dan ontmoet ze daar de geestverwanten: middelbare en meer dan middelbare dames, die zich eendrachtig en hoopvol aan de lange tafels scharen, de knip openen en met een teder gebaar pasmunt voor zich stapelen – een omvangrijke uitstalling van losse centen. Iemand tovert uit een reticule een beduimeld spel kaarten tevoorschijn; het feest kan beginnen. Zo kaarten ze om geld, en om de oude dag wat gezellig door te komen. En als straks het grote spel losbarst, hebben ze een mooie plaats. Eigenlijk is Carlton een dancing. 's Zaterdags en 's zondags speelt er een bandje. Gekiend wordt er alleen op dinsdag, woensdag en vrijdag. Op de avonden waarop er in die broeikas gedanst wordt, heeft een ander plaatselijk etablissement – van B. Geelen – zijn poorten voor de kieners geopend. Zo verdeelt men er de geachte clientèle in pais en vree. De grote man van Carlton is een uitgekiende Nederlander: M. Boele, die als nachtclubeigenaar in Maastricht enige jaren geleden de bakens naar Smeermaas verzette – het heeft hem geen windeieren gelegd. Intussen druppelen de eerste kieners het walhalla binnen; wat oudere mannen, maar vooral niet meer zo jeugdige dames. Bij de ingang stuiten zij op een forse Belg. Boeles zetbaas en uitbater Jean Weytjens-Theunis, die een bak met kaarten koestert. Daar komen de gegadigden op af als vliegen op honing. Het is duidelijk: dit zijn connaisseurs, lieden die de kneepjes van het edele kienspel kennen. Dat blijkt uit alles: de blik waarmee zij het strijdtoneel overzien. Eén kaart kost 42 frank of 3 gulden (dinsdag 2 gulden). Je kunt er de hele avond op spelen. De meesten kopen er méér. Velen nemen er zelfs vijf. Dat gaat dan met een uitvoerige ceremonie gepaard. Want alle kaarten van een speler worden door hem haarfijn vergeleken om zoveel mogelijk te voorkomen dat eenzelfde getal op meer van zijn kaarten staat: dat zou de kans op 'kien' verlagen. Het is nu zeven uur. Het eerste plukje heeft reeds de boterhammen en de koffie uit de thermosflessen soldaat gemaakt. Er wordt druk frietjes gegeten. Dan komen de bussen. Het zijn er acht. Vijftig man per bus; ze hebben de cliënten alom in Zuid-Limburg opgehaald. Gratis – service van Carlton, dat daarvoor het Valkenburgse reisbureau Het Zuiden heeft ingeschakeld. Reisbureaudirecteur E. Spauwen is zelf meegekomen – néé, niet om te kienen, maar om te laten kienen. 'We brengen ze weer netjes gratis thuis ook, elke avond. Velen zijn vaste klant.' Jean Weytjens-Theunis zegt het onomwonden: 'Negentig percent van onze kieners zijn Nederlanders. Nederlanders gokken nu eenmaal liever dan Belgen, misschien wel omdat 't in Nederland niet mag.' Veel tijd heeft hij nu niet – in dichte drommen komen de autobusklanten opzetten. Kaarten kiezen is er nu niet meer bij. Het is nu een kwestie van nemen wat je krijgen kunt. De kaarten vliegen weg – honderden, duizenden. Een hele industrie drijft erop – fabriekjes die niets anders doen dan de spullen fabriceren waar ze hier om kienen. Zoals elke avond zijn er weer vijftig surprises. Ze staan allemaal op het podium van de reusachtige ruimte, die nu snel volloopt. We zien er dekens, poefs, droogkappen, hang- en schemerlampen, gitaren, tafels, stoelen, krantenbakken, bedspreien, kameelzadels, koperen kannen, fietsen, taboeretjes, tapijten en noem maar op.
ZONDAGSGELD
We schuiven aan: de schuur is vol en warm. Nog vijf minuten. Onze rechterbuurman is een 57-jarige chauffeur uit Maastricht, H. Roosevelt; hij heeft drie kaarten – negen gulden – voor zich. 'Ik doe 't al drie jaar, drie vaste avonden in de week. Ik heb niets anders te doen. Ik geef er m'n zondagsgeld aan. Ik rook niet, ik drink niet, ik doe niets – mag ik dan alsjeblieft? Er zijn er die, als ze niets gewonnen hebben, met zo'n gezicht naar huis gaan.' Hij houdt een hand onder de kin ter hoogte van de borst. 'Ik heb er in al die tijd dertien fietsen, zes spreien, zes vloerkleden en ik weet niet hoeveel schemerlampen uitgesleept. Dat heb ik allemaal aan m'n kinderen gegeven toen ze trouwden. Er is hier al twee keer een auto als prijs geweest. Toen moesten ze er een tent bijbouwen – zóveel liefhebbers waren er. En er is ook al twee maal een pony uitgegaan. Verder ameublementen, radio's, grammofoons e.d.' Obers in witte jasjes zeulen met drank en slaatjes en er is een man die voor twee kwartjes zakjes met fiches verkoopt. Daarmee kun je op je kaart de getallen bedekken die door de man op het podium worden afgeroepen. Iedereen kent hem. Matthieu zit daar, te midden van de surprises, aan een tafeltje achter een microfoon. Op het tafeltje ligt een soort dambord waarop de getallen van 1 tot 91 zijn vermeld en er staat een sigarenkistje met 90 genummerde, ronde houten schijfjes. Zo dadelijk zal Matthieu de doos gaan schudden en er telkens een schijfje uitnemen. Dan zal hij het nummer door de microfoon roepen en het schijfje op hetzelfde getal op het bord leggen. En in de zaal zullen de spelers dan dit getal op hun kaart met een fiche of een cent bedekken, net zo lang tot iemand een volle kaart heeft, ten teken waarvan de gelukkige dan in opperste vervoering uitschreeuwt: 'Kien!' – het heuglijke sein dat hij – na controle van de nummers op zijn kaart – met de surprise gaat strijken. Onze frieten consumerende overbuurvrouw, mevrouw Hubertina Vlugger, 35 jaar en ook al uit Maastricht – 'Mijn man houdt van voetballen en ik van kienen, ieder het zijne; hij heeft nu toch nachtdienst' – haalt omzichtig een (geluks)beeldje van de Heilige Gerardus uit haar met een natje en een droogje volgestouwde boodschappentas en zet dat op tafel bij haar kaarten. Er ligt reeds een medaille bij, óók met een heilige. Ze zegt: 'Van de 500 die hier komen, zijn er 400 die zo'n medaille hebben. Dat brengt geluk.' Haar woorden vinden veel instemming aan onze tafel, waar de Maastrichtse heer W. Janssen en zijn zoons Harry en Theo ook druk met heiligen aan het manipuleren zijn. Een blik in de propvolle zaal leert ons ook dat er aardig wat plaatjes met heiligen steels onder de kaarten worden geschoven – je kunt immers nooit weten. Baat 't niet, schaden zal 't ook wel niet.
KNEUTERIG
Het is nu op slag van achten. Matthieu roept iets onverstaanbaars in de microfoon. Het geroezemoes houdt op. De buurman stoot ons met zijn elleboog aan, gespannen fluisterend: 'Let op, we gaan beginnen.' Het is doodstil, iedereen lijkt in trance. 'De eerste surprise: een koperen koffiepot,' roept Matthieu. Dan pakt hij het sigarenkistje en schudt omstandig. Een gerammel van jewelste. Hij haalt er een schijfje uit en roept met luide stem in de microfoon: 'Viefenvieftig', 'Twieëntachentig', 'Viefenzeventig', 'Drei'. Tot er iemand triomfantelijk schreeuwt: 'Kien!' Dan stijgt er een massale zucht van teleurstelling op – de ontlading van een geprangd gemoed. Zo gaat het de ganse avond door: het monotone opdreunen van getalletjes in de microfoon. Het kneuterige gerammel van het sigarenkistje. De opgewekte kreet: 'Kien!', onverwijld gevolgd door een besmuikt ach-geroep van teleurgestelden – de tijd vliegt om en het wordt kaal op het podium. Pauze. De kieners verdringen zich in de hal, waar de uitbater hun kaarten ruilt. Het loopt storm: velen verwachten meer heil van andere kaarten. Het (bij)geloof is onbegrensd met zoveel heiligen. 'Maar naar de kerk gaan ze niet,' sneert Jean Weytjens-Theunis. Hij verhaalt hoe bona fide de zaak is: 'We betalen 7 percent tax. Elk artikel in ons register wordt uitgekiend, of er nu veel of weinig mensen zijn. Soms, als er weinig zijn, moeten we er flink op toeleggen. We kunnen er zo'n duizend hebben. Ook beneden, ga maar eens kijken.' We begeven ons naar een kelder, waar ze ook tafel aan tafel zitten. Het is er nog benauwder dan boven. Ook hier kun je de rook snijden. Het doet pijn aan de ogen. Uitwassen? De uitbater: 'Er zijn heel wat vrouwen die 's morgens de krant rondbrengen om 's avonds te kunnen kienen. Maar niet voor de kieners is het 't grootste gokspel, doch voor ons. Want wij riskeren een grote strop als er weinig volk is.' Maar daar ziet het niet naar uit, want zó groot is de klandizie, dat het Gemeentelijk Autobussenbedrijf Maastricht zelfs een extra bus laat lopen om de spelers 's avonds laat uit Smeermaas op te halen.
GOEIE GELD
Een paar maanden geleden vroegen Tweede-Kamerleden aan de minister van Justitie het kienen in Nederland toe te laten, want in Limburg doet haast iedereen 't, zij het dan op kienavondjes van besloten clubs, zoals fanfares en voetbalverenigingen, die hun kas willen spekken. Hoe gunstig zou het voor hun kas niet zijn als iedereen eraan zou kunnen meedoen. Daarom, minister, laat het kienen vrij! Maar zij kregen nul op het rekest. Zo moeten de verenigingen in Limburg zich in allerlei bochten blijven wringen om zoveel mogelijk zieltjes bijeen te krijgen voor het edele kienspel in besloten kring. Dat die beslotenheid daarbij wel eens in het gedrang komt, weet héél Limburg. En om van alle juridische haarkloverijen af te zijn, tijgt men daarom elke avond met zijn goeie geld in drommen naar Smeermaas, waar gekiend wordt bij het leven.
X