donderdag 15 oktober 2026

MAASMECHELEN HEIRSTRAAT / DEKEN BERNARDSTRAAT

Ingekleurde versie

Updated

Heirstraat in 1989 — een vertrouwde hoek in een nieuwe gedaante

Deze foto, gedateerd in 1989, toont hoe ingrijpend het centrum van Mechelen-aan-de-Maas in enkele tientallen jaren veranderde. Vanuit de hoogte kijken we over pannendaken, brede platte daken en de Heirstraat die tussen de bebouwing doorloopt. Aan de horizon blijft het landschap groen, maar vlak bij het gemeentehuis heeft de oude dorpsomgeving plaatsgemaakt voor grotere gebouwen en nieuwe functies. Langs deze oude verkeersas bleef ook heel wat oudere bebouwing bewaard. Juist daardoor vallen de veranderingen aan deze hoek zo sterk op. Volgens de overgeleverde plaatselijke beschrijving stond hier ooit een grote beuk. Later bevond zich op die plek het dorpscafé dat werd uitgebaat door Baërke Vankan. De boom en het café behoorden tot opeenvolgende hoofdstukken van dezelfde dorpshoek. In 1989 was die omgeving nauwelijks nog herkenbaar: appartementen, bankfilialen en meubelzaak Warson hadden er hun plaats ingenomen. Waar vroeger een café het straatbeeld bepaalde, waren wonen, handel en dienstverlening samengebracht in een dichter bebouwde omgeving. Ook het gemeentehuis drukte steeds nadrukkelijker zijn stempel op deze plek. Het oorspronkelijke gebouw gaat in de kern terug tot omstreeks 1900 en werd ontworpen door architect Gérard Rypens. Na zware oorlogsschade in 1944 volgden herstellingen en uitbreidingen. In 1975 kwam er aan de zuidzijde een aanzienlijke uitbreiding met vier bouwlagen. Daarmee kreeg het bestuursgebouw een heel andere schaal tegenover de omliggende dorpsbebouwing. Die schaalverandering vormt een belangrijk onderdeel van het verhaal bij deze foto. Volgens de aangeleverde toelichting lagen de kerkevoetweg en het aanpalende hoekhuis inmiddels vrijwel volledig verscholen achter het vergrote gemeentehuis. De oudere dorpsstructuur was dus niet overal verdwenen, maar werd vanuit dit gezichtspunt grotendeels aan het oog onttrokken. Het agrarische karakter van weleer was aan deze centrumhoek nagenoeg uitgewist. Dat past binnen een ruimere ontwikkeling: De handel, horeca en dichtere bebouwing werden steeds belangrijker langs de Rijksweg en het bestuurlijke centrum kwam dichter bij die verkeersas te liggen. Zo bewaart dit beeld uit 1989 een moment waarop het vernieuwde Mechelen al duidelijk vorm had gekregen. De beuk en het café leefden voort in de herinnering; appartementen, winkels, bankkantoren en het uitgebreide gemeentehuis bepaalden voortaan het uitzicht. De straat bleef dezelfde naam dragen, maar de wereld eromheen was grondig veranderd.

X



MAASMECHELEN HEIRSTRAAT / DEKEN BERNARDSTRAAT

Ingekleurde versie

Updated

De Heirstraat in de jaren vijftig — een dorp op de drempel van verandering

Vanuit een hoog standpunt ontvouwt zich een rustig dorpsgezicht van Mechelen-aan-de-Maas. Pannendaken, bakstenen woningen en bomen begeleiden de blik langs de Heirstraat. Verderop maken de huizen plaats voor een open landschap. De foto uit de jaren vijftig, toont een omgeving waarin het landelijke karakter nog sterk aanwezig is. Toch kondigt zich op de voorgrond al een andere tijd aan: een personenwagen rijdt voorbij het hoekcafé. De Heirstraat heeft een lange geschiedenis als verbindingsweg. ze volgt het tracé van een Romeinse heirbaan en vormde ze de oorspronkelijke verbinding tussen verschillende Maasdorpen. Het rustige straatbeeld ligt daarmee langs een route waar al eeuwen mensen en goederen passeerden. Op de hoek staat het dorpscafé dat werd uitgebaat door Baërke Vankan. De ramen, de ingang aan de straat en de tafeltjes buiten geven het pand een herkenbaar dorps karakter. Het café vormt een opvallend herkenningspunt op de splitsing. Aan deze plek was bovendien een oudere herinnering verbonden: vóór het café stond een grote beuk. Eerst de boom en later het café markeerden dus deze hoek van het dorp. Beide verdwenen uiteindelijk uit het straatbeeld. Op de plaats van de vroegere bebouwing kwamen appartementen en meubelzaak Warson. Ook tegenover het café zou de omgeving veranderen. Aan de zijde van de Heirstraat vestigde zich later de dagbladhandel van Anneke Coenen. Zo bewaart deze opname niet alleen het beeld van verdwenen gebouwen, maar roept ze ook de namen op van mensen en handelszaken die voor omwonenden bij de straat hoorden. Iets verderop links is een parochiezaal in aanbouw te zien. Terwijl het café nog het vertrouwde dorpsleven vertegenwoordigt, wijst die bouwwerf op nieuwe voorzieningen voor de gemeenschap. De straat staat niet stil: tussen bestaande huizen en tuinen krijgt de naoorlogse ontwikkeling langzaam vorm. Bij het vergezicht hoort ook de Kruiskensmolen, bekend onder de naam Nooit Gedacht. Deze stenen korenmolen aan de Heirstraat dankt zijn volksnaam aan een nabijgelegen vredeskruis. In de jaren vijftig had hij zijn karakteristieke wieken al lang verloren. Het wiekenkruis werd in 1926 verwijderd. De molen zonder wieken past bij de weemoed van dit dorpsbeeld: een vertrouwd bouwwerk blijft aanwezig terwijl zijn vroegere functie naar de achtergrond verdwijnt. Rondom lijkt het landschap nog vredig en ruim. Maar de auto voor het café geeft de foto een vooruitwijzende betekenis. Eén wagen maakt de straat nog niet druk, maar voor wie het beeld vandaag bekijkt, verbeeldt hij treffend de verandering die zou volgen. Koning auto had zijn intrede gedaan. De Heirstraat zou verder veranderen, met andere gebouwen, handelszaken en meer verkeer. Deze foto bewaart een tussenmoment: het oude dorp is nog herkenbaar, terwijl de nieuwe tijd al door het beeld rijdt.

X




MAASMECHELEN HEIRSTRAAT / DEKEN BERNARDSTRAAT

Updated

Van damessalon tot dagbladhandel — de Heirstraat in de jaren vijftig

Een verweerde gevel, een breed pannendak en een fiets tegen de muur: deze foto bewaart een herkenbaar stukje van het vroegere Mechelen-aan-de-Maas. Het huis aan de Heirstraat zou later bekend worden als dagbladhandel François, verbonden met de naam Anneke Coenen. Hier was  in de jaren vijftig nog een damessalon gevestigd. Het gebouw verenigt de uitstraling van een dorpswoning met een bescheiden handelsfunctie. Boven staan drie ramen met gordijnen; beneden bevindt zich rechts van de voordeur een uitstalraam. Aan de gevel hangt een klein uithangbord, waarvan het opschrift op deze afbeelding onvoldoende leesbaar is om de naam van de zaak met zekerheid vast te stellen. De kasseien, de eenvoudige stoep en de fiets vervolledigen het straatbeeld. Links van het huis lag een smalle doorgang die in de plaatselijke spreektaal een ‘getske’ werd genoemd. Het weggetje leidde in de richting van de kerk en droeg de toepasselijke naam Kerkevoetweg. Die naam vertelde meteen waarvoor de verbinding diende: een voetweg naar de kerk, ingepast tussen de bestaande bebouwing. Volgens de aangeleverde plaatselijke geschiedenis veranderde die doorgang later grondig van uitzicht. Het huis van André Klaps aan de linkerzijde werd afgebroken, waardoor ruimte vrijkwam om de verbinding te verbreden. Het vroegere getske groeide zo uit tot een volwaardige straat: de huidige Deken Bernardstraat. Daarmee verdween niet alleen een woning, maar veranderden ook de verhoudingen tussen de huizen en de toegang tot het achterliggende dorpscentrum. Ook het gefotografeerde pand kreeg een andere bestemming. Waar vrouwen in de jaren vijftig voor hun haarverzorging terechtkonden, kwam later dagbladhandel François, bij velen bekend door Anneke Coenen. Hetzelfde huis kreeg daardoor voor opeenvolgende generaties een andere betekenis: eerst als damessalon, later als vertrouwd adres voor de krant. Zo vertelt deze foto meer dan de geschiedenis van één gevel. Ze bewaart de herinnering aan een dorpshoek waar een kleine handelszaak en een smalle kerkweg deel uitmaakten van het dagelijkse leven. De naam Kerkevoetweg houdt daarbij iets vast wat door de latere verbreding minder zichtbaar werd: de oorsprong van de straat als eenvoudige doorgang naar de kerk.

X







dinsdag 13 oktober 2026

LANAKEN - CARIDENG IN VLAMMEN 02-05-1957


Langs het Albertkanaal, waar de industrie aan vele gezinnen werk verschafte, werd een gewone woensdagmiddag plots een dag van onrust. In de rubberfabriek Carideng te Lanaken brak een hevige brand uit. Twee grote hallen gingen verloren, brandweerlieden uit België en Nederland snelden te hulp en voor een deel van het personeel werd de toekomst onzeker.

Het alarm tijdens de ronde

Het was omstreeks twintig voor drie toen een van de twee aanwezige portiers tijdens zijn gebruikelijke ronde de brand ontdekte. Meteen werd de fabriekssirene ingeschakeld en werden de brandweerkorpsen uit de omgeving gewaarschuwd. De brand woedde in de voorraad- en bewerkingshallen van het bedrijf, dat volgens het bericht op de rechteroever van het Albertkanaal lag. In die hallen bevonden zich onder meer binnen- en buitenbanden voor fietsen, autobanden en sponsartikelen. Het vuur tastte twee gebouwen aan die elk ongeveer vijftien meter breed en tachtig meter lang waren. Vooral de hal waar de brand begonnen was, werd zwaar getroffen. Door de hitte weken de muren naar buiten.

Hulp over de grens

De Maastrichtse brandweer was volgens het krantenverslag het eerst ter plaatse. Onder leiding van brandmeester Scaf werd water uit het naastgelegen Albertkanaal ingezet. Kort daarna kwamen ook de korpsen van Eisden, Genk, Hasselt en Bilzen aan.

Daarnaast waren Luik en Aken gealarmeerd. Toen hun ploegen arriveerden, hadden de aanwezige brandweerlieden het vuur al grotendeels onder controle en hoefden deze twee korpsen daardoor niet meer in actie te komen. De grens vormde die middag geen belemmering voor de hulpverlening. Aan de kanaaloever werkten Belgische en Nederlandse brandweerlieden samen om de uitbreiding van het vuur tegen te houden.

Twee hallen verloren, andere gebouwen gered

De brandweerlieden konden niet verhinderen dat beide getroffen hallen uitbrandden. Een nieuwe vrachtwagen die nog in een van de gebouwen stond, kon evenmin worden gered. Toch bleef de ramp tot een deel van het fabrieksterrein beperkt. Volgens het verslag hielpen zowel de gezamenlijke brandweerinzet als de gunstige windrichting om de personeels- en kantoorgebouwen vóór de brandende hallen te vrijwaren. Ook de canvas-spinnerij bleef behouden. Tegen vijf uur was het vuur zover bedwongen dat de Maastrichtse brandweer kon vertrekken. Zij had een materiaalwagen, een auto en een motorspuit ingezet. De korpsen van Genk, Bilzen, Hasselt en Eisden bleven nog ter plaatse om na te blussen.

Een vermoedelijke oorzaak

Over het ontstaan van de brand kon men diezelfde avond nog geen zekerheid geven. In het krantenbericht werd broei in opgeslagen gemalen rubber als mogelijke oorzaak genoemd. Dat was een eerste vermoeden, geen vastgestelde uitkomst van een onderzoek. Er was ook een probleem bij de eerste bluspoging. De fabrieksbrandinstallatie had mogelijk kunnen helpen om uitbreiding te beperken, maar het dienstdoende personeel kreeg de kranen niet los. Vervolgens duurde het volgens de krant nog ruim een kwartier voordat de eerste waterstralen van de Maastrichtse motorpompinstallaties vanuit het kanaal de brandhaard bereikten. Die passage toont hoe moeilijk de eerste bestrijding verliep. Ze biedt op zichzelf echter onvoldoende grond om achteraf verantwoordelijkheid of schuld vast te stellen.

Onrust rond de fabriek

De brand trok veel toeschouwers. De politie van Lanaken, onder leiding van een in het bericht als De Breda genoemde verantwoordelijke, hield de toestromende mensen op veilige afstand. Ook de directie en enkele commissarissen van Carideng waren aanwezig. De drukte had gevolgen voor het verkeer. De politiekorpsen van Lanaken en de grensplaats Smeermaas leidden het verkeer tussen beide plaatsen om via de brug nabij Tournebride. Voor wie de fabriek als dagelijkse werkplek kende, ging het ondertussen om meer dan brandende gebouwen. Achter de schade aan muren, voorraden en materieel lag de vraag hoeveel werk er de volgende dagen nog zou zijn.

Een zware slag voor het personeel

De schade liep op tot in de miljoenen franken (de Belgische munt destijds)  De krant meldde dat ongeveer tweehonderd van de achthonderd arbeiders door de brand zonder werk zouden komen te zitten.  Voor Lanaken was het een ernstige industriële tegenslag. Twee hallen waren verloren, maar andere afdelingen waren behouden gebleven. In die tegenstelling lag ook de onzekerheid van de getroffen gezinnen: opluchting omdat erger was voorkomen, naast bezorgdheid over het dagelijkse inkomen.

X


LANAKEN RUBBERFABRIEK CARIDENG

Updated

Van diamantslijperij tot rubberfabriek

Op deze oude luchtfoto ligt de rubberfabriek Carideng als een uitgestrekt geheel tussen de akkers. Lange fabriekshallen, aaneengesloten daken en een hoge bakstenen schoorsteen bepalen het beeld. Rond het terrein bleef het landelijke karakter duidelijk aanwezig: velden, bomenrijen en oogst die in kleine hopen op het land staat. Het is een treffend beeld van een Lanaken waar landbouw en industrie naast elkaar bestonden. Achter dit fabriekscomplex schuilt een geschiedenis die over de grens begint, in Sint-Pieter bij Maastricht. Daar ging in 1919 de Holland-Radiumfabriek aan de Lage Kanaaldijk van start. Fietsbanden behoorden tot de eerste producten. De naam Radium zou in de Maastrichtse rubbernijverheid nog vele jaren blijven voortleven. In een tijd waarin de fiets voor veel mensen een onmisbaar vervoermiddel was, vormden banden een belangrijke afzetmarkt. Rubberfabriek Holland produceerde fietsbanden onder de merknaam Radium, een naam die bekendheid verwierf en later door de Maastrichtse Bataafsche Rubber Industrie werd voortgezet.  Ook in Lanaken kreeg de rubbernijverheid voet aan de grond. Volgens de bedrijfsgeschiedenis van opvolger Hercorub was op het fabrieksterrein eerst een diamantslijperij gevestigd. Vanaf 1924 werd er rubber verwerkt, aanvankelijk onder de naam NV Radium en vervolgens als Carideng. Daarmee is 1919 het beginjaar van de onderneming in Sint-Pieter, terwijl 1924 het gedocumenteerde begin van de rubberactiviteit op de Lanakense locatie is. Het gebouw van de voormalige diamantslijperij stond leeg. De machines werden door het eigen personeel vanuit Sint-Pieter naar Lanaken overgebracht. Het is een bijzonder detail: niet alleen de machinerie, maar ook de ervaring van de mensen verhuisde mee. Deze overbrenging door het personeel kon ik in de geraadpleegde bronnen niet onafhankelijk bevestigen; ze blijft hier daarom opgenomen als onderdeel van de aangeleverde overlevering. Over de diamantslijperij zelf blijft voorlopig veel onbekend. Haar vroegere aanwezigheid wordt door Hercorub bevestigd, maar de geraadpleegde bedrijfsgeschiedenis geeft geen naam van de uitbater, oprichtingsdatum of personeelscijfers. Zo bleef van die eerste bedrijvigheid vooral de herinnering aan de bestemming van het gebouw bewaard.  De foto toont een omvangrijk fabriekscomplex. De opeenvolgende dakpartijen en lange hallen maken duidelijk hoeveel ruimte de industriële activiteit innam. Dat Carideng veel betekende voor de werkgelegenheid in het Maasland, blijkt bijzonder scherp uit de gebeurtenissen van 1981. Tijdens de vergadering van de Vlaamse Raad van 26 maart meldde Jaak Gabriels dat door de sluiting 415 werknemers werkloos waren geworden. Staatssecretaris Paul Akkermans bevestigde dat NV Carideng op 4 maart 1981 failliet was verklaard. Het bedrijf verkeerde volgens zijn antwoord al sinds 1978 in zware moeilijkheden; pogingen tot sanering hadden de ondergang niet kunnen voorkomen. Voor de gezinnen die van de fabriek leefden, betekende dat veel meer dan het verdwijnen van een bedrijfsnaam. Achter het cijfer van 415 werknemers stonden evenveel persoonlijke verhalen: mensen met vakkennis, werkmakkers en een dagelijks leven dat rond de fabriek was opgebouwd. Toch eindigde de rubbergeschiedenis op deze plek niet volledig. Op 7 september 1981 begon Hercorub met ongeveer veertig medewerkers en technische rubberproducten, vooral voor de automobiel- en elektrische industrie. Een deel van de industriële traditie kreeg daarmee een vervolg. In 1990 werden de oude, 34 meter hoge bakstenen schoorsteen en de eerste fabrieksgebouwen afgebroken.  Deze luchtfoto bewaart daardoor meer dan een overzicht van gebouwen. Ze houdt een verdwenen fabriekslandschap vast: de lange daken, de schoorsteen en de akkers eromheen. Een stukje Lanaken waar achter de muren werd gewerkt en waar de naam Carideng voor vele families verbonden bleef met hun broodwinning.

X

OUD-REKEM (TOEN RECKHEIM) - LIKEURSTOKERIJ SENDEN-DEVEL AAN HET SINT-PIETERSPLEIN

Updated

Voor de houten poort liggen de vaten netjes opgestapeld. Hun donkere bodems dragen opschriften waarvan de betekenis op deze foto niet met zekerheid te achterhalen is. Achter die eenvoudige rij tonnen staan de lage bedrijfsgebouwen, met daarnaast het hogere woonhuis. Bovenaan vermeldt de prentkaart: “Reckheim. Distillerie F. Senden-Devel”. Het is een stille aanblik, maar tegelijk een tastbare herinnering aan het bedrijvige verleden van Oud-Rekem. De stokerij bevond zich aan Sint Pieter, op het huidige nummer 20. De brede straat heeft er het karakter van een plein, wat de benaming Sint-Pietersplein begrijpelijk maakt. Volgens de erfgoedinventaris ligt deze omgeving buiten de vroegere Maastrichterpoort, in het verlengde van de Patersstraat. Hier kreeg de bebouwing in de negentiende en twintigste eeuw geleidelijk haar vertrouwde uitzicht. Het woord Reckheim op de kaart voert ons terug naar de vroegere naam van de gemeente. Volgens de gemeentelijke geschiedschrijving werd die in 1938 veranderd in Rekem. De benaming op het opschrift past dus bij een oudere prentkaart, maar vormt op zichzelf geen sluitend bewijs voor het opnamejaar: oude kaarten en onderschriften konden later opnieuw worden gebruikt. De geschiedenis van het bedrijf begint bij Franz Hubert Senden, ook Frans Senden genoemd, die postmeester van Rekem was. In 1891 liet hij het gebouw oprichten. Daarmee kreeg het stadje een onderneming waarin wonen, handel en drankbereiding dicht bij elkaar lagen. Het woonhuis en de aangrenzende werkruimten vormden samen het herkenbare gezicht van het familiebedrijf. Senden-Devel hield zich met meer bezig dan likeuren alleen. Ook wijn werd ingevoerd en gebotteld, onder meer in kwartliterflesjes die bekendstonden als Vinquart. Daarnaast omvatte het assortiment jenevers, aperitieven en siropen. Volgens Toerisme Lanaken was ’t Voske, een graanjenever met een alcoholgehalte van 35 procent, de populairste drank. Andere namen uit het assortiment waren Peerdeman, Elixir, ’t Zwart Stoopke en Mephisto. Het zijn namen die vandaag nog iets oproepen van de eigenheid waarmee zulke familiebedrijven hun producten aan de man brachten. De foto toont vooral de buitenkant van dat werkende bedrijf: bakstenen muren, kleine ramen, houten deuren en vaten voor de poort. Wat precies in deze vaten zat, kunnen we uit de afbeelding niet afleiden. Toch geven ze de opname haar bijzondere karakter. Ze maken zichtbaar dat deze gebouwen een plaats waren waar goederen werden opgeslagen, behandeld en verhandeld. Ook hier veranderde het dagelijkse werk met de tijd. De erfgoedinventaris vermeldt een uitbreiding in 1910. In 1918 werd de voorgevel van de distillerie aangepast voor twee Fordwagens, die paard en kar vervingen. In 1929 liet Henri Senden het dak van het woonhuis verbouwen om slaapkamers voor zijn kinderen te maken. Op de aangeleverde foto lijkt dat latere dak met zijn dakvensters nog afwezig. Dat is een aanwijzing voor een vroege opname, mogelijk van vóór 1929, maar zonder de oorspronkelijke kaartgegevens blijft die datering voorlopig. Henri zette het bedrijf van zijn vader voort. Over de precieze jaartallen lopen de geraadpleegde bronnen uiteen: de erfgoedinventaris noemt 1921 als overnamejaar en 1954 als jaar waarin de activiteiten werden stilgelegd; Toerisme Lanaken vermeldt 1927 en 1958. De gemeentelijke bron schrijft het einde toe aan hoge accijnzen en toenemende concurrentie. Zeker is dat het familiebedrijf in de jaren vijftig zijn oorspronkelijke productie beëindigde. Daarmee had de inrichting gemakkelijk voorgoed kunnen verdwijnen. Een groot deel van de machines werd verkocht. Maar in 1971 kocht Jos Senden, zoon van Henri, de distillerie en begon hij de verkochte machines terug te verwerven. Volgens de erfgoedinventaris bleef daardoor een vrijwel volledige uitrusting uit de jaren twintig en dertig bewaard, samen met het bedrijfsarchief en een achttiende-eeuwse houten pers. Op 2 maart 1983 werd het bedrijfsgebouw met zijn inboedel beschermd als monument wegens zijn industrieel-archeologische waarde. Die bescherming erkende ook de betekenis van wat binnen stond: de werktuigen en voorwerpen die het vroegere bedrijf opnieuw begrijpelijk maken. Zo bewaart deze foto een klein maar veelzeggend stukje Reckheim. Geen mensen poseren voor de gevel, geen wagen trekt onze aandacht. Alleen de gebouwen en de vaten blijven in beeld. Juist daarin schuilt de bekoring: een onderneming uit het oude Maasland, vastgelegd op een ogenblik waarop haar dagelijkse bedrijvigheid even lijkt stil te staan.

X


MARCEL CONAERT (1934-2016) OP HET BANKSKE AAN HET KANAAL IN BOORSEM


X

BOORSEM KERKSTRAAT 1944

Langs de oude kerkhofmuur — de Kerkstraat van Boorsem rond de bevrijding

Er zijn dorpsgezichten waarin een heel verleden besloten ligt. Een bakstenen muur, een rij grafkruisen en bomen achter het kerkhof: eenvoudige dingen die generaties lang bij het vertrouwde uitzicht van Boorsem hoorden. Hier lag de Kerkstraat, de huidige Sint-Jorisstraat. De straat ontleende haar naam aan de kerk en het kerkhof. De Sint-Joriskerk kreeg haar classicistische vorm in 1791. Het koor volgde in 1832; de westtoren en de twee westelijke traveeën dateren van 1852. Toen de Tweede Wereldoorlog het dorp bereikte, behoorde dit kerkgebouw dus al lang tot de vertrouwde omgeving van de inwoners. Rond de kerk lag een begraafplaats met een nog oudere geschiedenis. Op de achttiende-eeuwse Ferrariskaart is het kerkhof al weergegeven, omzoomd door bomen. De negentiende-eeuwse Atlas der Buurtwegen toont een muur langs de westelijk gelegen weg. Bewaarde zeventiende-eeuwse grafkruisen herinneren eraan hoe lang hier al mensen uit de dorpsgemeenschap werden begraven. De foto laat een deel van dat oude dorpsbeeld zien. Bakstenen pijlers verdelen de kerkhofmuur in afzonderlijke vakken. Achter de muur staan kruisen en rechtopstaande grafstenen, met bomen op de achtergrond. Het is een kerkhof dat nog nauw verbonden is met de straat: de rustplaats van het dorp ligt vlak naast het dagelijkse leven. Hier hielden Amerikaanse militairen halt voor een rust- en eetmoment tijdens de bevrijding van deze streek die enkele maanden eerder had plaatsgevonden. Tussen 16 en 18 september 1944 vochten Amerikaanse troepen tegen Duitse eenheden in het gebied tussen de Zuid-Willemsvaart en de Maas. Ook Boorsem lag in deze strijdzone. De lokale geschiedschrijving beschrijft hoe Duitse krijgsgevangenen na de gevechten door het dorp richting Uikhoven werden afgevoerd.

X

zondag 11 oktober 2026

GENEUTH AAN DE MAAS (FOTO'S 1986)




Updated en ingekleurde versie
De oeverhuizen van Geneuth met houten boten voor de gevels van de Maasschippersfamilie Albrechts.


Updated en ingekleurde versie
De historische grenspaal 112 aan de Maas bij Geneuth. Het jaartal 1843 verwijst naar de grensregeling tussen België en Nederland.

Er zijn plaatsen waar twee oude foto’s volstaan om een verdwenen wereld dichterbij te brengen. Geneuth is zo’n plek. Op het ene beeld staan de huizen dicht bij de rivier, met kleine houten boten voor de gevels. Op het andere staat een grenspaal in het oeverland. Samen vertellen ze over wonen en werken aan de Maas, maar ook over een rivier die twee landen van elkaar scheidt. Geneuth, vroeger ook Genheut en Genhuit genoemd, is een klein gehucht aan de Maas in Kotem. Op de achttiende-eeuwse Ferrariskaart verschijnt het als ‘Hameau Op Geenhuyt’. De naam behoort daarmee al lang tot het landschap van deze uithoek van het Maasland.

Waar de schippers thuiskwamen

De bovenste foto toont een rij oude oeverhuizen. Bakstenen muren, een licht gepleisterde gevel, pannendaken en kale bomen bepalen het beeld. Voor de woningen liggen boten op het droge. Het is een eenvoudig tafereel, maar de nabijheid van het water zegt veel: hier lag de Maas haast voor de deur. De familie Albrechts woonde gedurende vele generaties in deze schippershuizen. Het waren Maasschippers, mensen wier bestaan nauw met de rivier verbonden was. De overgeleverde beschrijving bewaart vooral een treffende herinnering aan hun paarden. Wanneer de schippers hun stamhuis naderden, zouden zij niet meer naar het lijnpad op de andere oever zijn overgestoken. De dieren trokken de schepen met een laatste inspanning door de moeilijke bocht, naar de vertrouwde aanlegplaats. Dat de paarden hun stallen al roken, geeft die herinnering iets menselijks. Achter het harde werk verschijnt het verlangen naar thuiskomen.  Deze oude boerenburgerhuizen op de Maasoever hoorden hoeven met stallen en schuren. Archiefgegevens wijzen bovendien op bewoning op deze locatie vanaf minstens het begin van de zeventiende eeuw. Zo krijgt het beeld van de oude oeverhuizen een ruimere achtergrond: langs deze rivier werd al eeuwen gewoond en gewerkt.

Een jaartal aan de waterkant

Op de onderste foto trekt de grenspaal de aandacht. Zijn lichte bovenstuk steekt af tegen de donkere voet en het ruwe oeverland. Het jaartal 1843 verwijst naar een beslissend hoofdstuk in de geschiedenis van België en Nederland. Na de Belgische onafhankelijkheidsverklaring van 1830 bleef de scheiding jarenlang omstreden. Het Verdrag van Londen van 19 april 1839 regelde de scheiding tussen beide landen. Daarna volgde het nauwkeurige werk op het terrein: overleg, opmetingen en het vastleggen van de grens op kaarten. Op 8 augustus 1843 werd de grensregeling in Maastricht bekrachtigd. Een kleine, maar belangrijke bijzonderheid: de gietijzeren grenspalen dragen het jaartal 1843, terwijl hun plaatsing in 1844 gebeurde. Het jaartal herinnert dus aan de grensregeling. Bij Geneuth is grenspaal 112 geïnventariseerd. In Hal, ten zuidoosten van het gehucht, staat nummer 111; noordwaarts, nabij Mazenhoven, bevindt zich nummer 113. Zo behoort de plaatselijke paal tot een veel groter geheel van grensmarkeringen. De twee foto’s bewaren elk een andere herinnering. De huizen spreken over families, arbeid en thuiskomen. De grenspaal vertelt hoe besluiten van ver weg een plaats kregen aan de dorpsrand. Daartussen stroomt de Maas: voor de schippers een weg naar hun bestaan, voor de bewoners een vertrouwd uitzicht, en voor de geschiedenis een grens door het Maasland.

X


zaterdag 10 oktober 2026

COTHEM / BOORSHEIM - MOORD AAN DE MAAS 1909


De geheimzinnige dood van Th. Kortleven in Cothem en Boorsheim — 1909

Sommige gebeurtenissen blijven aan een dorp verbonden, lang nadat de mensen die ze meemaakten verdwenen zijn. Een naam in een oude krant, een herberg waar iemand voor het laatst werd gezien, een kuil waarin een verschrikkelijk geheim verborgen lag. Zo’n geschiedenis vinden we terug in de Nederlandse persberichten over de dood van Th. Kortleven in Cothem en Boorsheim, het huidige Kotem en Boorsem. Aan de Belgische zijde van de Maas, tegenover Elsloo, verdween begin december een man. Wat aanvankelijk een onverklaarbare afwezigheid leek, groeide uit tot een zaak van geweld, beschuldigingen en twijfel. Ook aan de overkant van de rivier volgden kranten de gebeurtenissen. Hun berichten bewaren de ontzetting van toen, maar vertellen niet overal hetzelfde verhaal.

Een laatste avond in de herberg

Volgens het eerste bericht was Kortleven op 3 december als getuige naar de rechtbank in Tongeren geweest. Later die dag keerde hij terug naar de streek. De krant schreef dat hij flink had gedronken en ’s avonds de herberg bezocht van B., die in datzelfde bericht als wethouder en kastelein werd omschreven. Volgens diens verklaring zou Kortleven de herberg omstreeks middernacht hebben verlaten. Daarna ontbrak ieder spoor. Er werd gezocht in het kanaal en in de Maas, zonder resultaat. Het water gaf geen antwoord. De man die naar Tongeren was vertrokken en nadien nog in de herberg was gezien, bleef verdwenen. Een ander krantenbericht schetste die avond anders. Daarin zouden twee jongemannen samen voor de rechtbank zijn geweest en al ruziënd zijn teruggekeerd. Toen zij in de herberg wilden vechten, zou de kastelein hen buiten hebben gezet. Vanuit een bovenraam beweerde hij vervolgens getuige te zijn geweest van een gevecht. Het zijn verklaringen die naast elkaar zijn overgeleverd. Op basis van deze berichten alleen valt niet vast te stellen welke lezing juist was.

De vondst in de kalkkuil

Uiteindelijk werd het lichaam van Kortleven aangetroffen in een kalkkuil, bedekt met aarde. Een van de berichten vermeldde dat hij 31 jaar oud was. Over het tijdstip van de ontdekking bestaat echter onduidelijkheid. Het eerste artikel noemt 23 december, maar beschrijft verderop een ruzie op Nieuwjaarsdag en een daaropvolgende aanwijzing van de vindplaats. Het derde bericht laat de ontdekking eveneens volgen op die nieuwjaarsruzie. De chronologie sluit dus niet volledig aan. Over de ernst van de vondst laten de berichten weinig twijfel bestaan. Zij spreken van een zwaar verminkt lichaam. Volgens de weergegeven bevindingen van de lijkschouwing zou Kortleven nog hebben geleefd toen hij in de kuil terechtkwam. Het derde artikel vermeldt verstikking in de kalk als doodsoorzaak. Dat zijn aangrijpende mededelingen uit de toenmalige pers. Het oorspronkelijke verslag van de lijkschouwing is bij deze teksten niet beschikbaar.

Een beschuldiging op Nieuwjaarsdag

In de berichtgeving kreeg een woordenwisseling in de herberg een beslissende plaats. Op Nieuwjaarsdag zou B. ruzie hebben gekregen met A.H. en hem hebben beschuldigd van de dood van Kortleven. De verdachte werd vervolgens aangehouden. In het tweede bericht wordt hij A. Hoogwaerts genoemd, een landbouwer. Het eerste omschrijft hem als een 24-jarige jongeman met een goede reputatie. Hij ontkende de beschuldiging nadrukkelijk. Volgens het eerste artikel kon hij bovendien een alibi aantonen. Diezelfde krant meldde dat men algemeen aan zijn schuld twijfelde. Daartegenover stonden de stellige verklaringen van de herbergier, die beweerde de mishandeling en het verslepen van het slachtoffer te hebben gezien. Een volgend bericht voegde eraan toe dat bij de verdachte bebloede kledingstukken in beslag genomen zouden zijn. De formulering bleef voorzichtig: de krant bracht dit als informatie die haar had bereikt, niet als een rechtstreeks ingezien onderzoeksresultaat. Zo ontstond een beklemmend beeld: een overleden man, een getuige die volgens de berichten pas later sprak, en een verdachte die zijn onschuld bleef volhouden.

Wat de oude kranten openlaten

Een van de artikelen kondigde aan dat Hoogwaerts naar verluidt op 8 februari voor het Limburgse assisenhof in Tongeren zou verschijnen. Een verslag van die rechtszaak of een uitspraak staat niet in de aangeleverde teksten. Zij laten dus niet toe iemand als de bewezen dader aan te wijzen. Ook de jaaraanduiding verdient aandacht. Deze geschiedenis werd aangeleverd onder het jaar 1909, maar de berichten verbinden december met de daaropvolgende Nieuwjaarsdag en februari. Zonder de oorspronkelijke krantendata kunnen die gebeurtenissen niet met zekerheid over de kalenderjaren worden verdeeld. Wat overblijft, is een tragisch stukje Maaslandse geschiedenis. Achter de korte, soms stellige krantenregels ging het leven van Th. Kortleven schuil. Zijn verdwijning bracht onrust; de vondst van zijn lichaam maakte die onrust tot ontzetting. De Maas scheidde de dorpen aan weerszijden van het water, maar het nieuws stak de grens over. Meer dan een eeuw later dragen die oude berichten de herinnering verder — met de vragen die zij beantwoorden, en met de vragen die zij onbeantwoord laten.

Bronverantwoording: oorspronkelijk herschreven op basis van de drie aangeleverde Nederlandse persberichten. Beschuldigingen en onderzoeksbevindingen zijn daarom weergegeven als mededelingen uit die berichtgeving.

X


KOTEM - GEBOORTEHUIS MARIEKE ALBERTS IS AL MEER DAN 500 JAAR OUD (ARTIKEL JAREN 80)


Updated
De stalen staven voor de ramen aan het huis van Nellie Pelssers verwijzen naar de tijd van de Bokkerijders.

Een huis vol herinneringen aan de Maas

In Geneuth, het kleine gehucht bij Kotem, ligt het verleden soms dichterbij dan men vermoedt. Het schuilt in oude muren, achter een kelderdeur of in een verweerde steen boven een stal. Aan de Maas staat zo’n huis: de voormalige boerderij waar Nellie Pelssers met haar man Albert Conings woonde. Wie alleen naar de gevel keek, kon nauwelijks vermoeden hoeveel verschillende levens dit gebouw volgens haar herinneringen had gekend.

Nellie kwam er in 1960 wonen. Voor Albert was het een terugkeer naar vertrouwde grond. Zijn grootouders hadden er gewoond en hij was er zelf geboren. Het huis behoorde daardoor niet alleen tot de geschiedenis van het gehucht, maar ook tot die van zijn familie. Na zijn overlijden in 1990 bleven voor Nellie de kamers, de binnenplaats en de oude bijgebouwen verbonden met hun gezamenlijke leven.

De voorgevel kijkt uit op de Maas. Die ligging helpt begrijpen waarom het gebouw door de jaren heen uiteenlopende bestemmingen kreeg. Nellie vertelde dat er vóór de tijd van het veerhuis soldaten zouden hebben verbleven. Als tastbare herinnering wees zij op een dichtgemetselde opening in de muur, gericht naar de rivier, die als een voormalig schietgat werd beschouwd. Wat zich daar precies had afgespeeld, bleef evenwel een van de vragen waarop het huis geen volledig antwoord gaf.

Ook de ijzeren staven voor de vensters prikkelden de verbeelding. Aan de overkant van de straat werden bij het leegstaande huis Smeesters vergelijkbare tralies aangetroffen. In het plaatselijke verhaal werden ze verbonden met de angst voor de Bokkerijders, die in de achttiende eeuw in de streek hun sporen nalieten. Of de staven werkelijk met dat doel waren aangebracht, valt uit de overgeleverde tekst niet met zekerheid af te leiden. Ze herinneren in elk geval aan een tijd waarin bewoners hun huis stevig wilden beschermen.

Onder het woonhuis lag nog een ander stukje verleden verborgen. De gewelfde kelders en de mergelblokken werden door Nellie in verband gebracht met een vroegere brouwerij. Op het erf bevond zich bovendien een waterput van ongeveer acht meter diep, die vóór het interview was dichtgemaakt. Zulke overblijfselen vertellen niet alles, maar maken duidelijk dat het gebouw meer was geweest dan een eenvoudige boerenwoning.

Volgens Nellie vonden ook mensen uit de scheepvaart er ooit onderdak. Paarden die boten langs de Maas voorttrokken, konden in de stal uitrusten. Hun begeleiders brachten er eveneens de nacht door, dicht bij hun dieren. Zo krijgt het oude erf in gedachten opnieuw beweging: een paard dat na het trekken wordt uitgespannen, voetstappen op de binnenplaats en reizigers die voor de nacht een rustplaats zoeken.

Rond de Eerste Wereldoorlog kreeg het huis, naar haar zeggen, de functie van veerhuis. De trappen aan de voorzijde leidden naar de plaats waar voetgangers met het veerpont de Maas konden oversteken. Voor de bewoners van beide oevers betekende zo’n overtocht een verbinding met werk, familie en het dagelijkse leven aan de andere kant van het water.

Omstreeks 1930 werden bij het veerhuis ook een café en een winkel uitgebaat. Het gebouw was daarmee een plek waar mensen passeerden, iets kochten, een glas dronken of even bleven praten. Later diende het als boerderij, tot het uiteindelijk uitsluitend een woonhuis werd. Elke bestemming liet iets achter, al was het maar in de herinneringen van wie er had geleefd.

In een muur van de stal zit een steen met het jaartal 1779. Nellie bracht die in verband met de bouw van de achterliggende stallingen. Op de voorgevel vertellen andere tekens over een macht die het leven in Geneuth steeds mee bepaalde: de Maas.

Drie plaatjes houden er de herinnering aan vroegere waterstanden vast. Eén draagt de datum 23 december 1880, een ander 1 januari 1926. Vooral dat laatste wees Nellie aan als herinnering aan het uitzonderlijk hoge water. Een derde vermeldt ‘40 el 49 duim boven Amsterdams Peil’, zonder jaartal. Voor een voorbijganger lijken het misschien kleine bijzonderheden. Voor wie langs de rivier woont, zijn het tekens van momenten waarop het water tot bij de huizen kwam en het vertrouwde landschap veranderde.

Die aanduidingen trokken destijds al de aandacht van toeristen en schoolkinderen. Ze bleven voor de gevel staan, bekeken de hoogte en probeerden zich voor te stellen hoe de Maas daar ooit had gestaan. Een eenvoudig plaatje maakte het verleden plots zichtbaar.

Bij de voorbereiding van een film over Maasmechelen kwamen de verhalen van Nellie en het oude huis uitgebreider aan het licht. Volgens de herinnering bij het artikel werd de film later in de schouwburg van Maasmechelen vertoond en kreeg ook het kleine Geneuth daarin ruime aandacht.

Toch bleef een deel van de geschiedenis onopgehelderd. Nellie besefte zelf dat niemand nog precies wist wat het gebouw allemaal had meegemaakt. Misschien ligt juist daarin de aantrekkingskracht van zo’n oude woning. Niet elke steen geeft zijn verhaal prijs, niet elke herinnering kan nog worden nagegaan.

Aan de Maas bleef het huis staan, met zijn trappen, tralies, gewelven en watermerken. Een stille getuige van mensen die er woonden, werkten, overnachtten en vertrokken. En van een rivier die telkens weer haar eigen hoofdstuk aan de geschiedenis van Geneuth toevoegde.

X

MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) KOTEM (TOEN COTHEM) - OP DE BOORDEN DER MAAS TE GENHEUTH (NU GENEUTH) 1921

Updated

Aan de oever van de Maas staat een kudde rundvee verspreid over het gras. Sommige dieren grazen met de kop naar beneden, andere kijken in de richting van de fotograaf. Achter hen ligt de rivier, met enkele smalle bootjes dicht bij de kant. Aan de overzijde tekent zich een rij bomen af, weerspiegeld in het water. Het is een eenvoudig tafereel, maar juist daarin schuilt de waarde van deze oude prentkaart: ze bewaart een stukje dagelijks leven dat ooit vanzelfsprekend was. Bovenaan staat het opschrift: “MECHELEN a/M — Op de boorden der Maas te Genheuth.” De kaart, hier aangeduid met het jaartal 1921, voert ons naar het huidige Geneuth, bij Kotem. De oudere schrijfwijzen Genheuth en Cothem horen bij de plaatsnamen die we op historische kaarten en prentkaarten tegenkomen. Dat de kaart Mechelen-aan-de-Maas vermeldt, is betekenisvol. Geneuth was vroeger een enclave van die gemeente. Het gehucht werd pas in 1970 bij Kotem gevoegd. Op de achttiende-eeuwse Ferrariskaart staat het al aangeduid als Hameau Op Geenhuyt. Achter het bescheiden Maasgezicht gaat dus ook een geschiedenis van oude plaatsnamen en gemeentegrenzen schuil. De runderen bevinden zich volgens de aangeleverde beschrijving op de Weerd, de uitgestrekte en vruchtbare weilanden langs de Maas. Hier vormden gras, vee en rivier samen een vertrouwd landschap. Voor de landbouwende bevolking waren zulke gronden van groot belang. Ze boden ruimte om dieren te laten grazen en maakten deel uit van de bestaansmiddelen van de dorpen langs het water. De vruchtbaarheid van de Maasvallei was mede het werk van de rivier zelf. Bij overstromingen zette de Maas slib af, waardoor in de loop van de tijd rijke landbouwgronden ontstonden. De weilanden op deze foto moeten we daarom zien als onderdeel van een landschap dat door zowel de natuur als het boerenwerk werd gevormd. Vóór de Eerste Wereldoorlog hadden landbouw en veeteelt een belangrijke plaats in het leven van de Mechelaren. Mechelen-aan-de-Maas was tot in de twintigste eeuw een klein landbouwdorp. Daarbij bestond een duidelijk verschil tussen de vruchtbare gronden nabij de Maas en de armere heidegronden verder naar het westen. De ligging van een akker of weide bepaalde mee welke mogelijkheden een gezin had om zijn bestaan op te bouwen. Op de prentkaart krijgt die landbouwgeschiedenis een tastbare vorm. We zien geen cijfers of eigendomsakten, maar dieren aan het water, mensen langs de oever en bootjes die herinneren aan het gebruik van de rivier. Wie de runderen bezat en welke taak de afgebeelde personen uitvoerden, valt uit de foto alleen niet met zekerheid af te leiden. Het beeld toont wel hoe dicht het dagelijkse leven zich bij de Maas afspeelde. In de jaren na deze kaart zou de streek sterk veranderen. In Eisden begon de steenkoolontginning in 1923. De mijn bracht nieuwe werkgelegenheid en trok mensen van elders aan. Geleidelijk kreeg de omgeving een ander aanzien en veranderde ook het bestaan van vele landbouwersgezinnen. Toch bewaart dit Maasgezicht de herinnering aan het oudere land. Aan een oever waar runderen graasden, waar bootjes tegen de kant lagen en waar het werk afhankelijk bleef van grond, seizoenen en water. De kudde op de Weerd maakt die verdwenen wereld even zichtbaar: het landelijke Mechelen-aan-de-Maas, met Geneuth als een kleine plek in de grote geschiedenis van de rivier.

MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) - GEZICHT AAN DE MAAS

Ingekleurde versie

Updated

Kinderen op de oever, koeien bij het water en een man met zijn fiets: deze oude prentkaart bewaart een eenvoudig maar sprekend gezicht op het vroegere Maasland.

De Maas ligt rustig tussen haar oevers. Bomen spiegelen zich in het water en aan de overkant sluit een brede strook groen het uitzicht af. Op de voorgrond staan drie kinderen. Twee houden elkaar bij de hand. Verderop bevindt zich een vrouw, terwijl rechts een man met een donkere hoed bij zijn fiets staat. Daartussen zoeken twee koeien hun weg langs de grazige helling naar het water. Bovenaan staat het opschrift: ‘Mechelen a/d Maas — Gezicht aan de Maas’. Het is een bescheiden titel voor een beeld waarin veel samenkomt: het landschap, het vee en de mensen die er een ogenblik deel van uitmaken. De precieze opnamedatum en de namen van de afgebeelde personen zijn niet vastgesteld. Toch biedt de oorspronkelijke foto een waardevol aanknopingspunt om te vertellen over de vroegere band tussen Mechelen-aan-de-Maas en de rivier. Tot in de twintigste eeuw was Mechelen-aan-de-Maas een klein landbouwdorp, met de Maas aan de oostzijde en heidegronden aan de westzijde. Die ligging bracht duidelijke verschillen met zich mee. De gronden nabij de rivier waren vruchtbaarder dan de schrale heidegrond. Dat verklaarde het verschil mee waarom de oude dorpskern zich aan de oostkant ontwikkelde en het gehucht Boseinde langzamer groeide. De kinderen geven het beeld zijn bijzondere karakter. Hun houding maakt van het landschap meer dan een verzameling bomen en water. De man met de fiets en de vrouw verderop trekken eveneens de aandacht. misschien hielden zij even halt voor de fotograaf. Het rustige water toont slechts één stemming van de Maas. De rivier kon ook dreigend worden. Overstromingen en veranderingen van de rivierloop hebben de Maasvallei eeuwenlang gevormd. Oude geulen, afgesneden bochten en verschillen in het reliëf herinneren daaraan. Ook Mechelen bleef niet gespaard: de historische beschrijving van het dorp vermeldt een uitzonderlijk zware overstroming in 1740. Achter het kalme uitzicht van deze prentkaart schuilt dus een landschap waarmee bewoners voortdurend rekening moesten houden. In de twintigste eeuw veranderde de streek ingrijpend. Mijnbouw, grindwinning, de groei van de bevolking en veranderingen in de landbouw drukten hun stempel op de Maasvallei.  De plaatsnaam bovenaan behoort eveneens tot de geschiedenis. Mechelen-aan-de-Maas ging op 1 januari 1971 samen met Eisden, Vucht en Opgrimbie op in de nieuwe gemeente Maasmechelen. Een verdere gemeentelijke fusie volgde op 1 januari 1977. Op deze kaart blijft de vroegere naam leesbaar, verbonden met het water dat er al zo lang deel van het landschap uitmaakt. Zo bewaart dit ‘Gezicht aan de Maas’ een ogenblik dat gemakkelijk voorbij had kunnen gaan. De kinderen staan stil, de fiets wacht en de koeien bevinden zich vlak bij het water. Het is een klein tafereel, maar juist daarin ligt de waarde: een stukje Mechelen-aan-de-Maas waarin het vroegere leven nog een herkenbaar gezicht krijgt.

X





vrijdag 9 oktober 2026

MEERS (NEDERLAND) WEERTERHOF (ARTIKEL 1990)

Updated
Het Weerterhof aan de voorzijde. Volgens de oorspronkelijke bladzijde werd het linkerdeel met de vroegere schuttenkamer in zijn oorspronkelijke staat gerestaureerd; het rechterdeel was toen nog oorspronkelijk bewaard.

Updated

De noordoostzijde van het Weerterhof, op de oorspronkelijke bladzijde beschreven als nog in haar oorspronkelijke staat bewaard.


Het Weerterhof — tussen Mechelen, Elsloo en de Maas

Achter de verweerde gevels van het Weerterhof schuilt een geschiedenis die nauw verbonden is met de Maas. De twee foto’s tonen verschillende zijden van dezelfde hoeve: stevige muren, oude pannendaken en een erf waar het landelijke verleden nog voelbaar is. Het lijkt een rustige plek, maar de rivier bepaalde hier eeuwenlang hoe mensen woonden, werkten en elkaar konden bereiken. Het gebied rond de hoeve stond bekend als de Proostenweerd. Het behoorde vroeger tot Mechelen-aan-de-Maas, hoewel het afgelegen lag ten opzichte van de dorpskern en aan Elsloo grensde. De naam verwijst naar de proost van het Sint-Servaaskapittel in Maastricht, die landsheer van Mechelen was. Een weerd of waard is land dat door rivierarmen wordt omsloten. In deze streek was dat geen onveranderlijke toestand: de Maas verlegde haar bedding en kon vertrouwde verbindingen doorsnijden. De hogeproost liet in het Weerterhof een schuttenkamer onderbrengen, plaatselijk ook een ‘sjöttekamer’ genoemd. Daarmee bleef de band met Mechelen zichtbaar, ondanks de afstand. Volgens diezelfde tekst werd pas in 1842 een einde gemaakt aan de Mechelse verbondenheid van het gebied en werd het bij Elsloo gevoegd. De afgelegen ligging had ook een praktische keerzijde. Vooral in de winter kon de weg vanuit Mechelen moeilijk begaanbaar zijn. Toch beschrijven plaatselijke geschiedkundige publicaties het Weerterhof als een ontmoetingsplaats van de Mechelse schutterij, waar bijeenkomsten en gezamenlijke maaltijden plaatsvonden. Over de precieze historische betekenis van het woord schuttenkamer bestaat overigens verschil van inzicht: een onderzoeksrapport noemt ook een mogelijke functie als schoutenkamer, waar recht werd gesproken. De verschillende functies hoeven daarom niet zonder meer als één vaststaand verhaal te worden voorgesteld. Naast deze bestuurlijke en plaatselijke geschiedenis was er het dagelijkse leven langs de rivier. Voordat de scheepvaart over eigen motorkracht beschikte, werden schepen op de Maas stroomopwaarts getrokken door paarden. Die liepen langs een lijnpad of jaagpad op de oever, begeleid door lijndrijvers. Tegen de stroming in een geladen schip voortbewegen vroeg veel van mens en dier. Bij het Maaskruis tussen Vucht en Mechelen-aan-de-Maas veranderde de vaargeul van oever. Daar moesten ook de paarden en hun begeleiders de rivier oversteken om hun tocht langs het andere jaagpad voort te zetten. Dat was een gevaarlijk onderdeel van het werk. Bij het kruis stond een offerblok: men offerde voor een veilige overtocht en herdacht de drijvers die daarbij waren omgekomen. Het bewaarde Maaskruis herinnert nog aan die vroegere trekkersroute. In dat bestaan had een rustplaats grote waarde. Het Weerterhof was een plek waar lijndrijvers en paarden op verhaal konden komen. Ook de plaatselijke geschiedschrijving vermeldt een schippersherberg bij de hoeve. Zo was het hof verbonden met zowel het boerenleven als het verkeer op de Maas. De eerste foto toont de voorzijde met de aaneengesloten bouwdelen. Het linkerdeel waarin vroeger de schuttenkamer was ondergebracht, is in zijn oorspronkelijke staat gerestaureerd. De tweede foto laat de noordoostzijde zien, die eveneens haar oude toestand heeft behouden. Die beschrijvingen horen bij het moment waarop de oorspronkelijke foto’s en onderschriften werden gemaakt in 1990.

Samen vertellen de beelden meer dan het verhaal van een oude hoeve. Ze herinneren aan een afgelegen stukje Mechels grondgebied, aan schutters en rivierwerkers, aan paarden op het lijnpad en aan de Maas die telkens opnieuw haar weg zocht. Het Weerterhof bleef staan, terwijl het landschap eromheen veranderde. Juist daarin ligt zijn bijzondere betekenis: een stille getuige van een Maasland waarin water, arbeid en menselijke verbondenheid nauw met elkaar verweven waren.

PS: Het Weerterhof ligt bij Meers, nabij Elsloo, aan de Nederlandse kant van de Maas, tegenover de omgeving van Mechelen-aan-de-Maas. Het bestaat nog steeds, aan Op de Weerdt. Vroeger behoorde het terrein tot de Proostenweerd, een afgelegen stukje grondgebied van Mechelen-aan-de-Maas. Doordat de Maas haar loop verlegde, raakte de hoeve van Mechelen gescheiden en kwam ze aan de kant van Meers en Elsloo te liggen. Daarom wordt het Weerterhof in de geschiedenis van zowel Mechelen als Elsloo vermeld.

X

VEERBOOT OP DE MAAS IN GENEUTH (TOEN GENHEUT)

Updated en ingekleurd

Genheut, waar de Maas de mensen samenbracht

Een brede waterspiegel, bomen die zich in de rivier weerspiegelen en een oever waar enkele mensen bij een klein vaartuig staan (de veerboot). De oude foto van Genheut bewaart een eenvoudig Maaslands tafereel. Geen grootse gebeurtenis, maar een stukje dagelijks leven dat door de jaren heen bijna ongemerkt geschiedenis werd. Hier maakt de Maas een sierlijke bocht richting Vucht. Langs het water liggen de oevers open, met bomenrijen, struiken en grond die telkens opnieuw door de rivier werd gevormd. Het beeld straalt rust uit. Toch vertelt het kleine veer aan de kant dat deze plek ook een plaats van komen en gaan was. De familie Conings verzorgde hier tot aan de Tweede Wereldoorlog de overvaart naar het Nederlandse Meers. Achter die korte vermelding schuilt een vertrouwde verbinding tussen twee oevers. Wie naar de overkant wilde, kon hier de Maas oversteken. Voor de dorpen langs de Maas lag het leven aan de overzijde soms dichterbij dan de landkaart doet vermoeden. De rivier vormde een grens, maar het veer maakte die grens overbrugbaar. In de lokale geschiedschrijving over Meers wordt beschreven hoe mensen en fietsen bij kermisgelegenheden naar Geneuth werden overgezet. Zo diende de overvaart ook het eenvoudige plezier van een bezoek aan de andere kant. Op de foto blijven de mensen klein tegenover het brede water. Hun namen kennen we niet. Evenmin weten we waarvoor ze die dag aan de Maas stonden. Juist dat geeft het beeld zijn bijzondere waarde: het bewaart een ogenblik zonder alles uit te leggen. Een houding, een boot tegen de kant, een houten ton op de oever — kleine bijzonderheden die het vroegere landschap menselijk maken. Bij het kijken kunnen we ons het zachte klotsen tegen het hout voorstellen, het geritsel van de bladeren en een kort gesprek aan de waterkant. Het zijn gedachten die de foto oproept, geen vastgelegde herinneringen van de afgebeelde personen. Maar ze helpen ons te begrijpen hoe gewoon zo’n oversteek ooit kon zijn. Het werk van een veerman vroeg vertrouwdheid met het water. De rustige Maas van deze opname toont slechts één gezicht van de rivier. De familie Conings woonde ook langs de Maas in Geneuth. Een latere beschrijving van hun hoeve vermeldt dat na de overstroming van 1926 een betonnen waterkeringsmuur tussen het pand en de rivier kwam te liggen. Zo stonden wonen, werken en bescherming tegen het water hier dicht bij elkaar.

Vandaag kijken we naar bomen, water en enkele mensen aan de kant. Wie wat langer kijkt, ziet ook een verbinding die verdwenen is. Hier begon voor iemand de weg naar Meers. Hier kwam een ander weer thuis. En tussen die twee oevers lag de Maas: soms rustig, soms onberekenbaar, maar altijd aanwezig in het leven van het Maasland.


donderdag 8 oktober 2026

KOTEM /ELSLOO - RUÏNE VAN HET KASTEEL VAN ELSLOO ZICHTBAAR BIJ LAAGWATER 1969

Ingekleurde versie

Update

De Maas geeft haar geheimen niet zomaar prijs. Meestal houdt zij ze verborgen onder het stromende water. Maar wanneer het peil voldoende zakt, komen bij Elsloo oude muurresten tevoorschijn. Dan wordt even zichtbaar wat de rivier eeuwen geleden aan de menselijke bewoning heeft onttrokken: de resten die worden toegeschreven aan het verdronken kasteel van Elsloo. De bouwfragmenten liggen verspreid over een gebied van ongeveer veertig bij vijftig meter. Het grootste fragment steekt bijna vier meter boven de rivierbodem uit. Het zijn indrukwekkende overblijfselen, zeker wanneer men bedenkt dat op deze plaats ooit een burcht stond, met muren die bescherming moesten bieden en een uitzicht over het Maasland. De ligging aan het water had voordelen. De rivier vormde een belangrijke verbinding en bood de kasteelheren mogelijkheden om inkomsten te halen uit de scheepvaart. Maar diezelfde Maas kon ook een bedreiging worden. Door de eeuwen heen veranderde haar loop en tastte zij de oever aan. Uiteindelijk vielen delen van de oude bewoning aan het water ten prooi. De kasteelresten herinneren aan die voortdurende wisselwerking tussen mens en rivier.  In 1969 maakte een lage waterstand de muren bijzonder goed zichtbaar. Die gelegenheid werd benut om de overblijfselen vast te leggen. Op de foto staat pater Munsters uit Stein, bekend om zijn belangstelling voor de oudheidkunde en de geschiedenis van de streek. Zijn aanwezigheid bij de ruïne verbindt het oude bouwwerk met de mensen die het verleden wilden onderzoeken en bewaren. Ook de plaatselijke geschiedschrijving vermeldt hem bij de opnamen uit dat jaar.  De vindplaats was al bekend toen het archeologische onderzoek voor de Maaswerken begon. Later konden onderzoekers ook onder water naar bouwresten zoeken: in 2004 werd daarvoor akoestisch bodemonderzoek uitgevoerd. Toch blijft onzeker hoe het vroegere kasteel er precies heeft uitgezien. De bewaarde fragmenten geven slechts een deel van zijn geschiedenis prijs. Juist daardoor spreekt deze plek zo tot de verbeelding. Waar ooit mensen woonden, klinken nu het water en de wind. Bij laagwater verschijnt even een stukje van hun verdwenen wereld. Daarna stijgt de Maas opnieuw en verdwijnen de muren weer uit het zicht.

X

woensdag 7 oktober 2026

GENK (TOEN GENCK) - DE MOLEN

Ingekleurde versie

Updated

De windmolen van Genk — een verdwenen dorpsgezicht

Boven het veld verheft zich de donkere houten molen, met verderop de ranke kerktoren. Het is een beeld van het landelijke Genk: groen, open ruimte en twee herkenningspunten die boven het dorp uitsteken.  De molen stond op de Stichelsberg, nabij de huidige Schabartstraat, Berglaan en Hoogstraat. De oude begeleidende tekst laat zijn geschiedenis vóór 1842 beginnen. Het onderzoek dat Molenecho’s samenbrengt, vermeldt echter een bouwvergunning uit 1868 en een kadastrale registratie in 1870. Arnold Vaes, die eerder de Genkse Dorpsmolen pachtte, was betrokken bij deze windmolen. Zijn zoon Martinus en later kleinzoon Jan Renier zetten het molenaarswerk voort. Na andere huurders en een verkoopprocedure werd de molen in 1910 door molenmaker Theodoor Janssen afgebroken en naar Zonhoven overgebracht. Daarmee verdween zijn vertrouwde silhouet uit Genk. In het Zonhovense gehucht Heuven kreeg hij een tweede leven als de molen van Pieter Jan Evers-Vaes. Daar werd de windmolenbedrijvigheid in 1930 gestaakt. In 1935 volgde de afbraak; het malen werd voortgezet in een elektrische maalderij. Wat bleef, is dit stille dorpsgezicht. De houten molenkast, het veld en de kerktoren bewaren samen de herinnering aan een landschap waarin windkracht nog deel uitmaakte van het dagelijkse werk.

X




GENK (TOEN GENCK) - HÔTEL DES ARTISTES OMSTREEKS 1905

Ingekleurde versie

Updated

Hôtel des Artistes — toen Genk nog een schildersdorp was

Een smalle kasseiweg, bomen langs de straat en rechts een hotel waarvan de naam nog duidelijk op de gevel staat: Hôtel des Artistes. Deze oude prentkaart bewaart een stukje Genk dat ver van de huidige stadsdrukte lijkt te liggen. Mensen houden halt bij het logement, terwijl verderop de kerktoren boven het groen uitsteekt. Het precieze opnamejaar is niet vastgesteld, maar het beeld ademt de sfeer van Genk rond de vorige eeuwwisseling. Genk was in de negentiende eeuw een Kempisch boerendorp, omringd door heide, vijvers, moerassen en verspreide gehuchten. Vanaf omstreeks 1840 vonden kunstenaars hun weg naar dat landschap. Zij kwamen er voor de ruimte, het licht en de weerspiegelingen op het water. Tussen 1840 en 1940 bezochten honderden landschapsschilders het dorp. Logementen zoals Hôtel de la Cloche en later Hôtel des Artistes boden hun een onderkomen. Een van die bezoekers was Emile Van Doren, geboren in Brussel in 1865. Als jonge student van de Brusselse kunstacademie ontdekte hij Genk rond 1890. Wat voor anderen een schilderuitstap bleef, werd voor hem een nieuw bestaan. In 1893 vestigde hij zich er voorgoed. Hij ontmoette er Cidonie Raikem, die een herberg uitbaatte in de Stationsstraat, de vroegere Statiestraat. Op 22 februari 1898 trouwden zij, met de kunstenaars Herman Richir en René Ovyn als getuigen. Samen bouwden zij het logement uit tot het bekende Hôtel des Artistes. Cidonie speelde daarin een belangrijke rol. Oude postkaarten vermelden de uitbating onder de naam ‘Madame Van Doren’. Het hotel werd een ontmoetingsplaats voor kunstenaars en bemiddelde bezoekers die het landelijke Genk kwamen ontdekken. Ook Van Dorens schilderijen vonden er hun publiek: het logement deed tegelijk dienst als galerie. Zo kwamen gastvrijheid en schilderkunst onder hetzelfde dak samen. Bij deze geschiedenis hoort wel een onderscheid dat in oudere teksten soms verloren ging. Hôtel des Artistes was niet dezelfde herberg als ‘Bij Merieës’, ook bekend als het logement van Marie van Mengske. Daar verbleven onder meer leerlingen van landschapsschilder Joseph Coosemans. Armand Maclot, die Genk in 1899 voor het eerst bezocht, herinnerde zich de oude Statiestraat als een smalle kasseiweg met aarden bermen, berken en eenvoudige huizen. Zijn beschrijving laat begrijpen waarom deze dorpsomgeving zo’n indruk maakte op schilders uit de stad. Omstreeks 1913 liet Van Doren villa Le Coin Perdu bouwen nabij de Molenvijver. Die kunstenaarswoning huisvest tegenwoordig het Emile Van Dorenmuseum. Hij overleed in 1949, maar de band tussen zijn naam en het Genkse landschap bleef bewaard. Op deze prentkaart lijkt dat oude schildersdorp nog even dichtbij. De kasseien, de bomen en de hotelgevel bewaren de herinnering aan een tijd waarin bezoekers naar Genk kwamen met een koffer, een schildersezel en aandacht voor het landschap. Een eenvoudig straatbeeld, maar tegelijk een tastbaar spoor van een bijzonder hoofdstuk uit de plaatselijke geschiedenis.

X

GENK (TOEN GENCK) - WEG NAAR AS

Ingekleurde versie

Updated

De Weg naar As — een blik op het oude Genck

Twee kinderen staan naast elkaar op een brede, onverharde weg. Hoge bomen werpen hun schaduw over de bermen, een houten afsluiting begeleidt de straat en rechts sluiten eenvoudige woningen aan bij het dorpsbeeld. Deze oude prentkaart bewaart een stukje Genk dat intussen nauwelijks nog herkenbaar is: de Weg naar As, toen op de kaart aangeduid als “Route vers Asch”. De opname dateert van vóór 1903. De fotograaf keek vanaf café “De la Montagne” in de richting van het Stationsplein. Links lag het oude station met zijn spoorwegomgeving. De kinderen vormen het stille middelpunt van de foto. Wie ze waren, weten we niet, maar hun aanwezigheid geeft het verdwenen straatbeeld iets vertrouwds. De spoorweg had het dorp toen al met de buitenwereld verbonden. Op 3 maart 1874 opende het eerste station van Genk aan de lijn Hasselt–Maaseik. Daarmee kreeg het kleine Kempense dorp een verbinding die later een belangrijke rol zou spelen in zijn ontwikkeling. In 1912 nam de Belgische Staat de exploitatie van de lijn over. Een overname door de NMBS werd in 1926 opgericht. Met de trein kwamen ook bezoekers naar het Genkse landschap. Schilders, natuurliefhebbers en vakantiegangers vonden gemakkelijker hun weg naar de heide, de vijvers en de dorpsherbergen. Het Emile Van Dorenmuseum beschrijft hoe de spoorverbinding de aantrekkingskracht van Genk als schildersdorp versterkte. De locomotief op de lijn kreeg later de bijnaam “Coco”. Zo hoorde het geluid van de trein bij een omgeving die op deze prentkaart nog uitgesproken landelijk oogt. De mijnontwikkeling veranderde vervolgens het spoorwegnet. Nieuwe verbindingen via de mijnzetels maakten het oorspronkelijke traject langs het dorpscentrum minder belangrijk. Volgens Train World ging het oude station in 1941 buiten dienst. In 1943 braken de Duitse bezettingstroepen de spoorlijn op. Daarmee verdween de spoorweg die jarenlang naast deze dorpsweg had gelegen. Delen van de vroegere bedding werden later opgenomen in de Europalaan. Ook de gebouwen rond het station verdwenen geleidelijk. Het spoorwegbeheer bouwde op 27 maart 1920 een woning voor de stationschef, tussen het spoor, de Weg naar As en de Stationsstraat. Die woning werd in december 1969 afgebroken bij de aanleg van de Europalaan. Wat overblijft, is deze blik op het oude Genck. Een afgeleefde weg, hoge bomen, huizen langs de berm en twee kinderen die even blijven staan voor de fotograaf. Het station en de spoorlijn zouden verdwijnen, de omgeving zou grondig veranderen. 

X

GENK (TOEN GENCK) - DE STATIONSSTRAAT OMSTREEKS 1910

Ingekleurde versie

Updated

GENK OMSTREEKS 1910 — DE STATIONSSTRAAT, TOEN DE STILTE NOG TUSSEN DE KASSEIEN LAG

Een straat met bomen, een eenvoudig hekwerk en tramrails die tussen de kasseien naar de verte lopen. Deze oude prentkaart brengt ons naar de Stationsstraat van Genk, omstreeks 1910. Bovenaan stond de Franse benaming Genck — Rue de la Station et Hôtel de la Poste. Het is een gezicht op een dorp waarin de moderne tijd al haar sporen trok, maar het landelijke karakter nog duidelijk aanwezig was. Links staat het Hôtel de la Poste, met zijn brede zijgevel en lange voorgevel langs de straat. Dit gebouw was het huis van windmolenaar Vaes, gebouwd omstreeks 1848. Ook de molengeschiedenis van Genk situeert de molenaarswoning in het dorpscentrum en noemt dat bouwjaar bij benadering. De woning stond dus niet naast de windmolen: die bevond zich elders, bij de huidige Schabartstraat en Windmolenstraat. Zo bewaart deze kaart ook een stukje geschiedenis van een molenaarsfamilie die haar plaats had in het dagelijkse leven van Genk. Voor 1829 was de Rotterdamse schoenmaker Boonen Herman Jacob bewoner op deze plek. Dat jaartal ligt vóór de opgegeven bouwdatum van het afgebeelde huis en kan daarom niet zonder meer op hetzelfde gebouw worden betrokken. Toch geeft die vermelding iets kostbaars mee: achter een gevel schuilt meer dan een bouwgeschiedenis. Er woonden mensen, er werd gewerkt en er werden levens opgebouwd. Rechts, op de hoek van de Molenstraat, stond volgens dezelfde beschrijving een gietijzeren handwijzer met de aanduiding “Mechelen 15 km”. Een bescheiden wegwijzer, maar voor wie te voet, met de fiets of met paard en kar onderweg was, een nuttig herkenningspunt. In de verte situeert zich het gemeentehuis en de school. Het oude gemeentehuis aan de Oude Markt dateert van 1909: bij een opname omstreeks 1910 was het dus nog een betrekkelijk nieuw gebouw. De rails brengen beweging in dit stille straatbeeld. Het onderschrift bewaart daarbij een levendige herinnering aan burgers die zich aan een voorbijrijdende tram waagden om aan het vuur een pijpje aan te steken. Of dat vaak gebeurde, valt uit deze bron alleen niet vast te stellen. Het verhaal past wel bij de volkse herinneringen waarin de tram meer was dan vervoer: hij hoorde bij het dorpsleven. Tussen het Hôtel de la Cloche en het molenaarshuis liep buurtweg nummer 3, over de beek en langs de zavel naar Winterslag. Ook de straatverlichting krijgt een plaats in die herinnering. De gemeente liet petroleumlantaarns verzorgen door “Bijneese Jan” uit de Molenstraat, die tevens grafmaker was. Hij moest ze aansteken en doven. Achter het avondlicht in de straat zat dus nog de dagelijkse ronde van een dorpsgenoot. Genk stond aan de vooravond van grote veranderingen. De mijnontginning zou vanaf 1917 in Winterslag, vervolgens in Waterschei en Zwartberg, de groei van de gemeente sterk bepalen. Op deze kaart overheersen nog de bomen, de lage bebouwing en de open straat. Juist daarin ligt de bekoring van dit beeld. Twee rails tussen oude kasseien, een hotel bij het dorpscentrum en een weg die rustig naar de verte loopt. Het oude Genk is hier nog dichtbij — alsof straks iemand buitenkomt, de straat oversteekt en zijn buurman bij naam begroet.

X




GENK (TOEN GENCK) - DE TRAPKENS OMSTREEKS 1910

Ingekleurde versie

Updated

De Trapkens van Genk — waar het oude dorp nog even blijft bestaan

Sommige oude prentkaarten bewaren meer dan een straatbeeld. Ze tonen een stukje dorpsleven dat uit het dagelijkse zicht verdwenen is, maar in namen en herinneringen blijft voortbestaan. Zo ook deze opname van de Genkse Trapkens: brede treden tussen een hoge muur en dicht op elkaar gebouwde huizen, met daarachter een straat die verder het dorp in loopt. Boven de gevels hangen draden aan zware isolatoren. Het is een eenvoudig tafereel, maar juist daarin schuilt zijn waarde. De Trapkens is gesitueerd op het tracé van de oude Hoogstraat. Die verbond het centrum via de Schabartstraat, ook aangeduid als Lijkweg, met de richting Zutendaal en Maastricht. Het straatje maakte daarmee deel uit van een ouder wegennet, gevormd in een tijd waarin de verbindingen tussen dorp, gehuchten en omliggende gemeenten het dagelijkse verkeer bepaalden. De hoogteverschillen waren daarbij geen bijkomstigheid. De naam Hoogstraat verwijst volgens de studie Genker straatnaamgeving in de twintigste eeuw naar de hogere ligging tegenover het lager gelegen centrum. In de treden op de foto wordt dat reliëf bijna tastbaar: hier moest men werkelijk omhoog om zijn weg voort te zetten. De huidige Hoogstraat kwam rechts vóór de afgebeelde bebouwing te liggen. Toen de Berglaan voor het verkeer werd opengesteld, werd het Trapkensstraatje voor doorgaand verkeer afgesloten. Midden op de weg plaatste men daarvoor een blauwe steen die vervolgens in het Molenvijverpark terechtkwam, rond het ringevenement. Zo kon een bescheiden obstakel uit het dagelijkse straatverkeer zelf een herinnering aan het vroegere dorp worden. Links op de foto staat de muur die de hoger gelegen kerk- en kerkhofgrond begrensde. Deze muur werd in 1890 voor 9.000 frank werd gebouwd. Het ijzeren hek erboven en de bebouwing aan de overzijde geven de doorgang een besloten karakter. Kerk, kerkhof, woningen en straat lagen hier dicht bij elkaar. Dat past bij het oude Genk, waar de Sint-Martinuskerk en de dorpskern lange tijd een centrale rol vervulden voor de omliggende gehuchten.  Rechts bevond zich de winkel die men kende als “bij Kesterswijke”. Het was een naam die kennelijk langer meeging dan de oorspronkelijke functie van het pand, want de zaak was geruime tijd een tijdschriftenwinkel. Zulke benamingen horen bij de geschiedenis van een dorp: een winkel bleef in de volksmond verbonden met de mensen die er woonden of handel dreven, ook wanneer de bestemming veranderde. Tot na de Tweede Wereldoorlog hield ook de plaatselijk als “Pietje de dood” bekende begrafenisondernemer hier zijn zaak. Het is een opvallend detail naast de nabijheid van kerk en kerkhof. Achter de gevels op deze foto ging het gewone leven verder, met zijn boodschappen en ontmoetingen, maar ook met afscheid en rouw. Intussen veranderde Genk ingrijpend. De ontwikkeling van de mijnindustrie bracht nieuwe woonwijken, een sterke bevolkingsgroei en een steeds uitgebreider wegennet. Het oude dorpscentrum werd bovendien in 1944 zwaar getroffen door een bombardement waardoor het vroegere stratenpatroon slechts gedeeltelijk bleef behouden. Oude opnamen als deze bewaren daardoor ook de samenhang van plekken die later een ander uitzicht kregen.  De Trapkens blijven op deze foto een doorgang op mensenmaat. De treden, de muur en de vertrouwde gevels vertellen samen over een Genk dat nog dicht rond zijn kerk lag. Wie aandachtig kijkt, ziet tussen de stenen niet alleen een verdwenen straatbeeld, maar ook de stille sporen van het leven dat zich er heeft afgespeeld.

X




MAASMECHELEN HEIRSTRAAT / DEKEN BERNARDSTRAAT

Ingekleurde versie Updated Heirstraat in 1989 — een vertrouwde hoek in een nieuwe gedaante Deze foto, gedateerd in 1989, toont hoe ingrijpen...