dinsdag 8 september 2026

LANAKEN - TREIN EN STATION IN DE JAREN 80

Updated

Updated

Deze twee foto’s brengen ons terug naar het Lanaken van de jaren 80, toen het spoor nog een vertrouwd onderdeel van het dagelijkse landschap was. Een gele reizigerstrein rijdt over de imposante spoorbrug, terwijl op het uitgestrekte rangeerterrein lange rijen goederenwagons wachten op hun volgende bestemming. Het geluid van dieselmotoren, piepende remmen en metalen koppelingen hoorde toen nog bij Lanaken.

X

maandag 7 september 2026

MAASMECHELEN (MECHELEN A D MAAS) - KERKPLEIN 1902

Ingekleurde versie

Updated

Op deze opname uit 1902 staat de parochiekerk van Mechelen-aan-de-Maas nog vrij en beeldbepalend in het oude dorpscentrum. Het kerkplein vormde destijds niet alleen het religieuze hart van de gemeente, maar ook een belangrijke ontmoetingsplaats waar de Mechelaren na de mis samenkwamen en het dorpsnieuws uitwisselden. De eerste kerk van Mechelen stond niet op deze plaats, maar op het oude kerkhof langs de Hemelrijkstraat. Omdat het gebouw bouwvallig was geworden, werd het omstreeks 1850 gesloopt. De nieuwe kerk moest dichter bij de woningen en midden in de dorpskern komen te staan. Zo ontstond de huidige neoclassicistische Sint-Monulfus- en Gondulfuskerk, waarvan de bouw in 1852 werd aangevat naar een ontwerp van provinciaal architect Lambert Jaminé. Het werd een hoofdzakelijk bakstenen, driebeukige kerk met een hoge westertoren, hardstenen hoekbanden en een monumentale voorgevel. De voorbereiding van de bouw begon echter al eerder. Op zondag 6 juli 1851 gingen de Mechelaren aan de slag met de voorbereidende werkzaamheden voor het bakken van de brikken. Willem Schreurs, een schipper die op de Hal in Kotem woonde, zou voor rekening van de gemeente maar liefst 1.355.000 bakstenen vervaardigen. Ook het vervoer van de bouwmaterialen werd voor een groot deel door de inwoners zelf verzorgd. Die gezamenlijke inspanning leverde de gemeente een besparing van 10.231,50 frank op. Dat was een aanzienlijk bedrag, want de totale kostprijs van de kerk bedroeg 78.254,75 frank. Om haar aandeel in de bouw te kunnen betalen, moest de gemeente bovendien 286 hectare heide en bossen verkopen. De kerk werd daardoor niet alleen met geld gebouwd, maar ook met grond, arbeid en de gezamenlijke inzet van de Mechelse bevolking. Toen deze foto in 1902 werd gemaakt, stond de kerk er ongeveer een halve eeuw. Ze was inmiddels uitgegroeid tot het vertrouwde middelpunt van het dorp. Hier kwamen de mensen samen voor de zondagse mis, huwelijken, doopsels, processies en begrafenissen. De kerk was toegewijd aan de heiligen Monulfus en Gondulfus, twee zesde-eeuwse bisschoppen van Maastricht. In het gebouw bleven ook oudere cultusvoorwerpen bewaard, waaronder een romaanse doopvont uit de twaalfde eeuw en zestiende-eeuwse beelden van beide patroonheiligen. Meer dan een eeuw later herinnert dit beeld ons niet alleen aan het vroegere Kerkplein, maar ook aan de grote offers die de Mechelaren voor hun nieuwe kerk brachten. Iedere steen droeg iets van hun arbeid. Zo werd de kerk een blijvend monument van geloof, gemeenschapszin en verbondenheid—gebouwd door en voor de inwoners van Mechelen-aan-de-Maas.

X




MAASMECHELEN - RESTANTEN VAN STEENBAKKERIJ EYBEN

Updated

Op de foto staan de laatste restanten van steenbakkerij Eyben, ooit gelegen langs de Zuid-Willemsvaart in Maasmechelen. De vervallen bakstenen gebouwen, de kapotte ramen en de oprukkende begroeiing tonen een plaats waar het werk toen al geruime tijd was stilgevallen. Toch herinnerden deze muren nog aan een periode waarin klei, vuur en zware handen het dagelijkse ritme bepaalden.

De steenbakkerij was reeds vóór 1937 actief en bleef volgens de beschikbare gegevens tot 1983 in bedrijf. In en rond Maaswinkel werd klei uit de bodem gehaald en verwerkt tot bakstenen. Het uitgraven gebeurde op grote schaal en liet diepe kuilen en laagten in het landschap achter. Voor de arbeiders betekende dit zwaar en vuil werk: klei winnen, vervoeren en vormen, waarna de stenen moesten drogen en in de ovens werden gebakken.

De ligging langs de Zuid-Willemsvaart was bijzonder gunstig. Het kanaal vormde sinds zijn opening in 1826 een belangrijke transportverbinding door Limburg. Grondstoffen, brandstoffen en afgewerkte producten konden hierdoor gemakkelijker worden aangevoerd of afgevoerd. Zo maakte steenbakkerij Eyben deel uit van het industriële verleden dat lange tijd het landschap en het leven in Maasmechelen bepaalde.

Na de sluiting bleef het gebouwencomplex nog jarenlang verlaten achter. Wind en regen kregen vrij spel, ramen verdwenen en struiken groeiden tot tegen de muren. Uiteindelijk werden ook deze laatste getuigen van het verleden opgeruimd. De restanten van steenbakkerij Eyben langs de Zuid-Willemsvaart in Maasmechelen zijn inmiddels helemaal verdwenen. Hier ligt nu het natuurreservaat Maaswinkel. 

Toch verdween het verleden niet volledig. De oude kleiputten vulden zich met water en ontwikkelden zich geleidelijk tot poelen, plassen en waardevolle leefgebieden voor amfibieën. Wat ooit door mensenhanden werd uitgegraven voor de productie van bakstenen, vormt tegenwoordig mee de basis van een natuurgebied van ongeveer 280 hectare. Industrie maakte plaats voor stilte, water en wilde begroeiing.

Deze foto bewaart daarom meer dan alleen het beeld van een verlaten fabriek. Zij toont het kantelpunt tussen twee tijden: de laatste sporen van een verdwenen nijverheid en het begin van een landschap dat langzaam door de natuur werd teruggenomen. Waar vroeger arbeiders en machines het ritme bepaalden, hoort men vandaag opnieuw vogels, wind en water.

X


SINT-KRISTOFFELBEDEVAART IN OPGRIMBIE

Updated

De M.A.N.-vrachtwagens onder de zegen van pastoor Claes

Op deze historische foto trekt de Sint-Kristoffelbedevaart door de straten van Opgrimbie. Langs de weg hebben tientallen dorpsbewoners en kinderen plaatsgenomen. Belgische vlaggen en plaatselijke vaandels wapperen boven de menigte, terwijl pastoor Claes vanaf een verhoog de voorbijrijdende voertuigen zegent.

Vooraan rijdt een imposante rode M.A.N.-vrachtwagen. Deze camions waren in die tijd een vertrouwd beeld in de streek. Dagelijks vervoerden ze duizenden tonnen wit zand naar het kanaal in Mechelen-aan-de-Maas. Het uiterst zuivere, bijna volledig uit kwarts bestaande zand was een belangrijke grondstof en maakte van het zware vrachtverkeer een vast onderdeel van het dagelijkse leven rond de Limburgse zandgroeven.

De chauffeurs en hun M.A.N.-camions behoorden tot de eerste deelnemers aan de Sint-Kristoffelbedevaart met pastoor Claes in Opgrimbie. Hun aanwezigheid was niet toevallig. Sint-Kristoffel geldt immers als de beschermheilige van reizigers, chauffeurs en andere weggebruikers. Vooral voor vrachtwagenbestuurders, die dagelijks met zwaarbeladen voertuigen onderweg waren, had de jaarlijkse zegening een bijzondere betekenis.

De bedevaart ontstond in Opgrimbie in 1956 en groeide uit tot een indrukwekkende voertuigenwijding. Fietsen, bromfietsen, auto’s, tractoren en vrachtwagens reden in lange rijen langs de priester. Ze ontvingen er de zegen voor een behouden reis en een veilige thuiskomst. De viering vond plaats rond 25 juli, de feestdag van Sint-Kristoffel. Volgens historische gegevens namen tijdens de beginjaren al tientallen vrachtwagens en tractoren deel.

De foto bewaart zo meer dan een religieuze plechtigheid. Zij vertelt ook het verhaal van het zware werk, de zandwinning en het vervoer dat jarenlang bij Mechelen-aan-de-Maas hoorde. Tegelijk toont ze hoe sterk geloof, arbeid en dorpsgemeenschap toen met elkaar verbonden waren. De rode M.A.N.-camions kwamen niet alleen voorbij om bekeken te worden: ze werden gezegend als trouwe werktuigen waarvan het levensonderhoud én de veiligheid van hun chauffeurs afhankelijk waren.

De Sint-Kristoffelbedevaart bestaat vandaag nog altijd. Tijdens het weekend rond de naamdag van de heilige worden in Opgrimbie nog steeds uiteenlopende voertuigen en gezegend. Daarmee blijft een levend stuk plaatselijk erfgoed bewaard.

X

OPGRIMBIE - EZELSKOERS 1982

Updated

Op de foto kijken we terug naar de ezelskoers van Opgrimbie in 1982. Twee mannen proberen hun koppige viervoeters vooruit te krijgen, terwijl achter de afsluiting het publiek nieuwsgierig toekijkt. Onder de grote tentzeilen heerst de sfeer van een ouderwets dorpsfeest: eenvoudig volksvermaak waarbij het plezier en de samenhorigheid vooropstonden. Ezelskoersen kwamen vroeger tijdens kermissen en plaatselijke feesten wel vaker voor. De deelnemers reden zonder veel omhaal een kort parcours, waarbij de eigenzinnigheid van de dieren dikwijls voor de grappigste taferelen zorgde. Een ezel liet zich immers niet gemakkelijk opjagen. Soms bleef hij plots staan, week hij van het parcours af of weigerde hij eenvoudigweg nog één stap te zetten. Juist die onvoorspelbaarheid maakte zulke wedstrijden bij het publiek populair. Wat men in 1982 nog als onschuldig dorpsvermaak beschouwde, werd later steeds kritischer bekeken. Dierenrechtenorganisatie GAIA omschreef dergelijke wedstrijden als “volksvermaak ten koste van de ezels”. Volgens de organisatie was het niet langer verantwoord om ezels te laten koersen te midden van een joelende menigte, soms met veel te zware personen op hun rug. Sinds 1998 zijn dergelijke wedstrijden in België verboden. De dierenwelzijnswet verbiedt wedstrijden waarbij de kracht, snelheid of behendigheid van dieren op de proef wordt gesteld, met een wettelijke uitzondering voor wedstrijden met paarden, honden en duiven. Daardoor verdwenen niet alleen de traditionele ezelskoersen, maar ook gelijkaardige wedstrijden met onder meer kamelen en struisvogels.

X

zondag 6 september 2026

DE FAMILIE BOLLEN - DIEP GEWORTELD IN UIKHOVEN -

Ontworpen door Jp

Een opmerkelijk stukje dorpsgeschiedenis

Wie in 1975 door Uikhoven wandelde, had veel kans iemand met de familienaam Bollen te ontmoeten. Maar liefst 28 procent van de ouders van de 270 gezinnen in dit kleine Maasdorp droeg die naam. Bij meer dan een kwart van de huwelijken die sinds 1935 in Uikhoven werden gesloten, was de bruid of de bruidegom een telg uit het geslacht Bollen. Hoofdonderwijzer Guillaume Kortleven herinnerde zich dat van de tachtig leerlingen die hij tijdens zijn loopbaan onderwees, vijf jongens Jan Bollen heetten. Om hen uit elkaar te houden, moesten bijna noodgedwongen bijnamen worden gebruikt.  De familie was bovendien sterk verweven met het verenigingsleven van Uikhoven. Er was haast geen vereniging waarin geen Bollen vertegenwoordigd was. Jozef Bollen was voorzitter van de Bond van Gepensioneerden, Arnold Bollen schatbewaarder van de Oud-strijdersbond en Jules Bollen voorzitter van de ziekenkas. Mevrouw Bollen-Leenders vervulde de functie van secretaresse bij de Katholieke Vereniging van Landelijke Vrouwen. Bernadette Bollen zetelde in het bestuur van de Plattelandsjongeren, terwijl Rita Bollen samen met Monique en Marie-Jeanne Bollen leiding gaf aan de meisjesgroep van Uikhoven. Nini Bollen maakte deel uit van de parochieraad. Het kerkelijk zangkoor stond onder leiding van André Bollen en Jean Bollen was ondervoorzitter van de voetbalclub. Ook bij andere verenigingen dook de naam voortdurend op. Lambert Bollen was ondervoorzitter en Jef Bollen secretaris van de wielerclub. Een andere Jef Bollen vervulde dezelfde taak bij judoclub Samurai. Jozef Bollen was voorzitter en Guillaume Bollen secretaris en ruilmeester van de postzegelclub. Zelfs bij de jaarlijkse kiezelfeesten, die rond 21 juli werden georganiseerd, stond een Jozef Bollen aan het hoofd van het comité. Geen toeval dus dat tijdens iedere editie ook een kiezelfee werd gekozen. In 1975 was die eer weggelegd voor — hoe kon het ook anders — een mejuffrouw Bollen. Zo vormden de Bollens in Uikhoven veel meer dan een grote familie. Ze waren aanwezig in het onderwijs, de kerk, de sportclubs, het verenigingsleven en de jaarlijkse dorpsfeesten. Hun naam liep als een vertrouwde draad door het dagelijkse leven. Een bijzonder dorpsverhaal uit een tijd waarin bijna iedereen elkaar nog kende en waarin Uikhoven, heel toepasselijk, werkelijk bol stond van de Bollens.

X


HERBRICHT — WAAR DE MAAS HET LAATSTE WOORD KREEG


2 Originele foto's van jp
Inmiddels zijn deze foto's een nostalgische kijk op het verleden hoe het in vroegere tijden geweest is. Deze boerderij (en heel Herbricht) hebben natuurlijk ook miserie gekend doordat het gehucht in overstromingsgebied was gelegen. Op het moment van het nemen van de foto was de boerderij al verlaten. Het is nu een verlaten plek geworden dicht tegen de Maas, waar niets meer doet vermoeden wat ooit hier was. Helaas zal dat ook het lot zijn van heel Herbricht.

Op de twee foto’s ligt Herbricht er stil en bijna tijdloos bij. Een bruin paard dwaalt door het hoge gras, oude bomen bewaken de weide en achter hun zware kruinen staat een eenzame hoeve met een rood pannendak. De zomerzon legt een warme gloed over het land. Toch schuilt achter deze landelijke rust een bewogen geschiedenis. Hier bepaalde de Maas eeuwenlang niet alleen het landschap, maar ook het leven en uiteindelijk het verdwijnen van vrijwel het gehele gehucht. Herbricht behoort tot Neerharen en ligt tussen de Zuid-Willemsvaart en de Maas, in de winterbedding van de rivier. Het is een plek van vruchtbare weiden, boomgaarden, oude hoeven en gronden waarop generaties lang vee graasde. Paarden, koeien en boeren maakten er deel uit van het dagelijkse dorpsbeeld. De dieren leverden trekkracht, melk en mest; het gras, het hooi en de kleine akkers zorgden voor het levensonderhoud. Wat men nodig had, werd zoveel mogelijk op of rondom de eigen hoeve voortgebracht. De foto’s bewaren iets van die oude verbondenheid. Het paard staat niet in een aangelegd landschap, maar in een weide die nog door gras, bomen en seizoenen wordt gevormd. De verweerde gebouwen en de verspreid staande bomen herinneren aan het vroegere Herbricht, toen het gehucht nog bewoond werd door boerenfamilies die elkaar hielpen bij het hooien, dorsen, oogsten en binnenhalen van het vee.

Van koninklijke hofplaats tot Maasgehucht

De geschiedenis van Herbricht reikt vermoedelijk terug tot de vroege middeleeuwen. Mogelijk lag hier de Karolingische burcht Harburgum, die in 922 werd vermeld. Zij gold als een van de koninklijke hoven van Lotharingen. De juiste ligging blijft onderwerp van historisch onderzoek; ook het nabijgelegen Borgharen wordt met deze burcht in verband gebracht. De naam Herbricht zou echter een verre herinnering aan Harburgum kunnen bewaren. Op de Ferrariskaart uit de periode 1770–1778 staat de nederzetting aangeduid als Hameau Herbergh. Herbricht was toen aanzienlijk groter dan men vandaag zou vermoeden. De bebouwing was er bijna even dicht als in de oude dorpskern van Neerharen. De hoeven lagen bij de vruchtbare Maasgronden, maar tegelijk gevaarlijk dicht bij het water. Voor de inwoners was de rivier vriend én vijand: zij schonk vruchtbaar slib, vis, grasland en verbindingen, maar kon in natte winters veranderen in een kolkende bedreiging. Tot in de negentiende eeuw lag voor het gehucht een vrij groot eiland in de Maas. Het landschap bestond uit rivierarmen, grindbanken, beemden en geregeld overstroomde gronden. De Maas lag niet voor altijd vast in één bedding. Zij verlegde haar loop, schuurde oevers weg en zette elders weer zand, grind en klei af. Een beslissende verandering kwam met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart tussen 1824 en 1829. Het kanaal sneed Herbricht af van de dorpskern van Neerharen. Wat vroeger bij het dorp hoorde, kwam nu als een afgelegen landstrook tussen kanaal en rivier te liggen. Tegen de tijd dat in 1846 de Atlas van de Buurtwegen werd opgesteld, was de nederzetting teruggelopen tot ongeveer zeven hoeven.

Leven op het ritme van land en water

Het vroegere Herbricht kende geen grote kerk, markt of winkelstraat. Het leven speelde zich af op de erven, in de stallen en op de omliggende gronden. Men hield koeien, paarden, varkens en kippen. In de boomgaarden stonden hoogstammige appel-, peren- en pruimenbomen. Het voorjaar bracht bloesems, de zomer het hooiland en de herfst het binnenhalen van fruit en wintervoorraad. Paarden, zoals op de foto’s, waren vroeger onmisbare werkkrachten. Ze trokken ploeg, eg, kar en maaimachine. Na een lange werkdag werden ze uitgespannen en naar de weide gebracht. Met de komst van tractoren verloor het boerenpaard geleidelijk zijn oude taak, maar in een landschap als Herbricht bleef het een vertrouwd en haast symbolisch beeld. Ook het café speelde een belangrijke rol. Daar kwamen bewoners, boeren, jagers, vissers en toevallige passanten samen. Nieuws werd er uitgewisseld, afspraken werden gemaakt en na het werk werd er een glas gedronken. Het later bekende Café Maasvallei bleef lange tijd een van de laatste ontmoetingsplaatsen van het gehucht.

De overstromingen en de langzame leegloop

De Maas liet zich nooit volledig bedwingen. Vrijwel ieder jaar lopen delen van de huidige natuurgebieden bij Herbricht tijdens de winter onder. Het water laat daarbij telkens nieuwe lagen zand, klei of grind achter. Limburgs Landschap Vooral de grote hoogwaters van 1993 en 1995 maakten duidelijk hoe kwetsbaar de woningen in de winterbedding waren. Die overstromingen versnelden de plannen om de Maas meer ruimte te geven. Langs de Grensmaas werden uiterwaarden verlaagd, stroomgeulen verbreed en nieuwe natuurgebieden ontwikkeld om water veiliger te kunnen afvoeren. Vanaf 2004 werden woningen en gronden verworven. Aanvankelijk leek het erop dat alle bewoners Herbricht vóór 2010 zouden moeten verlaten. Later werd besloten dat de overblijvende bewoners niet gedwongen hoefden te vertrekken. Wanneer een huis vrijwillig werd verlaten, kon het echter worden aangekocht en afgebroken. Zo verdween Herbricht niet door één grote ramp, maar huis na huis, erf na erf. De grote overstroming van juli 2021 bracht opnieuw water en onzekerheid. Daarna zette de leegloop zich verder door. In september 2025 woonde er volgens de berichtgeving nog slechts één echtpaar. Ook Café Maasvallei, jarenlang het laatste sociale hart van het gehucht, werd in 2025 afgebroken. Daarmee bleven nog slechts twee bewoonde huizen over van een gemeenschap die ooit meer dan zestig inwoners telde.

Van boerengehucht naar levende riviernatuur

Waar vroeger koeien werden gemolken, paarden voor de kar stonden en kinderen tussen de boomgaarden speelden, krijgt de Maas vandaag opnieuw meer vrijheid. Herbricht sluit aan bij Hochter Bampd, het meest zuidelijke natuurgebied van het RivierPark Maasvallei. Grindbanken, bloemrijke graslanden, struwelen en ooibossen vormen er een voortdurend veranderend landschap.  De twee foto’s tonen daarom meer dan een paard en een oude hoeve. Ze bewaren het beeld van een landschap op de grens tussen bewoning en natuur, tussen herinnering en verdwijnen. De bomen staan er nog, het gras beweegt nog in de wind en ergens klinkt misschien het zachte snuiven van een paard. Maar achter die stilte leven de stemmen voort van de boerenfamilies, cafébezoekers en Maasmensen die Herbricht eeuwenlang tot hun thuis maakten. Herbricht wordt opnieuw wat het eeuwen geleden reeds was: land van de rivier. Toch zal het gehucht niet geheel verdwijnen zolang zijn naam, zijn foto’s en de verhalen van zijn bewoners worden bewaard. Want waar de huizen langzaam verdwijnen, blijft de herinnering als een oude boom aan de Maasoever staan — diep geworteld, gehavend door het water, maar nog altijd levend.

X

LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - ONDER ÉÉN DAK

Ingekleurde versie

Updated

Ingekleurde versie

Updated

Grootouders, kinderen en kleinkinderen in het oude Lanaken

In het landelijke Lanaken van het begin van de twintigste eeuw leefden verschillende generaties dikwijls samen onder één dak. Wanneer een zoon of dochter trouwde, bleef het jonge paar geregeld bij de ouders wonen. Een eigen huis bouwen of huren was voor een eenvoudig arbeiders- of boerengezin immers niet vanzelfsprekend. In ruil voor kost en inwoning nam de jongere generatie geleidelijk het zware werk op de akkers, in de stal en rond het erf over. De grootouders bleven helpen zolang hun krachten het toelieten. Zo ontstond een hecht huishouden waarin iedereen, van jong tot oud, zijn eigen taak had. De oudere vrouw op de foto zit in de deuropening van een bescheiden woning. Op haar schoot rust een schaal aardappelen. Met een klein mesje schilt ze zorgvuldig de dagelijkse kost. Niets wordt verspild: de schillen blijven dun, beschadigde stukken worden weggesneden en zelfs de kleinste aardappelen vinden hun plaats in de kookpot. Aardappelen vormden, samen met brood, melk, spek, kool en seizoensgroenten, de basis van het eenvoudige volksvoedsel. Wat op tafel kwam, was meestal afkomstig van het eigen veld, de moestuin of het erf. Naast haar staat een jongen met een grove linnen of juten zak over zijn schouder. Zijn blote voeten, opgelapte broek en eenvoudige kleding vertellen zonder woorden over een jeugd waarin overvloed onbekend was. Kinderen hielpen al vroeg mee. Ze haalden aardappelen uit de kelder, droegen hout en kolen naar binnen, pasten op jongere broertjes en zusjes of brachten eten naar de volwassenen die op het land werkten. Tijdens het planten en rooien van aardappelen, de hooitijd en de graanoogst hielp ieder paar handen mee. Werken en opgroeien liepen haast ongemerkt in elkaar over. Toch waren grootouders veel meer dan goedkope arbeidskrachten of kinderoppassers. Zij vormden het geheugen van het gezin. Terwijl de ouders op de akkers wroetten, hield grootmoeder toezicht op de kinderen, bereidde ze het eten, stopte ze versleten kleren en zorgde ze dat het vuur niet uitging. Ze kende de oude gebeden, volksgebruiken en verhalen van het dorp. Van haar leerden de kinderen hoe men brood spaarde, kruiden gebruikte, groenten bewaarde en met weinig middelen een huishouden draaiende hield. Ook grootvader behield zijn vaste plaats in huis. Op de tweede foto zit hij dicht bij het raam, waar het daglicht voldoende sterk is om de dichtbedrukte krant te lezen. Hij draagt een donkere pet en een eenvoudig werkpak. Naast hem staat een zware gietijzeren kachel, jarenlang het warme middelpunt van de woonruimte. In de winter verzamelde het gezin zich eromheen. Er werden kleren gedroogd, aardappelen gekookt en verhalen verteld, terwijl buiten de wind over de velden van Lanaken joeg. Een krant was in zo’n huishouden geen alledaags wegwerpartikel. Ze ging vaak van hand tot hand en bracht berichten uit een wereld die steeds groter en onrustiger werd. Grootvader las over oogstprijzen, verkiezingen, kerkelijke gebeurtenissen, ongelukken en ontwikkelingen in nabijgelegen steden. Wie zelf moeilijk kon lezen, luisterde mee wanneer iemand de belangrijkste berichten hardop voorlas. Zo drong de buitenwereld langzaam binnen in een woning waar het ritme nog grotendeels werd bepaald door het luiden van de kerkklok, het weer en de opeenvolging van de seizoenen. Het samenleven van meerdere generaties bood zekerheid, maar het was niet altijd gemakkelijk. De woning was klein, privacy bestond nauwelijks en het beschikbare voedsel moest over vele monden worden verdeeld. De oudste bewoners behielden dikwijls een belangrijke stem in het huishouden, terwijl de jonggehuwden hun eigen gezin probeerden op te bouwen. Toch was men sterk op elkaar aangewezen. Er bestonden nog geen uitgebreide sociale voorzieningen zoals later in de twintigste eeuw. Bij ziekte, ouderdom, een slechte oogst of het verlies van werk vormde de familie het eerste en vaak enige vangnet. De zorg verliep daarom in twee richtingen. Grootouders pasten op de kleinkinderen en verrichtten het lichtere huishoudelijke werk; hun volwassen kinderen boden hun op hun beurt onderdak, voedsel en verzorging. Gratis wonen was nooit werkelijk kosteloos. Het was een stilzwijgende overeenkomst van wederzijdse hulp, gegroeid uit noodzaak, traditie en familieplicht. Deze beelden tonen geen grootse historische gebeurtenis, maar juist het gewone leven waarop een dorpsgemeenschap rustte. Een vrouw die aardappelen schilt, een jongen die een zak draagt en een oude man die bij het raam zijn krant leest: samen vertellen zij het verhaal van een tijd waarin het gezin tegelijk woning, werkplaats, school en toevluchtsoord was. Waar tegenwoordig iedere generatie meestal een eigen huis en een eigen levensritme heeft, leefde men toen veel dichter bij elkaar. Grootouders zagen hun kleinkinderen niet alleen op bezoek; zij maakten dagelijks deel uit van hun opvoeding. Hun handen waren getekend door jarenlang werken, maar zij droegen ook kennis, herinneringen en gebruiken over. Zo ging het leven in het oude Lanaken van generatie op generatie verder. De jongeren bewerkten de akkers, de ouderen waakten over huis en kinderen en iedereen droeg naar vermogen bij. Onder hetzelfde dak werden niet alleen voedsel en arbeid gedeeld, maar ook zorgen, verhalen en levenswijsheid. Wat armoedig lijkt, bezat tegelijk een rijkdom die niet in geld kon worden uitgedrukt: de zekerheid dat niemand er helemaal alleen voor stond.

X

zaterdag 5 september 2026

LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - DE LEEMHUIZEN VAN DE HEIKANT AAN HET BEGIN VAN DE TWINTIGSTE EEUW

Naast de statige burgerwoningen en stevige bakstenen huizen stonden er in Lanaken aan het begin van de twintigste eeuw nog eenvoudige lemen woningen. Vooral op de Heikant herinnerden zulke kleine hoeven aan een eeuwenoude landelijke bouwwijze. Ze werden niet ontworpen door architecten, maar opgetrokken met materialen die men dicht bij huis vond: hout uit de omgeving, leem uit de bodem, stro van het veld en stenen voor de schouw. Op de foto zien we zo’n bescheiden woonerf. De lage, witgekalkte gevels lijken bijna uit de aarde gegroeid. Boven de muren liggen zware strooien daken, verweerd door regen, wind en winterkou. De ongelijke dakvlakken, het mos en de ruwe schoorstenen vertellen dat het huis al vele seizoenen had doorstaan. Alles was eenvoudig en doelmatig gebouwd, zonder versiering of overbodige luxe. De basis van een lemen woning bestond volgens de bijgestuurde historische tekst uit een vlechtwerk van takken. Dat houten geraamte werd aan weerszijden bestreken met een mengsel van leem, stro en soms mest of kaf. Na het drogen ontstond een verrassend stevige wand. Een laag kalk beschermde de buitenzijde enigszins tegen vocht en gaf de gevel zijn kenmerkende lichte kleur. Scheuren en beschadigingen moesten geregeld met verse leem worden hersteld. De vloer bestond doorgaans uit aangestampte aarde. Planken vloeren waren voor arme gezinnen een kostbare luxe. Het dak werd met stro gedekt, een materiaal dat op de omliggende akkers ruim voorhanden was. Wanneer zo’n dak zorgvuldig werd aangebracht, hield het regen en koude behoorlijk buiten. Het moest echter regelmatig worden hersteld. Mos, stormschade en wegrottend stro maakten het onderhoud tot een steeds terugkerende taak. Glas was duur. Daarom kregen deze woningen slechts enkele kleine vensters, volgens de bron vooral aangebracht in de zuidoostelijke gevel. Zo probeerde men zoveel mogelijk daglicht en zonnewarmte binnen te halen zonder grote hoeveelheden glas te gebruiken. Het interieur bleef daardoor betrekkelijk donker. Het dagelijkse leven speelde zich grotendeels af rond de haard, die niet alleen voor warmte zorgde, maar ook werd gebruikt om te koken, water te verwarmen en natte kleding te drogen. Hun dagen werden bepaald door het land, de dieren, de seizoenen en het werk dat telkens opnieuw moest gebeuren. Achter de woning lagen vermoedelijk een moestuin, enkele fruitbomen en eenvoudige hokken of schuren voor kleinvee en gereedschap. De erven op de Heikant waren geen romantische openluchtmusea, maar echte woonplaatsen. Hier werd brood gebakken, soep boven het vuur bereid, kleding hersteld en na een lange werkdag gerust. Regen veranderde het erf in modder; tijdens droge zomers stoof het zand tegen de witgekalkte muren. In de winter drong de kou door kieren en naden, terwijl rook uit de schouw zich soms in de lage vertrekken verspreidde. Toch bezaten deze huizen een eigen warmte. Buren kenden elkaar, hielpen bij de oogst en deelden nieuws aan de deur of langs het pad. Kinderen speelden tussen het stro, het hout en de dieren. De grote boom naast de woning bood schaduw op warme dagen en vormde een vertrouwd herkenningspunt in een landschap dat toen nog open, stil en overwegend agrarisch was. De foto toont bovendien een tijd van overgang. Terwijl elders in Lanaken grotere burgerhuizen verschenen en baksteen steeds algemener werd, leefden sommige gezinnen nog in woningen die volgens een zeer oude bouwtraditie waren opgetrokken. Geleidelijk verdwenen de lemen huizen. Ze werden verbouwd, met baksteen ommanteld of volledig afgebroken omdat ze niet langer voldeden aan de nieuwe eisen van comfort en hygiëne. Wat overbleef, zijn zeldzame foto’s als deze: stille getuigen van een verdwenen Lanaken. De verweerde muren, het strooien dak en de twee bewoners vertellen geen verhaal van rijkdom, maar van eenvoud, arbeid en verbondenheid met de grond. Hier, op de Heikant, lag het leven nog dicht bij de aarde — sober en zwaar, maar ook gedragen door het vaste ritme van huis, veld en seizoen.

X

vrijdag 4 september 2026

"DE STORMVOGEL", IN WEER EN WIND

Update

Hoog boven de akkers van het oude Boorsheim stond De Stormvogel als een trouwe wachter over het Maasland. Rond de molen lagen korenvelden, aardappelakkers, bietenland en vochtige weiden. Knotwilgen bogen mee met de westenwind, leeuweriken stegen zingend boven het graan en zwaluwen scheerden laag wanneer regen naderde. Koeien graasden achter eenvoudige afrasteringen, kippen scharrelden bij de boerderijen en boven de molenberg kon soms een torenvalk bijna onbeweeglijk in de lucht blijven hangen. De geschiedenis van deze plek reikt veel verder terug dan de stenen molen die wij vandaag kennen. Reeds in 1616 werd het omliggende gebied aangeduid als het “Windmolenveld”. Hier stond oorspronkelijk een houten banmolen van de heren van Rekem. De inwoners van Boorsem, Rekem en Uikhoven waren voor het malen van hun graan lange tijd aan deze molen gebonden. Na brand, oorlog en herbouw verrees in 1711 opnieuw een houten windmolen. Toen die in 1858 afbrandde, liet molenaar Pieter Eyckelberg op dezelfde plaats een stevige, ronde stenen korenmolen bouwen. Hij gaf hem de krachtige naam De Stormvogel. Het werd een bovenkruier en bergmolen: alleen de kap met de wieken werd naar de wind gedraaid, terwijl de stenen romp vast op zijn molenberg bleef staan. Binnen was de molen een wereld van hout, steen, meel en beweging. Via steile houten trappen bereikte men de maalzolder, steenzolder en luizolder. Wanneer de wind gunstig stond, kwamen de grote maalstenen op gang. Het kraken van de balken, het ritmische slaan van het gangwerk en het zachte suizen van het meel vormden samen de stem van de molen. Zakken graan werden met het luiwerk naar boven gehesen. Beneden wachtten boeren op hun gemalen rogge, tarwe of boekweit. Het meel ging mee naar huis, waar het brood van werd gebakken dat dagelijks op tafel kwam.

De laatste beroepsmolenaar

De man die onlosmakelijk met De Stormvogel verbonden bleef, was Martin Gielen (1907–1991). Hij stamde uit een echte molenaarsfamilie uit het Nederlandse Wessem. Vijf van de zes zonen uit het gezin werden molenaar. Martin leerde het vak op verschillende wind- en watermolens in Nederlands-Limburg. In 1931 kwam hij naar Boorsem; enkele jaren later werd hij eigenaar van De Stormvogel. Hij zou er de laatste beroepsmolenaar worden. Gielen kende iedere balk, kam en molensteen. Hij wist aan het trekken van de wolken en het ruisen van de bomen hoeveel wind eraan kwam. Een molenaar moest niet alleen kunnen malen. Hij was ook timmerman, werktuigkundige, zeilmaker en weerman. Te weinig wind betekende wachten; te veel wind kon de molen beschadigen. Bij buien moesten de zeilen tijdig worden verminderd en bij storm moesten de wieken veilig worden vastgezet. Omstreeks 1934 kwam er een elektrische hamermolen van de Maastrichtse firma Lucien Koppen. Daardoor kon ook bij windstilte worden gemalen. Het betekende echter eveneens dat de traditionele windmolen economisch steeds minder onmisbaar werd. Vrachtwagens, grotere maalderijen en nieuwe landbouwmachines veranderden het eeuwenoude samenspel tussen boer, wind en molen. 

Van zwart naar wit

Oorspronkelijk had de stenen romp een opvallend zwart, geteerd uiterlijk. Die teerlaag beschermde het metselwerk tegen slagregen en vocht. Rond 1963 werd de donkere molen wit geschilderd. Volgens de plaatselijke overlevering gebeurde dit zodat koning Boudewijn de molen beter kon zien vanuit zijn buitenverblijf Friedheim in Opgrimbie, waar hij samen met koningin Fabiola verbleef. De witte romp lichtte voortaan boven de velden op en werd bij helder weer een herkenbaar baken in het landschap. Dat koning Boudewijn werkelijk om de witte kleur vroeg, wordt in de erfgoedbronnen voorzichtig omschreven als “naar verluidt”. Het is dus een sterke lokale overlevering, maar geen volledig bewezen koninklijk bevel. Over een persoonlijk verzoek van koningin Fabiola bestaat geen betrouwbare bevestiging. Toch blijft het een mooi verhaal: de donkere werkmolen van de boeren werd een witte verschijning die zelfs vanuit het koninklijke domein zichtbaar zou zijn geweest. Het nieuwe uiterlijk bracht de molen helaas geen voorspoed. Op 24 augustus 1963 brak door metaalmoeheid een van de roeden. Een jaar later, op 29 mei 1964, werd De Stormvogel beschermd als monument. Wat volgde was een lange en frustrerende strijd van dossiers, aanbestedingen, stijgende kosten en uitgestelde werkzaamheden.

Een molenaar die niet langer wachtte

Na bijna tien jaar briefwisseling had Martin Gielen genoeg van het wachten. Begin jaren zeventig nam hij het lot van zijn molen zelf in handen. Hij kocht tien eiken bomen en begon aan een uitzonderlijk herstelwerk. De asbalk, de korte en lange spruitbalken en de zolders werden vernieuwd. Op de grond timmerde hij een nieuwe kap met een diameter van ongeveer zes meter. In oktober 1973 werd die kap op de romp gehesen en met donkerrode roofing bedekt. Een nieuwe roede werd besteld bij de firma Derckx uit de omgeving van Wessem. Dat werk vertelt misschien nog meer over de molenaar dan een officieel huldebetoon. Waar administraties aarzelden, zaagde, mat en timmerde Gielen verder. De Stormvogel was voor hem geen levenloos monument. Het was zijn werktuig, zijn beroep en een deel van zijn familiegeschiedenis. In 1980 ontving hij het zilveren ereteken van Laureaat van de Arbeid.

Het verdwijnende Molenveld

In de jaren zeventig bevond De Stormvogel zich op een kantelpunt. De oudere inwoners herinnerden zich nog boeren die met paard en kar graanzakken naar de molen brachten. Op de akkers werd geploegd, gezaaid en geoogst volgens het ritme van de seizoenen. Na een natte winter lagen de veldwegen vol modder en karsporen. In de zomer hing stof boven het land en rook men gemaaid gras, graan, mest en warme aarde. Tijdens de oogst klonken stemmen over de velden en werd onder een boom of tegen een korenschoof de boterham opgegeten. Maar de stilte begon langzaam te verdwijnen. Paarden maakten plaats voor tractoren; kleine percelen werden samengevoegd en hagen verdwenen om grotere machines doorgang te geven. Langs de veldwegen verschenen woningen, loodsen, elektriciteitspalen en nieuwe aansluitingen. De smalle landweg werd breder en drukker. Waar vroeger vooral een boerenkar, fietser of kudde passeerde, reden steeds meer personenwagens en vrachtwagens. De Stormvogel zag het onbebouwde landschap veranderen in een woon- en verkeersomgeving. De molen, ooit het economische middelpunt van het veld, werd een herinnering tussen de oprukkende bebouwing. Het geluid van maalstenen en wieken verstomde geleidelijk onder het geraas van motoren. Toch bleef zijn witte romp boven alles uitsteken, alsof hij weigerde zijn plaats in het landschap prijs te geven. Wanneer de avond over Boorsem viel, streek het laatste zonlicht langs de witte muren. De schaduwen van de wieken lagen lang over de molenberg. In de verte klonk een hond, een tractor keerde terug naar het erf en boven de velden verzamelden de kraaien zich voor de nacht. 

X




woensdag 2 september 2026

LANAKEN (TOEN LANAEKEN) – DE PANNESTRAAT, TOEN HET BOERENLEVEN NOG DE STRAAT BEPAALDE

Updated en ingekleurde foto

Deze sfeervolle opname brengt ons terug naar de oude Pannestraat in Lanaken – op oude documenten en prentkaarten toen geschreven als Lanaeken. De Pannestraat behoorde tot de oudste straten van het dorp. Hier stonden de kleine boerderijen en eenvoudige arbeiderswoningen vrijwel naast elkaar. Achter de bakstenen gevels lagen stallen, schuren, moestuinen en kleine weiden. Midden op de onverharde zandweg poseert een groep bewoners voor de fotograaf. Twee vrouwen staan er met enkele kinderen, gekleed in eenvoudige dagelijkse werkkleding. Verderop keert een vrouw met twee koeien terug naar huis, terwijl andere kinderen nieuwsgierig vanop een veilige afstand toekijken. Voor hen was de komst van een fotograaf nog een gebeurtenis die bijna de hele straat naar buiten lokte. De koeien werden dagelijks van de stal naar een nabijgelegen weide gebracht en later weer teruggehaald om gemolken te worden. Omdat dieren gewoon over de openbare weg liepen, bleef er regelmatig mest achter. De bijgeleverde oude beschrijving vertelt dan ook zonder omwegen dat de Pannestraat tot enkele decennia geleden nog geregeld “bezaaid was met koeienvlaaien”. Wat vandaag vreemd of hinderlijk zou lijken, was toen een vertrouwd onderdeel van het dorpsleven. Ook de straat zelf vertelt haar verhaal. Er waren nog geen trottoirs, riolering of asfaltverharding. De zanderige rijweg liep tot tegen de gevels en vertoonde sporen van hoeven, karrenwielen en dagelijks gebruik. De diepe huizen, lage stallen, verweerde pannendaken en houten luiken tonen hoe wonen en boeren hier nauw met elkaar verbonden waren. Zelfs midden in het dorp behield Lanaeken nog lange tijd het uitzicht en ritme van een landbouwgemeenschap. Lanaken kent een bijzonder oude bewoningsgeschiedenis. De plaats werd al in 1106 als Lodenaken vermeld en maakte vanaf de middeleeuwen deel uit van de heerlijkheid Pietersheim. Pas tijdens de twintigste eeuw veranderde het dorp steeds sneller door nieuwe wegen, moderne woningen en de groeiende invloed van industrie en mijnbouw. Het landelijke straatbeeld van de Pannestraat verdween daardoor geleidelijk. Deze foto is daarom meer dan een eenvoudig groepsportret. Ze bewaart een verdwenen stukje Lanaeken: een tijd waarin kinderen op straat speelden, koeien tussen de huizen werden voortgedreven en het dagelijkse leven zich afspeelde tussen boerderij, zandweg en stal. Een vertrouwd dorpsbeeld dat ooit heel gewoon was, maar vandaag tot het waardevolle geheugen van Lanaken behoort.

X


LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - OUDE HOEVE

Updated en ingekleurde versie

Deze oude hoeve in Lanaken herinnert aan een tijd waarin wonen en boeren nog onder één lang dak verenigd waren. Achter de verweerde bakstenen gevel bevonden zich niet alleen de woonvertrekken, maar ook de stal, de schuur en de opslagplaatsen voor het wintervoer. De brede houten poorten boden toegang tot het landbouwgedeelte, terwijl de kleinere vensters vooraan licht brachten in de eenvoudige woonkamers.

Opvallend is dat de woning met haar zijgevel naar de straat werd gebouwd. Dit was een overblijfsel uit de Franse tijd. In 1798 werd in onze gewesten, die toen bij Frankrijk waren ingelijfd, een belasting ingevoerd op het aantal buitendeuren en vensters. Ook na de Franse periode bleef het aantal deuren en ramen nog enige tijd gelden als een zichtbaar teken van welstand waarop belasting werd geheven. Door de smalle zijgevel naar de straat te richten, bleven daar minder belastbare openingen zichtbaar. Deze verklaring wordt vaak verbonden met oude woningen uit die periode, al kunnen ook de vorm van het perceel en de indeling van het boerenbedrijf een rol hebben gespeeld.

Ook het hoge, langgerekte zadeldak vertelt een stukje van de geschiedenis. Het zogenaamde aandak aan de zijgevel verraadt dat de hoeve vroeger waarschijnlijk met stro was gedekt. Later werd het brandbare en onderhoudsgevoelige stro vervangen door donkere, gebakken dakpannen. De zware schoorstenen wijzen op de vroegere haarden die het woonhuis verwarmden en waarop dagelijks werd gekookt.

Voor de gevel zien we een eenvoudig bankje, een zandige binnenplaats en landbouwgereedschap tegen de muur. Alles ademt het sobere boerenleven van weleer: lange werkdagen op het veld, dieren in de aangrenzende stal en ’s avonds rust bij het haardvuur. De sporen van kalk rond sommige ramen, de ongelijke bakstenen en het verweerde hout tonen hoe de hoeve doorheen verschillende generaties werd hersteld en aangepast.

Deze foto bewaart dan ook meer dan alleen het beeld van een oude boerderij. Zij toont een bijna verdwenen stukje landelijk Lanaken, toen het leven zich afspeelde rond erf, akker en stal en elke steen van de hoeve verbonden was met het dagelijkse werk van een landbouwersgezin.

X


EISDEN-STATIE – SPOREN VAN HET MIJNVERLEDEN

Updated

Deze sfeervolle opname toont het spoorwegterrein van Eisden in de nadagen van de Limburgse steenkoolnijverheid. Links staat de imposante diesellocomotief 6295 van de NMBS, terwijl rechts een kleinere rangeerlocomotief en enkele spoorwegarbeiders te zien zijn. De locomotief behoorde tot de bekende reeks 62, gebouwd tussen 1961 en 1966 voor reizigers- en goederentreinen op niet-geëlektrificeerde spoorlijnen.

Eisden-statie lag aan spoorlijn 21B tussen As en Eisden-Mijn. De lijn werd in het begin van de jaren twintig aangelegd om de mijn met het Belgische spoorwegnet te verbinden. Het sobere station, gebouwd in 1926, diende niet alleen voor het vervoer van steenkool, maar bracht dagelijks ook talrijke mijnwerkers naar hun werk.

Op de foto lijkt locomotief 6295 klaar te staan voor een nieuwe opdracht, terwijl het personeel tussen de wissels zijn werk verricht. Het gele rangeertoestel werd gebruikt om wagons op het mijnterrein te verplaatsen en treinen samen te stellen. Het geheel herinnert aan een tijd waarin het gedreun van dieselmotoren, het geknars van wagons en het geluid van werklieden onafscheidelijk verbonden waren met Eisden.

Het reizigersverkeer werd op 29 mei 1983 stopgezet. De laatste trein met steenkool vertrok op 18 december 1987 richting de cokesfabriek van Marchienne-au-Pont. Daarmee kwam een einde aan een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van Eisden en zijn mijn.

Wat overbleef, waren stille sporen, verlaten gebouwen en herinneringen aan duizenden mijnwerkers. Deze foto bewaart nog één ogenblik waarop Eisden-statie leefde — een tastbare herinnering aan het harde werk, de steenkool en de spoorwegen die het Maasland mee vormgaven.

X


EISDEN-STATIE "POORT NAAR DE MIJN"

Updated

Deze sfeervolle foto, vermoedelijk uit de jaren vijftig, toont de statie van Eisden met op de achtergrond de indrukwekkende mijnterril. Voor het eenvoudige stationsgebouw staan enkele reizigers, fietsen en een personenwagen. Het was een vertrouwd beeld in een tijd waarin de trein nog het dagelijkse ritme van de mijnstreek bepaalde. De statie werd in 1926 gebouwd langs spoorlijn 21B tussen As en Eisden. Ze diende niet alleen voor het vervoer van steenkool, maar bracht ook dagelijks talrijke mijnwerkers uit de omliggende dorpen naar de mijn Limburg-Maas. De spoorlijn werd later doorgetrokken tot aan de scheepswerf langs de Zuid-Willemsvaart. Achter het station verhief zich de zwarte steenberg, opgebouwd uit het gesteente dat samen met de kolen uit de diepe Limburgse ondergrond naar boven kwam. Zo stonden de statie, de spoorlijn en de terril allemaal in dienst van dezelfde onderneming die Eisden tientallen jaren lang werk, welvaart en een geheel nieuw dorpsleven bracht. In 1983 verdween het reizigersverkeer. Op 18 december 1987 vertrok vanuit Eisden de laatste trein met steenkool. Daarmee viel het doek over een belangrijk hoofdstuk uit de Limburgse mijngeschiedenis. Wat bleef, is de oude statie: een stille herinnering aan de tijd van fluitende locomotieven, wachtende mijnwerkers en lange kolentreinen die door het Maasland reden.

X


dinsdag 1 september 2026

GENK – DE FEESTELIJKE OPENING VAN SHOPPING 1, 1968

Updated

Op woensdag 28 augustus 1968, klokslag negen uur, begon voor Genk een nieuw hoofdstuk. Die ochtend opende Shopping 1 zijn deuren: het eerste echte overdekte shoppingcenter van België, gebouwd naar het voorbeeld van de grote Amerikaanse winkelcentra. Voor Limburg was het een ongekend staaltje van moderniteit. Winkelen, ontmoeten en ontspannen konden voortaan allemaal onder één dak. De openingsadvertentie beloofde twee warenhuizen — Bon Marché en Sarma — ongeveer veertig gespecialiseerde winkels, een gratis parkeerterrein voor liefst 10.000 wagens en een modern autobusstation met 21 lijnen. Vier dagen lang werd feestgevierd met vedetten, wedstrijden, ballonnen en duizenden geschenken. Op de openingsavond kleurde een groot vuurwerk de Genkse hemel, terwijl bij een wedstrijd zelfs een Ford Escort als hoofdprijs werd uitgeloofd. De keuze voor Genk was niet toevallig. Een marktonderzoek uit 1965 wees op de centrale ligging, de snelgroeiende Limburgse bevolking en de goede bereikbaarheid van de jonge industriestad. Het project kreeg in 1966 groen licht. Shopping 1 werd niet alleen een winkelcentrum, maar ook een geliefde ontmoetingsplaats. Generaties Genkenaren herinneren zich nog de centrale hal, de fontein en de bekende volière. Door de jaren heen werd het complex uitgebreid en grondig vernieuwd, maar zijn historische betekenis bleef behouden. Wat op die zomerse woensdag in 1968 begon als een gedurfd en modern project, groeide uit tot een vaste waarde in het hart van Genk — een plaats waar Limburg al meer dan een halve eeuw winkelt, afspreekt en herinneringen maakt. 

X


TIENDUIZENDEN OP DE BEEN VOOR WENENDE MADONNA IN MAASMECHELEN (ZOMER 1982)

Updated
Maasmechelen - afbeelding van de madonna van het Noorditaliaanse Montichari die een rondreis maakte door de Belgische provincie Limburg, is plotseling gaan huilen.

Updated en ingekleurde versie
De plaats van het "wonder", huize Astrid.

Dit is het volledige krantenartikel van 1982: 

"De madonna zag wat de politieke partijen in ons dorp allemaal beloven voor de komende gemeenteraadsverkiezingen en zij barstte direct in snikken uit". In het plaatselijk café te Maasmechelen (Belgisch-limburg) is het ongewone verschijnsel van een wenende madonna, of liever nog twee wenende madonna's tegelijk, aanleiding tot menige grap. Grappen worden er ten huize van schoolmeester Cyrille Linden en zijn vrouw Maria echter in het geheel niet gemaakt. Daar gelooft men vast aan een wonder en duizenden gelovigen uit binnen- en buitenland zijn de afgelopen dagen via voordeur, hal en woonkamer huize Linden doorgeschuifeld om dat wonder met eigen ogen te aanschouwen. Het begon allemaal met een gewoon noveen, een traditioneel katholiek gebruik waarbij gedurende negen dagen speciale gebedssamenkomsten worden georganiseerd voor de zieken. Voor deze bidactie's gaan speciale beelden rond, en in dit geval had een pater Oscar van de Salvatorianen een replica van de madonna uit de Italiaanse stad Montichiari bij de familie Linden afgeleverd. Op woensdag 13 september, toen er zo'n 35 aanwezigen de rozenkrans aan het bidden waren, moet de madonna plots tot leven zijn gekomen. "Kijk ze lacht", merkt één der gelovigen ineens op, maar bij nadere beschouwing bleek het tegendeel: de madonna weende. Volgens de ingewijden van het eerste uur rolden de tranen de madonna werkelijk van de wangen: "Ik proefde de lichtzoute tranen zelf, zegt mevrouw Linden, en een buurvrouw verzekert: "Natuurlijk is het echt, de zakdoekjes onder het beeld zijn kletsnat". Na enige dagen begon tot grote opwinding van de aanwezigen ook een ander beeld in huis, een replica van de madonna van Fatima, die gewoon in een hoekje stond, te huilen en het grote nieuws verspreidde zich tot ver in de omtrek. "Doorlopen, doorlopen", is de boodschap voor de vele belangstellenden die de afgelopen week dagelijks door de moderne woonkamer van huize Linden schuifelden om de beelden te aanschouwen. Temidden van brandende kaarsen, bossen bloemen en merendeels oudere dames gekleed in stemmige jurken die luid het Onze Vader en het Wees Gegroet Maria bidden, staan ze daar, bovenop de schoorsteen. Invaliden en zieken mogen wat langer blijven, de rest van de gelovigen kruipt als een ononderbroken rups door het huis. De grote vraag die iedereen na afloop bezighoudt is: huilde ze nu wel of huilde ze nu niet. De meeste aanwezigen hebben wat dat betreft pech. Zo ook uw verslaggever. Geen traan te zien, of toch? Glinstert daar wat? Men buigt zich voorover, taxeert de glans op madonna's wangen en de vochtigheid van de onder haar kin geprangde zakdoekjes die even later als kostbare relikwieën door de eigenaars worden meegenomen. De meningen blijven verdeeld. Het bisdom zit met de wenende madonna in zijn maag. De officiële kerk heeft het niet zo op dit soort oncontroleerbare semi-religieuze bewegingen aan de basis. "Dat die mensen daar rond het beeld aan het bidden zijn, is natuurlijk hun goed recht, tegen bidden hebben we uiteraard niets, maar of het werkelijk om een wonder, de kerkelijke overheid stelt zich altijd zeer terughoudend op. Wij zijn er niet zo van overtuigd dat de hemel zomaar wonderen van deze aard verricht. Een bekering van het hart is meer waardevol dan al dit uiterlijk vertoon", zegt pater Vendrickx. De wenende madonna is inmiddels op verzoek van het bisdom door de eigenaar pater Oscar (een voormalige missionaris die nog teveel onder invloed is van zijn Zuidamerikaanse ervaringen zo wordt gezegd) van haar toernee ontlast en voor onderzoek beschikbaar gesteld. Het bisdom heeft zo voorlopig zijn doel bereikt: de rust kan weerkeren en of de madonna echt geweend heeft of niet zal wel nooit wetenschappelijk worden vastgesteld.

Nog een ander artikel uit een Nederlandse krant van 1982: 

MAASMECHELEN - Een beeld van de madonna van het Noorditaliaanse Montichari die een rondreis maakte door de Belgische provincie Limburg, is plotseling gaan huilen Dit zeggen althans de bewoners van het dorpje Mariaheide (Maasmechelen), die in de woning van een 60-jarige onderwijzer, diens vier jaar jongere vrouw en twee nog thuis inwonende zoons van 24 en 19 jaar, enkele avonden zijn gaan bidden rond het madonnabeeld. Het kost de politie handenvol werk om de aan- en afrijdende auto's en bussen met nieuwsgierigen, onder wie veel invaliden, enigermate ordelijk te laten parkeren. Een politieman schatte dinsdagavond het aantal toegestroomde pelgrims op minstens 35.000.

Het onderstaande artikel stond destijds in Kerk en Leven 1982:


EEN MERKWAARDIG HOOFDSTUK UIT HET VERLEDEN

WENENDE MADONNA

TE MAASMECHELEN

Het verhaal van bungalow ‘Astrid’, duizenden pelgrims
en een Mariabeeld dat tranen zou hebben geweend

Er zijn gebeurtenissen die jarenlang in het geheugen van een dorp blijven voortleven. Verhalen die van huis tot huis worden doorverteld en waarbij waarheid, geloof en verwondering langzaam met elkaar verweven raken. Zo ontstond ook in Mariaheide, een gehucht van Maasmechelen, het merkwaardige verhaal van een wenend Mariabeeld.

Een beeld uit Noord-Italië

Het ging om een afbeelding van de Madonna van Montichiari, afkomstig uit Noord-Italië. Het beeld maakte destijds een rondreis door de Belgische provincie Limburg en werd tijdelijk ondergebracht in de woning van de zestigjarige onderwijzer C. Linden en zijn echtgenote Maria-Schroeder. Hun huis, bungalow ‘Astrid’ aan de Koning Albertlaan, zou in korte tijd uitgroeien tot een waar pelgrimsoord.

Tranen op het gelaat van Maria

Enkele avonden kwamen gelovigen in de woning van de familie Linden samen om rond het Mariabeeld te bidden. Tijdens deze gebedsmomenten meenden de aanwezigen plotseling tranen op het gelaat van de Madonna te zien.

De familie probeerde het merkwaardige gebeuren aanvankelijk stil te houden. Maar in een tijd waarin nieuws nog voornamelijk van mond tot mond werd verspreid, bleek zoiets onmogelijk geheim te houden. Het verhaal ging als een lopend vuurtje door Maasmechelen en ver daarbuiten. Al spoedig sprak men over ‘het wonder van Maasmechelen’.

‘De Koning Albertlaan zag zwart van de mensen.’

Vanuit alle hoeken van het land kwamen nieuwsgierigen en gelovigen naar Mariaheide. Auto’s en autobussen vulden de Koning Albertlaan. Volgens een politieman zouden op een avond minstens 35.000 mensen naar de woning zijn afgezakt. Onder hen bevonden zich ook zieken en invaliden, die hoopten op genezing, troost of een teken van boven.

De plaatselijke politie had de handen vol om het verkeer in goede banen te leiden en de toegestroomde voertuigen enigszins ordelijk te laten parkeren.

Bungalow ‘Astrid’ wordt een bedevaartsoord

De grootste drukte heerste tussen negen uur ’s morgens en negen uur ’s avonds. De bezoekers stonden soms urenlang te wachten, zelfs wanneer het regende. Voetje voor voetje schoven zij voorbij het Mariabeeld, dat tussen brandende kaarsen en bloemen was opgesteld.

Binnen werd vurig gebeden en werden Marialiederen gezongen. De stilte van het gebed werd slechts onderbroken door fluisterende stemmen, het schuifelen van voeten en het zachte snikken van ontroerde bezoekers.

Mevrouw Linden verving geregeld de nat geworden zakdoekjes bij het beeld door droge exemplaren. In het begin mochten bezoekers de Madonna nog aanraken, maar door de enorme toestroom werd dit later verboden. Dat gebeurde op verzoek van pater Oscar, een Salvatoriaan uit het nabijgelegen Hamont en eigenaar van het rondreizende beeld.

Wie van ver kwam, werd niet zomaar weggestuurd. Mensen uit Antwerpen, Luik en Rozendaal stonden aan de deur. Ondanks de vermoeidheid probeerde de familie Linden zoveel mogelijk bezoekers de gelegenheid te geven het beeld met eigen ogen te aanschouwen.

Het bijzondere levensverhaal van mevrouw Linden

Het verhaal kreeg nog een diepere betekenis door de persoonlijke geschiedenis van mevrouw Linden. Zij was gedurende een groot gedeelte van haar toen 33-jarige huwelijk ernstig ziek geweest. Ze had naar eigen zeggen ongeveer vijfentwintig operaties ondergaan in verschillende ziekenhuizen in België en Nederland. Uiteindelijk zou zij als ongeneeslijk zijn beschouwd.

Mevrouw Linden schreef haar herstel toe aan de voorspraak van de Italiaanse pater Pio, de bekende kapucijner monnik die later heilig werd verklaard. Zij had reeds driemaal een bedevaart naar zijn graf ondernomen. Voor haar was het geloof geen oppervlakkige gewoonte, maar een houvast dat haar door vele jaren van ziekte en onzekerheid had gedragen.

Dat uitgerekend haar woning nu het middelpunt van een grote Mariaverering werd, maakte op vele bezoekers een diepe indruk.

Geloof, handel en nieuwsgierigheid

Waar duizenden mensen samenkomen, verschijnen echter niet alleen gelovigen. Ook handige handelaars zagen mogelijkheden in de gebeurtenissen. In Maasmechelen verschenen reclameborden met de woorden: ‘Hier alles over de miraculeuze Madonna van Mariaheide.’

Sommigen probeerden geld te verdienen aan de plotselinge bekendheid van het dorp. Daardoor ontstond naast de godsdienstige ontroering ook kritiek. Was hier werkelijk sprake van een bovennatuurlijk verschijnsel, of liet men zich meeslepen door hoop, emotie en massale belangstelling?

De meningen bleven verdeeld. Voor de ene bezoeker was het een zichtbaar teken van Maria. Voor de andere was het vooral een raadselachtig verschijnsel waarvoor misschien een gewone verklaring bestond.

Een dorp dat even bedevaartsoord werd

Het Mariabeeld bleef niet voorgoed in Maasmechelen. Volgens het vastgelegde reisschema moest het na enkele dagen naar een andere plaats in Belgisch Limburg worden overgebracht. Vooral de sceptische bezoekers wachtten nieuwsgierig af of de tranen zich ook daar opnieuw zouden vertonen.

Maar wat er later ook gebeurde, Mariaheide had zijn plaats in de plaatselijke geschiedenis al verworven. Gedurende enkele uitzonderlijke dagen veranderde een gewone woning aan de Koning Albertlaan in een bedevaartsoord. Duizenden mensen stonden er zij aan zij: ouderen en jongeren, zieken en gezonden, overtuigde gelovigen en nieuwsgierige twijfelaars.

Ze kwamen met ieder hun eigen hoop,
hun eigen verdriet en hun eigen vragen.

Of de Madonna werkelijk huilde, zal wellicht nooit met zekerheid kunnen worden vastgesteld. Maar voor velen die destijds in de regen voor bungalow ‘Astrid’ stonden te wachten, was het gebeuren meer dan zomaar een verhaal. Het was een moment waarop een stil stukje Maasmechelen plotseling het middelpunt werd van geloof, verwondering en menselijke hoop.

En zo bleef de herinnering aan de wenende Madonna van Mariaheide voortleven als een wonderlijk hoofdstuk uit Maasmechelen.

X

LANAKEN - TREIN EN STATION IN DE JAREN 80

Updated Updated Deze twee foto’s brengen ons terug naar het Lanaken van de jaren 80, toen het spoor nog een vertrouwd onderdeel van het dag...