zondag 23 augustus 2026
LANAKEN - DE PRIJSSTIER VAN HET MONTAIGNEHOF
Omstreeks de eeuwwisseling vestigden zich in Lanaken gerenommeerde paarden- en stierenkwekers. Hun vakkennis en zorgvuldig opgebouwde fokkerijen gaven de plaatselijke veemarkt een nieuwe impuls. Goede fokdieren genoten aanzien en een bekroonde stier was een bron van trots voor de boer en zijn bedrijf. Op de foto zien we zo’n prijsstier, gekweekt door boer Kallen op het Montaignehof. Het krachtige dier herinnert aan een tijd waarin de veeteelt een belangrijke plaats innam in het landelijke leven van Lanaken. Op markten en keuringen werden de beste dieren voorgesteld en beoordeeld op onder meer bouw, ontwikkeling en fokkwaliteit. Een mooi stukje Lanaker landbouwgeschiedenis, uit de tijd dat naam en faam van een boerderij nog nauw verbonden waren met de kwaliteit van haar paarden en runderen.
X
zaterdag 22 augustus 2026
CAFÉ MAJESTIC RIEMST (VLIJTINGEN) - DE STER IN HET MIDDEN (ARTIKEL 2002)
Aan de ene kant van de muur liggen de doden van Vlijtingen voor eeuwig te rusten, aan de andere kant drinken de klanten van Griet en Giel hun pintjes. Slechts weinig zondagse kerkgangers, die niet anders kunnen dan via het kerkhof langs de Majestic passeren, gaan zonder biertje terug naar huis. Bij Griet (68) en Giel (72) zijn alle tafels, behalve die ene ronde, tegen de muur geschoven. De klanten leunen met de rug tegen diezelfde muur, de blik gericht naar de ster in het midden van het café. Soms is dat Griet, maar die kruipt na elke tapbeurt gezellig tussen de klanten en kijkt tussen het gebabbel door mee naar de andere ster, die de vloerders destijds hebben ingewerkt in het centrum van de 66 jaar oude vloer. Een Amerikaanse soldaat die tijdens de oorlog in de streek de zware gevechten meemaakte, kwam onlangs nog eens binnengesprongen. “Nothing has changed”, riep hij terwijl hij de ster fixeerde. En inderdaad: er is weinig veranderd in de Majestic sinds Bèbbe, de moeder van Griet, in 1935 de tap voor het eerst liet lopen. De eenvoudige vetplanten voor het raam zijn nieuw en de toog dateert van 1962, toen Griet de zaak overnam. De kappersstoel, die destijds in de hoek op een verhoogje stond en waarin Lom, de broer van Griet, de klanten kortwiekte, is verdwenen. Ook de houten plank met gat en de in repen gesneden kranten die het wc-papier moesten vervangen en die volgens de wat oudere klanten “letters in de onderbroek” bezorgden, werden meer dan tien jaar geleden vervangen door een moderne pot en zacht papier. Maar voor de rest bleef het café authentiek. Opvallend sober is de gelagzaal. Er hangen slechts twee affiches: een geel-zwarte voor een verkoop en een witte met de aankondiging van de volgende thuismatch van Vlijtingen VV. “Wat zou ik hier meer moeten ophangen voor die ‘ouw lui’?”, zegt Griet, die naar eigen zeggen nog nooit bier heeft gedronken. “Ze drinkt ’s nachts”, plagen Naar van Cis Schepers en Pierre van Wem van de Brek haar.
De fietsen voor het raam
Bèbbe had vijf dochters en dat lokte het mansvolk. De fietsen reikten soms van tegen het raam tot het midden van de straat, maar dat was toen nog geen probleem in het landelijke Vlijtingen. Een van die fietsen behoorde toe aan Giel. Op een zondagmorgen fietste hij vanuit Veldwezelt naar Vlijtingen omdat de pastoor een kanarievogel te koop had. Maar de pastoor was net de mis aan het doen, dus ging Giel “ne bok” drinken. Na de mis trok hij met zijn kanarie terug naar de Majestic. En daar is hij eigenlijk nooit meer echt weggegaan. Griet en Giel hebben geen kinderen, tenzij je de klanten meetelt. Die worden in de watten gelegd. “Ge krijgt alles wat hij in stock heeft”, zegt André van Mariëtte van de dikke Nele. Die “stock” bestond vroeger onder meer uit selders, andijvie en kroezelkolen uit de moestuin. Nu krijgen de klanten van Giel een snee met Herfse kaas, die hij speciaal in het nabijgelegen Wallonië gaat kopen, en soms ook wel eens spek en eieren. In de gelagzaal wordt echter alleen gedronken; wie honger heeft, moet naar de keuken.
Friettechnieker
Veel klanten van de Majestic zijn of waren bijzondere figuren – tenminste, dat zeiden ze zelf. Zo was er “Thieuke de Kantonnier”, die beweerde dat hij een knap bokser was geweest. De andere klanten hingen in het café een op het kerkhof geleende krans onder een foto van Thieuke en schreven erbij: “Thieuke was heel gelukkig. Of ‘Jef Pedal’”. Jef Pedal was een wielertoerist die wel eens langskwam en op zekere dag beweerde dat hij goed accordeon kon spelen. Dat vroeg natuurlijk om een demonstratie. Er werd een accordeon gehaald en Jef slaagde erin het café voor het eerst in zijn geschiedenis tijdens de openingsuren leeg te krijgen. Uit eerlijke schaamte kwam hij daarna nooit meer terug. Nog zo’n figuur was “Marcel de Friettechnieker”, een man die vroeger een frituur had en altijd opnieuw uitlegde hoe je de beste frieten moest maken.
Kaarten, pintjes en gendarmen
De klanten komen naar de Majestic om te kaarten. Elke avond zitten er drie tafels te kwajongen, een pintje te drinken en te “zeiveren”. Behalve op zondag. Dan komt na de hoogmis de “boerenkliek” om de problemen van de stiel te bespreken. Problemen zijn er in de Majestic nooit geweest. Toch moest de rijkswacht af en toe langskomen om orde op zaken te stellen. Zo zorgde een akkefietje tussen twee klanten die duidelijk boven hun theewater waren voor een uit de hand gelopen situatie. Het slachtoffer belde de gendarmen, die op dat moment in de Voer andere katten te geselen hadden. Alles was al lang vergeten toen de mannen van de wet ongeveer een halfuur later alsnog kwamen vragen wat er precies scheelde. “Gelukkig hebben we ze met een paar ‘bokken’ kunnen paaien,” lacht Giel. Zo bleef Café Majestic wat het altijd geweest was: een eenvoudig dorpscafé waar nauwelijks iets veranderde, waar Griet na het tappen tussen haar klanten kroop, waar verhalen sterker werden naarmate de avond vorderde en waar de vaste klanten hun vertrouwde plaats rond de ster in het midden vonden. Een café tussen kerk en kerkhof, tussen leven en dood, maar bovenal een plaats waar het oude Vlijtingen nog tastbaar aanwezig was.
X
LANAKEN - STATION 1985
LANAKEN - DE SPAR WINKEL VAN MARIA EURLINGS-FRANSSEN, EEN DORPSWINKEL UIT DE JAREN VIJFTIG
Na de Tweede Wereldoorlog veranderde ook het uitzicht van onze dorpswinkels. De tijd waarin veel kruideniers hun waren nog los uit bakken, tonnen, zakken en grote voorraadbussen verkochten, begon langzaam te verdwijnen. Steeds meer fabrikanten brachten hun producten kant-en-klaar verpakt op de markt. Merken als Spar, Fort en Limburgia werden vertrouwde namen achter de winkelruit en op de schappen. Een mooi tijdsbeeld daarvan zien we op deze foto's van de Sparwinkel in de Stationsstraat. Achter de typische bakstenen gevel, met het grote rood-witte Spar-embleem boven de etalage, bevond zich een echte buurtwinkel zoals er in de jaren vijftig nog zoveel waren. De grote etalageruit werd zorgvuldig ingericht om voorbijgangers te verleiden binnen te stappen. Binnen was vrijwel iedere beschikbare centimeter benut. De schappen stonden van onder tot boven gevuld met dozen, blikken, pakken en bokalen. We herkennen onder meer Persil, Omo, Dreft en Fort: merknamen die in vele huishoudens van die tijd een vaste plaats begonnen te krijgen. Achter de toonbank stond mevrouw Maria Eurlings-Franssen. Op de prachtige interieurfoto zien we haar tussen haar koopwaar, gekleed in haar werkschort, met voor haar de snijmachine en de uitgestalde voedingswaren. Het was nog de tijd waarin de winkelierster haar klanten persoonlijk kende, de boodschappen bijeenzocht en vleeswaren en andere producten ter plaatse afwoog of afsneed. Een bezoek aan de winkel was dan ook meer dan alleen boodschappen doen. Er werd nieuws uitgewisseld, een praatje gemaakt en men wist vaak precies wat de vaste klant nodig had. Maria Eurlings-Franssen moet bovendien een bijzonder goede winkelierster zijn geweest. In de jaren vijftig werd zij vanwege haar omzet door de firma Limburgia letterlijk „in de bloemetjes gezet” als modelwinkelierster. Een mooie erkenning voor een vrouw die achter haar toonbank lange dagen maakte en mee het gezicht van de plaatselijke middenstand bepaalde. Naast haar werk in de Sparwinkel was Maria ook elders bedrijvig. Volgens de bewaard gebleven documentatie baatte zij in de Bessemerstraat een zaadhandel annex specerijenwinkel uit. Daarmee behoorde zij tot die generatie zelfstandige middenstanders voor wie werken, handel drijven en persoonlijk contact met de klant haast vanzelfsprekend met elkaar verbonden waren. De foto's vertellen ondertussen nog veel meer dan alleen het verhaal van één winkel. Ze tonen een periode waarin het winkelen fundamenteel aan het veranderen was. De oude buurtwinkel bleef nog bestaan, maar de moderne merkproducten rukten op. De houten schappen en persoonlijke bediening stonden naast kleurrijke verpakkingen en reclame van steeds grotere firma's. Het was eigenlijk de overgang van de traditionele kruidenier naar de moderne zelfbedieningswinkel en supermarkt die enkele jaren later het straatbeeld steeds sterker zou gaan bepalen. Wie vandaag naar deze volle winkelrekken kijkt, krijgt bijna vanzelf heimwee naar een verdwenen wereld. Geen eindeloze gangen of anonieme kassa's, maar een kleine winkel waar de vrouw achter de toonbank nog wist wie er binnenkwam. De Sparwinkel in de Stationsstraat was zo'n plaats: een winkel, een ontmoetingspunt en een stukje dagelijks dorpsleven tegelijk. Het gebouw zelf bleef bestaan, maar kreeg later een andere bestemming. Waar ooit de Sparwinkel gevestigd was, bevond zich volgens de bij de foto's bewaarde beschrijving later de Melrose. De winkel verdween, de tijd veranderde en ook de manier waarop mensen hun dagelijkse boodschappen deden zou nooit meer dezelfde worden. Wat rest zijn deze bijzondere beelden: de statige bakstenen gevel met het Sparbord, de rijkgevulde etalage en vooral Maria Eurlings-Franssen achter haar toonbank, omringd door de producten van haar tijd. Geen opgevoerd tafereel uit een museum, maar een blik op het echte dagelijkse leven van de jaren vijftig – toen de winkel om de hoek nog een naam, een gezicht en vooral een verhaal had.
X
vrijdag 21 augustus 2026
LANKLAAR (TOEN LANKLAER) - HET VIERVELD
Een prachtig beeld uit het oude Lanklaer, toen het Vierveld nog een landelijke uithoek was van akkers, weilanden, bomenrijen en enkele grote hoeven. De oude verbinding hier liep vanuit het Maasland richting de Kempen en Genk. Het Vierveld lag in de omgeving van de Zuid-Willemsvaart, waar ook een veerpont voor de oversteek zorgde. Op de foto lijkt de tijd haast stil te staan: een onverharde weg verdwijnt tussen de bomen, terwijl een vrouw vanuit de deuropening van de grote bakstenen hoeve naar buiten kijkt. Geen auto's, geen druk verkeer — alleen het rustige landelijke Lanklaer van weleer. Het Vierveld zou later sterk veranderen. De bekende hoeve verdween uiteindelijk bij de aanleg van het industrieterrein; bronnen vermelden dat zij in 1972 werd afgebroken. Daarmee verdween een stukje van het oude agrarische landschap dat ooit zo kenmerkend was voor deze omgeving.
PS: Op de postkaart stond Het Vierfeld, maar de originele naam is en was Het Vierveld.
X
BOORSEM - WANDELSTRAAT JAREN '70
De Wandelstraat ligt in het oude centrum van Boorsem, niet ver van de Zuid-Willemsvaart. Dat kanaal is hier al bijna twee eeuwen een bepalend element in het landschap. De Zuid-Willemsvaart werd tussen 1823 en 1826 uitgebouwd tot de belangrijke vaarverbinding tussen Maastricht en ’s-Hertogenbosch. De omgeving van de Wandelstraat behoort tot het hoger gelegen gedeelte van Boorsem, van oudsher bekend als de Hoge Geis. Dat die naam werkelijk verbonden is met een natuurlijke hoogte in het dorp blijkt ook uit de oude geschiedenis van de Sint-Joriskerk. Bij de keuze van een plaats voor de kerk moest rekening worden gehouden met de regelmatige overstromingen van het Maasland. In de historische beschrijving wordt zelfs uitdrukkelijk vermeld dat men de kerk uiteindelijk niet op de Hoge Geis bouwde. Dat hoogteverschil was vroeger veel belangrijker dan we vandaag misschien denken. Boorsem lag immers in het landschap van de Maas, met oude Maasarmen, de Ziepbeek en lager gelegen gronden die bij hoogwater kwetsbaar waren. De Hoge Geis vormde een natuurlijk hoger en droger gedeelte van het dorp. Archeologisch onderzoek bevestigt dat Boorsem in een landschap ligt dat sterk gevormd werd door water, bodem en reliëf; vlak ten westen van het dorp loopt bovendien de Zuid-Willemsvaart. In de jaren ’70 had de Wandelstraat nog veel meer het uitzicht van een oude landelijke dorpsstraat. De bebouwing was minder dicht dan tegenwoordig en tussen de woningen lagen tuinen, erven, weiden en open stukken grond. Vanaf de hoger gelegen omgeving liep het landschap in de richting van de Zuid-Willemsvaart. Het kanaal, zijn oevers en de passerende schepen maakten toen nog nadrukkelijk deel uit van het dagelijkse leven. Ook de straatnaam vertelt iets over het verleden. De huidige Wandelstraat werd omstreeks 1949 nog Geeststraat genoemd en daarvoor of daarnaast komt ook Hoogstraat voor. Die oude benamingen passen mooi bij het beeld van dit hoger gelegen deel van Boorsem. De Wandelstraat in de jaren ’70 was dus een stukje van het oude Boorsem waar het landschap nog goed leesbaar was: de Hoge Geis als hoger gelegen dorpsgrond, de lagere Maasgronden verderop en vlakbij de Zuid-Willemsvaart. Een omgeving waar dorp, landbouw en kanaal nog veel sterker met elkaar verweven waren dan vandaag.
X
donderdag 20 augustus 2026
REKEM (TOEN RECKHEIM) STEENWEG TRAM STILSTAND ANNO 1920 (RECONSTRUCTIE)
Rond 1920 was Rekem, op oude prentkaarten nog aangeduid als Reckheim, er heel anders uit dan vandaag. Langs de Steenweg lagen huizen en boerderijen nog tussen hagen, bomen, akkers en weiden. Het verkeer was schaars. Auto’s waren in deze landelijke omgeving nog een zeldzaamheid en het dagelijkse straatbeeld werd vooral bepaald door voetgangers, fietsers, paard en kar en het vee dat naar of van de weide werd gebracht. Een opvallende verschijning was de stoomtram. Rekem lag aan het Limburgse buurtspoorwegennet dat uiteindelijk de verbinding vormde tussen Tongeren, Lanaken en Maaseik. Dat Rekem werkelijk een halte op deze verbinding was, blijkt ook uit latere officiële dienstregelingen: tussen Lanaken en Maaseik worden achtereenvolgens Rekem, Mechelen, Eisden, Leut en Dilsen vermeld. Wanneer de tram puffend tot stilstand kwam, bracht hij even leven op de Steenweg. Reizigers stapten uit, anderen stonden klaar om hun plaats in een van de houten rijtuigen te zoeken. We kunnen ons hier een chique gekleed koppel voorstellen: de heer in kostuum en hoed, de dame in een lange jurk met haar parasol in de hand. Voor mensen die verder moesten reizen betekende de buurttram een enorme vooruitgang. Niet alleen reizigers, maar ook bagage en goederen vonden via het buurtspoor hun weg tussen de dorpen en steden. Het goederenvervoer vormde zelfs een belangrijk onderdeel van de exploitatie van de Limburgse tramlijnen. En toch bleef het oude landelijke leven gewoon naast die moderne stoomtram bestaan. Terwijl de locomotief siste en een wolk stoom boven de rijtuigen hing, kon een oude boer rustig met zijn os over de Steenweg lopen. Voor hem was er geen haast. De brede weg behoorde nog niet toe aan een onafgebroken stroom auto's. Mens, dier, kar en tram deelden dezelfde omgeving. Ook het landschap was veel groener en opener dan tegenwoordig. Hagen begrensden erven en akkers, grote bomen stonden dicht bij de weg en achter de bebouwing begon al snel het landbouwgebied. De huizen stonden minder aaneengesloten en het huidige drukke wegverkeer bestond eenvoudigweg nog niet. Zo moet Rekem omstreeks 1920 een bijzondere mengeling van twee werelden zijn geweest: de oude boer met zijn os en enkele meters verder de stoomtram, het moderne vervoermiddel van zijn tijd. Een elegant koppel stapt op voor de reis, de machinist houdt zijn tram in het oog en daarna klinkt opnieuw het puffen van de locomotief. Even later rijdt de tram verder richting Lanaken of Maaseik en keert de rust terug op de Steenweg. Alleen de boer en zijn os wandelen onverstoorbaar verder door het groene Reckheim van honderd jaar geleden.
X
BOORSEM UIKHOVEN - DUITSE KRIJGSGEVANGENEN WORDEN AFGEVOERD LANGS DE ZUID-WILLEMSVAART WOII
Deze informatie is gebaseerd op Amerikaanse militaire verslagen over Task Force Stokes, de 2nd Armored Division en het 99th Infantry Battalion, aangevuld met andere onafhankelijke historische bronnen.
Boorsem en Uikhoven – september 1944
In september 1944 ging de geallieerde opmars door Belgisch Limburg razendsnel. De Amerikaanse 2nd Armored Division – “Hell on Wheels” bereikte rond het midden van september het Maasland. Daarbij ontstond een militair probleem: tussen de Zuid-Willemsvaart en de Maas lag een lange, smalle strook waarin nog Duitse troepen aanwezig waren. Zolang die niet waren uitgeschakeld, konden zij de linkerflank van de Amerikaanse opmars bedreigen. Daarom werd een speciale gevechtsgroep gevormd onder luitenant-kolonel William M. Stokes Jr.: Task Force Stokes. Tot deze strijdmacht behoorden onder andere het 99th Infantry Battalion (Separate) en tanks en andere onderdelen van de 2nd Armored Division. Op 16 september 1944 begon de eigenlijke operatie om de corridor tussen kanaal en Maas schoon te vegen. Een dag later, 17 september, vonden volgens het Amerikaanse gevechtsverslag drie belangrijke gevechten plaats: bij Uikhoven, Boorsem en Kotem — in Amerikaanse documenten geschreven als Uykhoven, Boorsheim en Cothem. Vooral Uikhoven bood stevige tegenstand. De Amerikanen noteerden dat daar jonge Duitse Luftwaffe-militairen waren ingezet als grondtroepen. Hun verdedigingsstellingen waren voornamelijk naar het westen gericht. Amerikaanse tanks en infanterie wisten deze posities vanuit het zuiden te omtrekken en vervolgens te overweldigen. Daarbij werd ook een aanzienlijke hoeveelheid Duits materieel buitgemaakt. Vervolgens werd de operatie richting Boorsem en Kotem voortgezet. De Amerikanen verdeelden hun eenheden: delen van het 99th Infantry Battalion en het 66th Armored Infantry Regiment trokken op om beide dorpen en de belangrijke vernauwing van de corridor bij Mechelen-aan-de-Maas veilig te stellen. Het Amerikaanse verslag benadrukt dat die vernauwing snel moest worden bezet. Als terugtrekkende Duitse eenheden zich daar opnieuw hadden kunnen ingraven, had dat de Amerikaanse opmars aanzienlijk kunnen vertragen en waarschijnlijk meer slachtoffers veroorzaakt. Dat maakt de Duitse krijgsgevangenen op uw foto interessant. Het beeld past uitstekend binnen deze gebeurtenissen van 16–18 september 1944: Duitse militairen die na het opruimen van de weerstand in de streek Boorsem–Uikhoven onder bewaking langs de Zuid-Willemsvaart worden afgevoerd. De exacte dag en plaats waar de fotograaf stond zou ik zonder originele fotobijschrift of archiefnummer niet als absoluut bewezen voorstellen, maar 17 september 1944 is op basis van de gevechtsverslagen een zeer aannemelijke datering. Het was bovendien onderdeel van een grotere militaire operatie. De officiële Amerikaanse geschiedenis beschrijft dat Task Force Stokes in ongeveer drie dagen negen mijl oprukte en daarbij Duitse onderdelen van de 176th Infantry Division terugdrong of uitschakelde. Nadat het gebied was gezuiverd, bleven de mannen van het 99th Infantry Battalion achter om de sector te bewaken en verbinding te houden met de Britse troepen aan de andere zijde van de operationele grens.
X
woensdag 19 augustus 2026
GENK - OPBOUW FORD (FOTO 1963)
KIENEN, MET BUSSEN VOL NAAR SMEERMAAS "CARLTON" (ARTIKEL UIT NEDERLAND)
Ze zit aan een van de lange, ruwhouten tafels in een soort reusachtige stenen schuur. Aan de lage zoldering neonlampen in kermiskleuren – rood, geel, groen. Het is tjokvol in het pretpaleis. We bevinden ons te Smeermaas, in België, vlak bij Maastricht – de bus doet er een kwartiertje over. Dit is het dus: het befaamde kiencentrum Carlton, trekpleister voor Zuid-Limburgers die er avond aan avond met bussen worden aan- en afgevoerd.
'Vannacht heb ik ervan gedroomd. Ik riep dat ik "kien" had. Toen werd ik wakker.' De Maastrichtse die ervan had gedroomd, is een van de vele honderden, misschien wel duizend. De weduwe Leida van Lieshout is 78. ''s Zondags komen de kinderen, maar door de week ga ik elke dag naar Smeermaas; kienen.' Wat blijft er immers over? 'Ik ben maar alleen; ik heb anders niets.' Zo, met een thermosfles vol koffie en een pakje boterhammen, pakt ze 's middags de bus en om een uur of half vijf doet ze al haar blijde intrede. Dan ontmoet ze daar de geestverwanten: middelbare en meer dan middelbare dames, die zich eendrachtig en hoopvol aan de lange tafels scharen, de knip openen en met een teder gebaar pasmunt voor zich stapelen – een omvangrijke uitstalling van losse centen. Iemand tovert uit een reticule een beduimeld spel kaarten tevoorschijn; het feest kan beginnen. Zo kaarten ze om geld, en om de oude dag wat gezellig door te komen. En als straks het grote spel losbarst, hebben ze een mooie plaats. Eigenlijk is Carlton een dancing. 's Zaterdags en 's zondags speelt er een bandje. Gekiend wordt er alleen op dinsdag, woensdag en vrijdag. Op de avonden waarop er in die broeikas gedanst wordt, heeft een ander plaatselijk etablissement – van B. Geelen – zijn poorten voor de kieners geopend. Zo verdeelt men er de geachte clientèle in pais en vree. De grote man van Carlton is een uitgekiende Nederlander: M. Boele, die als nachtclubeigenaar in Maastricht enige jaren geleden de bakens naar Smeermaas verzette – het heeft hem geen windeieren gelegd. Intussen druppelen de eerste kieners het walhalla binnen; wat oudere mannen, maar vooral niet meer zo jeugdige dames. Bij de ingang stuiten zij op een forse Belg. Boeles zetbaas en uitbater Jean Weytjens-Theunis, die een bak met kaarten koestert. Daar komen de gegadigden op af als vliegen op honing. Het is duidelijk: dit zijn connaisseurs, lieden die de kneepjes van het edele kienspel kennen. Dat blijkt uit alles: de blik waarmee zij het strijdtoneel overzien. Eén kaart kost 42 frank of 3 gulden (dinsdag 2 gulden). Je kunt er de hele avond op spelen. De meesten kopen er méér. Velen nemen er zelfs vijf. Dat gaat dan met een uitvoerige ceremonie gepaard. Want alle kaarten van een speler worden door hem haarfijn vergeleken om zoveel mogelijk te voorkomen dat eenzelfde getal op meer van zijn kaarten staat: dat zou de kans op 'kien' verlagen. Het is nu zeven uur. Het eerste plukje heeft reeds de boterhammen en de koffie uit de thermosflessen soldaat gemaakt. Er wordt druk frietjes gegeten. Dan komen de bussen. Het zijn er acht. Vijftig man per bus; ze hebben de cliënten alom in Zuid-Limburg opgehaald. Gratis – service van Carlton, dat daarvoor het Valkenburgse reisbureau Het Zuiden heeft ingeschakeld. Reisbureaudirecteur E. Spauwen is zelf meegekomen – néé, niet om te kienen, maar om te laten kienen. 'We brengen ze weer netjes gratis thuis ook, elke avond. Velen zijn vaste klant.' Jean Weytjens-Theunis zegt het onomwonden: 'Negentig percent van onze kieners zijn Nederlanders. Nederlanders gokken nu eenmaal liever dan Belgen, misschien wel omdat 't in Nederland niet mag.' Veel tijd heeft hij nu niet – in dichte drommen komen de autobusklanten opzetten. Kaarten kiezen is er nu niet meer bij. Het is nu een kwestie van nemen wat je krijgen kunt. De kaarten vliegen weg – honderden, duizenden. Een hele industrie drijft erop – fabriekjes die niets anders doen dan de spullen fabriceren waar ze hier om kienen. Zoals elke avond zijn er weer vijftig surprises. Ze staan allemaal op het podium van de reusachtige ruimte, die nu snel volloopt. We zien er dekens, poefs, droogkappen, hang- en schemerlampen, gitaren, tafels, stoelen, krantenbakken, bedspreien, kameelzadels, koperen kannen, fietsen, taboeretjes, tapijten en noem maar op.
ZONDAGSGELD
We schuiven aan: de schuur is vol en warm. Nog vijf minuten. Onze rechterbuurman is een 57-jarige chauffeur uit Maastricht, H. Roosevelt; hij heeft drie kaarten – negen gulden – voor zich. 'Ik doe 't al drie jaar, drie vaste avonden in de week. Ik heb niets anders te doen. Ik geef er m'n zondagsgeld aan. Ik rook niet, ik drink niet, ik doe niets – mag ik dan alsjeblieft? Er zijn er die, als ze niets gewonnen hebben, met zo'n gezicht naar huis gaan.' Hij houdt een hand onder de kin ter hoogte van de borst. 'Ik heb er in al die tijd dertien fietsen, zes spreien, zes vloerkleden en ik weet niet hoeveel schemerlampen uitgesleept. Dat heb ik allemaal aan m'n kinderen gegeven toen ze trouwden. Er is hier al twee keer een auto als prijs geweest. Toen moesten ze er een tent bijbouwen – zóveel liefhebbers waren er. En er is ook al twee maal een pony uitgegaan. Verder ameublementen, radio's, grammofoons e.d.' Obers in witte jasjes zeulen met drank en slaatjes en er is een man die voor twee kwartjes zakjes met fiches verkoopt. Daarmee kun je op je kaart de getallen bedekken die door de man op het podium worden afgeroepen. Iedereen kent hem. Matthieu zit daar, te midden van de surprises, aan een tafeltje achter een microfoon. Op het tafeltje ligt een soort dambord waarop de getallen van 1 tot 91 zijn vermeld en er staat een sigarenkistje met 90 genummerde, ronde houten schijfjes. Zo dadelijk zal Matthieu de doos gaan schudden en er telkens een schijfje uitnemen. Dan zal hij het nummer door de microfoon roepen en het schijfje op hetzelfde getal op het bord leggen. En in de zaal zullen de spelers dan dit getal op hun kaart met een fiche of een cent bedekken, net zo lang tot iemand een volle kaart heeft, ten teken waarvan de gelukkige dan in opperste vervoering uitschreeuwt: 'Kien!' – het heuglijke sein dat hij – na controle van de nummers op zijn kaart – met de surprise gaat strijken. Onze frieten consumerende overbuurvrouw, mevrouw Hubertina Vlugger, 35 jaar en ook al uit Maastricht – 'Mijn man houdt van voetballen en ik van kienen, ieder het zijne; hij heeft nu toch nachtdienst' – haalt omzichtig een (geluks)beeldje van de Heilige Gerardus uit haar met een natje en een droogje volgestouwde boodschappentas en zet dat op tafel bij haar kaarten. Er ligt reeds een medaille bij, óók met een heilige. Ze zegt: 'Van de 500 die hier komen, zijn er 400 die zo'n medaille hebben. Dat brengt geluk.' Haar woorden vinden veel instemming aan onze tafel, waar de Maastrichtse heer W. Janssen en zijn zoons Harry en Theo ook druk met heiligen aan het manipuleren zijn. Een blik in de propvolle zaal leert ons ook dat er aardig wat plaatjes met heiligen steels onder de kaarten worden geschoven – je kunt immers nooit weten. Baat 't niet, schaden zal 't ook wel niet.
KNEUTERIG
Het is nu op slag van achten. Matthieu roept iets onverstaanbaars in de microfoon. Het geroezemoes houdt op. De buurman stoot ons met zijn elleboog aan, gespannen fluisterend: 'Let op, we gaan beginnen.' Het is doodstil, iedereen lijkt in trance. 'De eerste surprise: een koperen koffiepot,' roept Matthieu. Dan pakt hij het sigarenkistje en schudt omstandig. Een gerammel van jewelste. Hij haalt er een schijfje uit en roept met luide stem in de microfoon: 'Viefenvieftig', 'Twieëntachentig', 'Viefenzeventig', 'Drei'. Tot er iemand triomfantelijk schreeuwt: 'Kien!' Dan stijgt er een massale zucht van teleurstelling op – de ontlading van een geprangd gemoed. Zo gaat het de ganse avond door: het monotone opdreunen van getalletjes in de microfoon. Het kneuterige gerammel van het sigarenkistje. De opgewekte kreet: 'Kien!', onverwijld gevolgd door een besmuikt ach-geroep van teleurgestelden – de tijd vliegt om en het wordt kaal op het podium. Pauze. De kieners verdringen zich in de hal, waar de uitbater hun kaarten ruilt. Het loopt storm: velen verwachten meer heil van andere kaarten. Het (bij)geloof is onbegrensd met zoveel heiligen. 'Maar naar de kerk gaan ze niet,' sneert Jean Weytjens-Theunis. Hij verhaalt hoe bona fide de zaak is: 'We betalen 7 percent tax. Elk artikel in ons register wordt uitgekiend, of er nu veel of weinig mensen zijn. Soms, als er weinig zijn, moeten we er flink op toeleggen. We kunnen er zo'n duizend hebben. Ook beneden, ga maar eens kijken.' We begeven ons naar een kelder, waar ze ook tafel aan tafel zitten. Het is er nog benauwder dan boven. Ook hier kun je de rook snijden. Het doet pijn aan de ogen. Uitwassen? De uitbater: 'Er zijn heel wat vrouwen die 's morgens de krant rondbrengen om 's avonds te kunnen kienen. Maar niet voor de kieners is het 't grootste gokspel, doch voor ons. Want wij riskeren een grote strop als er weinig volk is.' Maar daar ziet het niet naar uit, want zó groot is de klandizie, dat het Gemeentelijk Autobussenbedrijf Maastricht zelfs een extra bus laat lopen om de spelers 's avonds laat uit Smeermaas op te halen.
GOEIE GELD
Een paar maanden geleden vroegen Tweede-Kamerleden aan de minister van Justitie het kienen in Nederland toe te laten, want in Limburg doet haast iedereen 't, zij het dan op kienavondjes van besloten clubs, zoals fanfares en voetbalverenigingen, die hun kas willen spekken. Hoe gunstig zou het voor hun kas niet zijn als iedereen eraan zou kunnen meedoen. Daarom, minister, laat het kienen vrij! Maar zij kregen nul op het rekest. Zo moeten de verenigingen in Limburg zich in allerlei bochten blijven wringen om zoveel mogelijk zieltjes bijeen te krijgen voor het edele kienspel in besloten kring. Dat die beslotenheid daarbij wel eens in het gedrang komt, weet héél Limburg. En om van alle juridische haarkloverijen af te zijn, tijgt men daarom elke avond met zijn goeie geld in drommen naar Smeermaas, waar gekiend wordt bij het leven.
X
dinsdag 18 augustus 2026
BOORSEM - PASTORIE SINT-JORISPAROCHIE
Op deze mooie opname uit de jaren ’70/’80 zien we de statige pastorie van de Sint-Jorisparochie in Boorsem. Achter het lage bakstenen muurtje ligt een gebouw dat al sinds de achttiende eeuw deel uitmaakt van het dorpsbeeld en dat nauw verbonden is met de geschiedenis van de Sint-Jorisparochie.
De pastorie werd gebouwd in 1787, kort nadat E.H. Franciscus Hubertus de la Croix pastoor van Boorsem was geworden. Hij was hier pastoor van 1784 tot 1805. Dat De la Croix daadwerkelijk betrokken was bij de bouw, kan ook met een historische bron worden gestaafd. In een akte uit 1787 staat dat pastoor Franciscus Hubertus De la Croix 3.000 gulden leende tegen 4 procent rente, waarbij uitdrukkelijk werd vermeld dat het geld bestemd was voor de heropbouw van de pastorie van Boorsem, gelegen bij de parochiekerk.
De pastoor liet bovendien letterlijk zijn naam in het gebouw achter. Boven de voordeur bevindt zich nog altijd de kalkstenen gevelsteen met het opschrift:
F.H. DELACROIX
PASTOR
IN BOERSHEIM
1787
Het oude Boersheim verwijst vanzelfsprekend naar Boorsem. Ook het bouwjaar 1787 werd in het dak verwerkt, samen met een kruis. Dat kruis kan eenvoudig een christelijk symbool zijn, al is de gedachte verleidelijk dat het tevens een verwijzing vormde naar de familienaam De la Croix, letterlijk van het kruis. Voor die laatste verklaring is echter geen historische bevestiging bekend.
Architecturaal is het gebouw bijzonder waardevol. De pastorie is opgetrokken in Lodewijk XVI-stijl en telt vijf traveeën en twee bouwlagen onder een groot zadeldak met Vlaamse pannen. De bakstenen gevel, de hoge vensters met hun omlijstingen, de kalkstenen deuromlijsting en de sierlijke smeedijzeren muurankers geven het huis zijn voorname maar toch sobere achttiende-eeuwse uitstraling. Zelfs de achtergevel werd vrijwel identiek uitgevoerd.
De betekenis van het gebouw werd later officieel erkend. Op 18 juli 1980 werd de pastorie beschermd als monument. Ook haar onmiddellijke omgeving werd diezelfde dag beschermd als dorpsgezicht wegens haar historische waarde.
Wie deze foto uit de jaren ’70/’80 bekijkt, ziet dus veel meer dan een mooi oud huis achter een tuinmuur. Men kijkt naar een stukje Boorsem dat teruggaat tot 1787, toen pastoor De la Croix hier zijn nieuwe pastorie liet bouwen. Meer dan twee eeuwen later herinneren zijn naam boven de deur, het jaartal in het dak en de oude bakstenen muren nog altijd aan die periode.
Een stille getuige van het oude Boorsem, waar bijna 240 jaar dorps- en parochiegeschiedenis in de stenen bewaard is gebleven.
X
maandag 17 augustus 2026
LANAKEN (TOEN LANAEKEN) STATIONSSTRAAT (TOEN STATIESTRAAT) 1910
We schrijven omstreeks 1910. De Statiestraat van het toenmalige Lanaeken vormde stilaan een van de belangrijkste verkeersaders van het dorp. Waar deze omgeving tot ver in de 19de eeuw nog vrij schaars bebouwd was, ontwikkelde de straat zich geleidelijk tot een echte hoofdstraat. Volgens de historische inventaris maakte ze deel uit van de oude Route de Tongres à Maeseyck, de belangrijke verbinding tussen Tongeren en Maaseik.
Op deze reconstructie zien we nog het rustige Lanaeken van vóór de Eerste Wereldoorlog. Statige bakstenen burgerhuizen staan langs een straat die nog ver verwijderd is van het latere autoverkeer. Boven de daken verheft zich de kerktoren, eeuwenlang het herkenningspunt van het dorpscentrum. De Statiestraat vormde samen met de latere Koning Albertlaan de centrale as waarrond het oude Lanaken verder zou groeien.
Bijzonder beeldbepalend zijn de tramsporen die door de straat lopen. Lanaken lag aan de belangrijke weg Tongeren–Maaseik, waarover ook het buurtspoorwegverkeer zijn weg vond. Dat maakte de Statiestraat rond 1910 niet alleen een woonstraat, maar ook een verbinding waar reizigers, handelaars, boeren en goederenvervoer elkaar ontmoetten. De aanwezigheid van het tramspoor in deze omgeving is historisch gedocumenteerd.
De naam Statiestraat was bovendien niet toevallig gekozen. Verderop bevond zich het station van Lanaeken aan de spoorverbinding Hasselt–Maastricht. Het oorspronkelijke stationsgebouw dateerde al van omstreeks 1850 en onderstreepte het groeiende belang van Lanaken als verkeersknooppunt tussen Belgisch Limburg en Maastricht.
Toch bleef Lanaeken in 1910 in wezen nog een landelijke gemeente. Het grote verkeer, de industrie en de sterke uitbreiding van de bebouwing moesten grotendeels nog komen. De straat kende daardoor een merkwaardige mengeling van vooruitgang en dorpsrust: spoor en tram waren reeds aanwezig, terwijl paard en kar en voetgangers nog tot het dagelijkse straatbeeld behoorden. Pas in de loop van de 20ste eeuw zou Lanaken zijn uitgesproken landelijke karakter steeds meer verliezen.
Deze Statiestraat van omstreeks 1910 toont ons Lanaeken op een kantelpunt in zijn geschiedenis: een oud Maaslands dorp dat voorzichtig de moderne tijd binnenreed. De rails lagen er al, maar het leven volgde nog het rustige ritme van een dorp waarin bijna iedereen elkaar kende.
Een stille Statiestraat, een kerktoren boven de daken en twee glimmende tramrails die naar de verte verdwijnen — Lanaeken, toen de nieuwe eeuw nog maar pas begonnen was.
BOORSEM ROND DE JAREN '50
De emmer in zijn hand en de sporen op zijn werkkleding doen vermoeden dat we hier met een handarbeider of ambachtsman te maken hebben. Zijn precieze beroep kunnen we uit de foto alleen niet met zekerheid bepalen. Dat maakt het beeld echter niet minder waardevol. Integendeel: het toont juist het dagelijkse leven dat vroeger zo vanzelfsprekend was dat het zelden werd vastgelegd. Opvallend is vooral zijn ontspannen houding. Even weg van het werk kijkt hij glimlachend naar de fotograaf. Het gewone Boorsem van weleer, gezien door de ogen van iemand die er zelf deel van uitmaakte. Een eenvoudig beeld misschien, maar juist zulke foto's vertellen vaak het mooiste verhaal in een tijd waarin het dagelijkse dorpsleven nog een heel ander ritme kende.
X
KOTEM HAL - DR. SMEETS MET KOETS EN PAARD IN DE JAREN '20
BOORSEM AAN DE ZUID-WILLEMSVAART ANNO 1920
Een rustig stukje Boorsheim, zoals Boorsem destijds werd genoemd, omstreeks 1920. In de verte prijkt boven het groen de torenspits van de Sint-Joriskerk. Op de voorgrond zien we een oude draaibrug over de Zuid-Willemsvaart, gelegen tussen het hedendaagse Monnikhof en de huidige brug van Boorsem. Deze lage bruggen werden nog volledig met de hand opengedraaid wanneer een schip moest passeren. Bij de brug woonde daarom een brugdraaier of brugwachter, die dag en nacht in de nabijheid van zijn brug moest blijven. Het brugwachtershuis deed hier tevens dienst als café. Voor het gebruik van dergelijke overgangen kon tol of bruggeld worden geheven. Een van de laatste brugwachters hier was Nicolaas Bernard-Brems uit Stokkem (1870–1938). Wie in die tijd bepaalde goederen of vee vervoerde, moest bovendien over de nodige vervoersdocumenten beschikken. Zo'n bewijs werd een passavant genoemd, in de plaatselijke volksmond verbasterd tot het mooie Maaslandse “pazze-vang”.
X
BOORSEM CAFÉ-RESTAURANT W. LEENDERS-CLAESSENS ANNO 1920
Langs de toenmalige Groote straat in Boorsem stond dit statige herenhuis, waarin Café-Restaurant W. Leenders-Claessens gevestigd was. Wie vanuit de Kosterstraat kwam, keek vrijwel recht tegen het imposante gebouw aan. Met zijn donkere bakstenen gevel, hoge ramen en siermetselwerk moet het destijds een opvallende verschijning in het dorp zijn geweest. Later kreeg het herenhuis een heel andere bestemming. Het werd een voedingszaak, die bij vele inwoners bekend zou worden onder de naam Emerence. Ook de straatnaam veranderde doorheen de tijd. De vroegere Groote straat, later geschreven als Grotestraat, droeg vóór de gemeentelijke fusie een tijdlang de naam Broekstraat. Bij de fusie met Maasmechelen in 1976 werd de straat opnieuw Grotestraat genoemd en veranderde ook de huisnummering. Hoelang precies de benaming Broekstraat in gebruik is geweest, is voorlopig niet bekend. Een gebouw dat vandaag misschien gewoon deel lijkt uit te maken van het vertrouwde straatbeeld, maar waarvan de muren nog herinneren aan een tijd waarin hier, meer dan een eeuw geleden, het dorpsleven binnenstapte bij W. Leenders-Claessens.
X
zondag 16 augustus 2026
MOLENAAR MARTINUS GIELEN - EEN LEVEN TUSSEN WIND EN GRAAN
Op de foto zien we Martinus (Martin) Gielen, de man die jarenlang onlosmakelijk verbonden was met windmolen De Stormvogel in Boorsem, tegenwoordig deelgemeente van Maasmechelen. Gielen werd in 1907 geboren in een echte molenaarsfamilie uit het Nederlandse Wessem. Van de zes zonen in het gezin zouden er maar liefst vijf molenaar worden. Martin leerde het vak op verschillende Limburgse molens voordat hij uiteindelijk in Boorsem terechtkwam. De Stormvogel zelf heeft een veel oudere geschiedenis. Op deze plaats stond eeuwenlang een windmolen; het Windmolenveld van Boorsem wordt al in 1616 vermeld. Nadat de houten molen in 1858 afbrandde, bouwde molenaar Pieter Eyckelberg er datzelfde jaar de stenen bergmolen die de naam De Stormvogel kreeg. Het was een korenmolen waar het graan van de plaatselijke boeren werd gemalen. Martin Gielen kwam er in de jaren dertig terecht. Volgens de Belgische Molendatabase huurde hij de stenen windmolen vanaf 1931. De molen kwam vervolgens in handen van de familie Gielen en Martin Gielen-Joris werd er maalder. Hij moderniseerde het bedrijf onder meer met een elektrische hamermolen van het Maastrichtse merk Lucien Koppen. Zo kon er ook worden gemalen wanneer de wind het liet afweten. Maar Martin bleef bovenal een molenaar van de oude stempel. Graan, meel, jutten zakken, de weegschaal en het voortdurende geluid van het maalwerk bepaalden zijn werkdagen. Boeren uit Boorsem en omgeving brachten hun graan naar de molen en kwamen later hun meel of veevoeder weer ophalen. Het was zwaar en stoffig werk, maar voor Gielen was de molen veel meer dan alleen zijn broodwinning. Toen in 1963 een roede brak, begon voor De Stormvogel een moeilijke periode. De molen werd op 29 mei 1964 als monument beschermd, maar de geplande restauratie bleef jarenlang aanslepen. Martin Gielen verloor uiteindelijk zijn geduld met de administratieve molen. Begin jaren zeventig nam hij zelf het initiatief: hij kocht eiken bomen en vernieuwde onder meer de asbalk, spruitbalken, kap en zolders. In oktober 1973 werd de nieuwe kap op de molen geplaatst. Zijn liefde voor molens ging zelfs nog verder. In 1974 kocht hij ook de standerdmolen Nieuw Leven in Leut en hielp hij die opnieuw in goede staat te brengen. In 1980 kreeg Martin Gielen het zilveren ereteken van Laureaat van de Arbeid. Hij bleef tot op hoge leeftijd bekommerd om zijn molens. Martinus Gielen overleed op 8 januari 1991. Hij wordt beschouwd als de laatste beroepsmolenaar van De Stormvogel. Wat achterbleef was niet alleen een oude molen aan het Molenveld van Boorsem, maar ook het levenswerk van een man die weigerde zijn molen verloren te laten gaan.
De Stormvogel stond voor Martin Gielen niet zomaar in het landschap. Het was zijn werkplaats, zijn broodwinning en uiteindelijk zijn levenswerk — een stukje Boorsemse geschiedenis dat dankzij zijn koppigheid en vakmanschap bewaard bleef.
X
DE KANAALLAAN IN BREE - DE WEG NAAR DE KANAALKOM
Een prachtig beeld uit het oude Bree: een zicht op de Kanaallaan vanaf de Stationswal, in de richting van de kanaalkom. De Kanaallaan was veel meer dan zomaar een straat. Ze vormde de verbinding tussen het centrum van Bree en de Zuid-Willemsvaart en werd aangelegd in het derde kwart van de 19de eeuw. Langs deze weg heerste vroeger geregeld een bedrijvigheid die we ons vandaag nog moeilijk kunnen voorstellen. Paardenkarren, handkarren en later ook gemotoriseerd vervoer brachten goederen en materialen van en naar de kanaalkom. Ook de tram speelde in het vervoer een belangrijke rol. De Zuid-Willemsvaart zelf was al in 1822-1826 aangelegd en aan de kanaalkom van Bree ontwikkelde zich in de 19de eeuw een bescheiden industriegebied. Op oude beschrijvingen van de Kanaallaan wordt links de rijkswachtkazerne vermeld, het gebouw dat later als politiepost dienstdeed. In dezelfde omgeving bevond zich de villa van de familie Janssen. Vooraan links stond het huis Janssen-Wirix, terwijl rechts Hotel-Restaurant Janssen-Driessen lag. De Kanaallaan was daarmee een echte levensader tussen stad en kanaal. Grondstoffen en handelswaar kwamen via het water in Bree aan of vertrokken opnieuw vanuit de kanaalkom. Van daaruit ging het verder met paard en kar, tram of ander vervoer naar handelaars, bedrijven en inwoners in Bree en de omliggende dorpen. En midden in dat alles zien we op deze oude opname een kind rustig op straat staan. Geen druk autoverkeer, geen moderne verkeersinfrastructuur, maar een brede straat met de gevels, handelshuizen en nutsvoorzieningen van een Bree dat langzaam de moderne tijd binnenstapte. Een eenvoudig straatbeeld, maar tegelijk een stille getuige van een tijd waarin de Kanaallaan de verbindingsweg was tussen Bree, zijn handel en het leven rond de Zuid-Willemsvaart.
X
BREE (GERDINGEN) -JAAKSKE PANNEBEKKERS MET D EHONDSKAR 1903
Een prachtig stukje dorpsleven uit Gerdingen in 1903. Op de foto zien we de nog kleine Jaak Brebels, in het dorp later beter gekend als “Jaakske Pannebekkers”. Hij staat naast de hond die voor een stevige houten hondskar is gespannen. Op de kar staan de metalen melkkruiken klaar voor hun bestemming: de toenmalige melkerij aan de Barrierstraat. Jaak Brebels werd op 16 mei 1898 in Gerdingen geboren. Hij was op het ogenblik van deze opname dus ongeveer vijf jaar oud. Later zou deze kleine jongen een bekende figuur in het plaatselijke leven worden en het brengen tot eerste schepen van de gemeente Gerdingen. Historische genealogische gegevens bevestigen zowel zijn geboorte in 1898 als zijn latere functie van eerste schepen. Hij overleed in 1974. De hondskar was rond 1900 nog een vertrouwd beeld op de Limburgse buitenwegen. Voor kleine landbouwers en handelaars was een sterke trekhond een betaalbaar alternatief voor een paard. Melk, boter, groenten en andere waren konden zo over korte afstanden worden vervoerd. Op deze opname zien we zo'n eenvoudige kar met grote houten spaakwielen en verschillende melkkruiken. Voor de mensen van toen was dit geen folkloristisch tafereel, maar gewoon een onderdeel van het dagelijkse werk. De bestemming van Jaaks tocht lag volgens de overgeleverde informatie bij de melkerij aan de Barrierstraat. Die straat vormde van oudsher de kern van Gerdingen en ook de kerk en de eerste dorpsschool bevonden zich er. Ook de familie Brebels was nauw met het landbouwleven verbonden. De geschiedenis van het Pannenbakkershof vermeldt dat de familie Brebels er vanaf 1912 een landbouwbedrijf uitbouwde. In 1921 zette Jaak Brebels het bedrijf verder; voor die tijd was het met onder meer tien melkkoeien al een behoorlijk landbouwbedrijf. Zo vertelt deze foto veel meer dan alleen het verhaal van een jongetje met zijn hond. We kijken naar het Gerdingen van 1903, toen melk nog in zware kruiken over onverharde wegen naar de melkerij werd gebracht en een hondskar voor vele gezinnen een alledaags vervoermiddel was. En het kleine kereltje dat hier zo ernstig naast zijn trouwe trekker poseert? Dat was Jaakske Pannebekkers – toen nog maar een jongen van ongeveer vijf jaar, later Jaak Brebels, eerste schepen van Gerdingen.
Een eenvoudig dorpsbeeld uit 1903, maar tegelijk een prachtig bewaard stukje geschiedenis van het oude Gerdingen.
X
zaterdag 15 augustus 2026
GENCK (GENK) KEMPENS INTERIEUR
Deze oude opname brengt ons terug naar het landelijke Genk van vóór de grote mijnontwikkeling. Genk werd destijds als Genck geschreven. Aan het einde van de 19de eeuw was het nog een klein Kempendorp, omringd door uitgestrekte heidevelden, akkers, bossen en verspreid liggende gehuchten. In 1900 telde Genk slechts 2.537 inwoners. De foto toont het eenvoudige hart van zo'n Kempense woning. Geen salon of pronkkamer, maar een leefruimte waarin bijna het hele dagelijkse leven samenkwam. De grote open haard vormde letterlijk en figuurlijk het middelpunt van het huis. Hier werd gestookt en gekookt en tijdens koude dagen zocht men er de warmte op. Potten, pannen, aardewerk en eenvoudig huisraad kregen hun vaste plaats dicht bij het vuur. Rechts zit de vrouw bij haar spinnewiel. Wol verwerken, spinnen, naaien en herstellen behoorden tot de vele werkzaamheden die thuis gebeurden. Links zit de man in zijn eenvoudige werkkleding en pet. Het beeld straalt geen rijkdom uit, maar het vertelt des te meer over een bestaan waarin vrijwel niets verloren mocht gaan en waarin veel zelf werd gemaakt, verbouwd of hersteld. Dat sobere leven paste bij het oude Kempense landschap. De zandgronden rond Genk waren arm. Eeuwenlang combineerden de bewoners landbouw en veeteelt met het gebruik van de uitgestrekte heide. Via het potstalsysteem werden heideplaggen en mest gebruikt om de schrale landbouwgrond vruchtbaarder te maken. Op de Genkse akkers kwamen onder meer rogge, haver, aardappelen en boekweit voor; vooral boekweit kon goed gedijen op de arme Kempense gronden. Juist daarom is zo'n interieur een bijzonder tijdsdocument. Het toont Genck aan de vooravond van een enorme omwenteling. In 1901 werd in de Limburgse Kempen steenkool ontdekt. Daarna verschenen in Genk de mijnzetels van Zwartberg, Waterschei en Winterslag. De eigenlijke grootschalige productie kwam vooral na de Eerste Wereldoorlog op gang en veranderde het oude landbouwdorp voorgoed. Tegen 1930 was de bevolking al aangegroeid tot 24.574 inwoners. Wat op deze foto nog overheerst, is dus het oude Genck van vóór de mijnen: het knetterende haardvuur, het spinnewiel, de houten meubels, het eenvoudige vaatwerk en mensen die leefden volgens het ritme van daglicht, seizoenen en landarbeid. Een stil Kempens interieur, zonder luxe en zonder haast.
Een stukje Genck uit een wereld die enkele tientallen jaren later bijna volledig verdwenen zou zijn.
X
vrijdag 14 augustus 2026
DILSEN - EEN LIJNPAARD IN ACTIE (JAREN '30)
Langs de Zuid-Willemsvaart in Dilsen, ergens in de jaren dertig, zien we een beeld uit een verdwenen wereld. Een zwaar vrachtschip glijdt langzaam door het kanaal, maar niet op eigen motorkracht. Op het jaagpad langs het water loopt een krachtig lijnpaard, begeleid door zijn voerman. Via een lange lijn trekt het dier het schip vooruit. Dit werk werd jagen of scheepsjagen genoemd. Langs kanalen waren daarvoor speciale jaagpaden aangelegd. Wanneer een schip geen eigen motor had of niet op windkracht kon varen, konden paarden het vaartuig vanaf de oever voorttrekken. De mannen die dit werk uitvoerden werden onder meer scheepsjagers, teugelaars of teugelders genoemd. Een lijnpaard was geen gewoon werkpaard. Het dier moest gewend zijn aan de lange treklijn, het water en het langzaam voortbewegende schip. Ondanks het enorme gewicht van een geladen binnenschip kon een paard op het water een veel grotere last verplaatsen dan met een wagen over land. Dilsen vormt daarbij een bijzonder stukje geschiedenis. In de jaren dertig werd de Zuid-Willemsvaart hier verbreed en werden verschillende bochten afgesneden. Daardoor werd ook het bestaande jaagpad op sommige plaatsen onderbroken. Om de lijnpaarden toch hun weg langs het kanaal te laten vervolgen, werden speciale jaagbrugjes of passerelles gebouwd. tussen Smeermaas en Bocholt werden er een zestal van dergelijke brugjes aangelegd. Plannen uit 1938 vermelden exemplaren van ongeveer 42 meter lang en 3 meter breed. Belangrijk is dat het jaagpad toen nog daadwerkelijk werd gebruikt door lijnpaarden die schepen zonder eigen motor voorttrokken. Zo is deze foto meer dan alleen een tafereel van een man, een paard en een schip. Ze herinnert aan de laatste periode waarin paardenkracht letterlijk deel uitmaakte van de scheepvaart op de Zuid-Willemsvaart. Dag na dag stapten mens en dier over het jaagpad, terwijl naast hen het zwaarbeladen schip langzaam door het Limburgse kanaallandschap schoof. Het hoefgetrappel, het kraken van het tuig en het gespannen touw behoorden toen nog tot het dagelijkse geluid langs het water.
X






%20-%20DE%20STER%20IN%20HET%20MIDDEN%20(ARTIKEL%202002)%202.png)








%20-%20HET%20VIERVELD.png)







.png)






%20%20AAN%20DE%20ZUID-WILLEMSVAART.png)
%20CAF%C3%89-RESTAURANT%20W.%20LEENDERS-CLAESSENS.png)





%20KEMPENS%20INTERIEUR.png)
