zaterdag 29 augustus 2026

OUD-REKEM – DE BRUG OVER DE ZUID-WILLEMSVAART IN DE JAREN ’50

Ingekleurde versie

Updated

Ingekleurde versie

Updated

Dit is een luchtfoto uit 1959, de brug had toen een iets andere ligging. dan degene die er nu is (enkele meters meer richting Hotel du Pont) . De draaibrug voor het Hotel du Pont was er vanzelfsprekend al lang niet meer. Er was toen aan de kant van Oud-Rekem nog bewoning langs de Zuid-Willemsvaart.

 Dit is een luchtfoto uit 1986: De brug is hier nu duidelijk te zien. De huizen langs de zuid-willemsvaart als men van de brug Oud-Rekem binnenkomt zijn inmiddels verdwenen.

In de jaren vijftig vormde de Zuid-Willemsvaart een vertrouwd onderdeel van het landschap van Rekem. Het kanaal was al veel ouder: het werd onder koning Willem I in de jaren 1822-1825 aangelegd en liep vlak langs de oostzijde van het oude stadje. Daardoor werd Rekem als het ware afgesneden van het naburige Uikhoven. De brugverbinding tussen beide dorpen kende door de jaren heen verschillende gedaanten. Oorspronkelijk lag hier een draaibrug, die geopend kon worden wanneer schepen passeerden. Bij de verbreding van de Zuid-Willemsvaart in 1934 verdween die oude draaibrug. Ze werd vervangen door een vaste brug die iets zuidelijker kwam te liggen. Daardoor hoefde het verkeer uit de richting Uikhoven niet langer door de oude straten van Rekem te rijden. Voor de plaatselijke herbergen en handelaars betekende dat een merkbare verandering: een deel van de vroegere passage door het centrum viel weg. De brug zoals we die met het Rekem van de jaren '50 associëren, paste nog helemaal in het landelijke Maasland van die tijd. Hout was nadrukkelijk aanwezig in de constructie en gaf de brug haar robuuste, bijna primitieve uiterlijk. Zware balken, schoren en palen droegen het brugdek boven het donkere kanaalwater. Het hout werd door regen, zon en vocht steeds donkerder en vertoonde na verloop van tijd de typische sporen van intensief gebruik: verkleuring, slijtage en verweerde oppervlakten. Over de brug trok het dagelijkse leven voorbij. Boeren met fiets of kar, arbeiders op weg naar hun werk, schoolgaande kinderen en de eerste naoorlogse auto's deelden dezelfde verbinding. Beneden lag de Zuid-Willemsvaart, waar beroepsvaart nog deel uitmaakte van het dagelijkse beeld. Aan weerszijden lagen grasbermen, populieren en het vlakke landschap van de Maasvallei. Voor Oud-Rekem was het kanaal tegelijk een verbinding en een grens. De aanleg ervan in de 19de eeuw had het historische stadje fysiek van Uikhoven gescheiden. De brug bracht beide oevers opnieuw bij elkaar. Ook vandaag is in het landschap nog duidelijk te herkennen hoe sterk de Zuid-Willemsvaart de structuur van Rekem heeft bepaald. De houten brug van Rekem in de jaren ’50 was daarom veel meer dan alleen een oversteekplaats. Ze hoorde bij het dagelijkse ritme van een Maaslands dorp: het kraken van het hout onder passerend verkeer, het water van de Zuid-Willemsvaart eronder en aan weerszijden het groene Limburgse landschap. Een eenvoudig stukje infrastructuur dat voor vele Rekemnaren jarenlang de vertrouwde weg naar de andere kant van het kanaal betekende.

X

BOORSEM – SPEELTUIG ‘DE APENKOOI’, OMSTREEKS 1975–1976

Updated en bewerkt (van een eigen originele familiefoto, de kinderen zijn verwijderd)

 Wie in Boorsem in de jaren zeventig kind was, zal zich wellicht nog het bijzondere speeltuig herinneren die in de volksmond ‘De Apenkooi’ werd genoemd. Deze foto brengt ons terug naar omstreeks 1975–1976, toen buitenspelen nog een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijkse dorpsleven was. Centraal staat het grote metalen speeltuig waaraan de plek haar bijnaam te danken had. Het was een robuuste constructie van stalen buizen, hekwerk en houten loopplanken. Geen felgekleurd kunststof of zachte rubberen ondergrond zoals tegenwoordig: kinderen klommen, klauterden en liepen over het toestel zoals het er stond. De bruine metalen constructie en de gele buizenafrastering vormden samen een herkenbaar geheel. Via de openingen en gele geleidingen kon men het toestel bereiken en weer verlaten. Ook de omgeving vertelt veel over die periode. Op de achtergrond zien we de typische betonnen afsluitingsplaten, een bakstenen woning, eenvoudige televisieantennes op de daken en een terrein dat grotendeels uit gras en aangestampte aarde bestaat. Voor de jeugd was zo'n speeltuin een ideaal moment om samen met de andere kinderen van het dorp (en naaste dorpen) te spelen. Hier werd na schooltijd afgesproken, werden wedstrijden gehouden wie het snelst boven geraakte op de glijbaan en veranderde de constructie van 'De Apenkooi' in de fantasie van kinderen nu eens in een gevangenis, dan weer in een fort of een echt klimparadijs. De naam ‘De Apenkooi’ paste er dan ook uitstekend bij. Veiligheidsnormen zoals we die vandaag kennen, waren toen heel anders. Een metalen constructie mocht nog verweerd zijn, een houten plank onder de voeten en onder het toestel lag gewoon de natuurlijke bodem. Juist die eenvoud typeert de openbare speelplaatsen van de jaren zestig en zeventig. De Apenkooi van Boorsem behoort daarmee tot dat kleine plaatselijke erfgoed dat zelden in officiële geschiedenisboeken terechtkomt, maar des te sterker in het geheugen van een generatie voortleeft. Voor wie er als kind heeft gespeeld, roept deze opname waarschijnlijk meteen herinneringen op aan vuile knieën, eindeloze zomerdagen en het geroep van kinderen dat door de buurt klonk.

X



vrijdag 28 augustus 2026

MAASTRICHT – TRAM TE NEERCANNE, 1925

Updated en bewerkt (de achterste mensen verwijderd wegens te slechte kwaliteit)

Originele foto

Een prachtig tijdsbeeld uit 1925, genomen aan de grens tussen Maastricht en het Belgische Kanne. De stoomtram, komende uit de richting Kanne en het Belgische achterland, is tot stilstand gekomen bij Neder-Canne, aan de Cannerweg. Hier bevond zich niet zomaar een halte: het markante gebouw deed tegelijk dienst als tramstation, douanepost en dienstwoning. Het complex was reeds in 1894 gebouwd, in een opvallende bouwstijl met invloeden van de chaletarchitectuur.

Op de foto staat de tram te wachten terwijl de inklaring bij de douane wordt afgehandeld. Een grensoverschrijdende tramrit was in die tijd immers meer dan alleen instappen en weer uitstappen. Reizigers en goederen kwamen vanuit België Nederland binnen en passeerden hier de grenscontrole voordat de tram zijn weg naar Maastricht kon vervolgen. Het moet soms voor enig oponthoud hebben gezorgd, maar het hoorde bij het dagelijkse ritueel van het grensverkeer.

De opname zelf kan heel nauwkeurig worden gedateerd. De bewaard gebleven beschrijving vermeldt een stoomtram uit het Belgische Glons-Bassenge bij het douanekantoor aan de Cannerweg in Maastricht in 1925. De oorspronkelijke foto behoort tot de fotocollectie van Maastricht, met inventarisnummer GAM 2644.

Wat deze foto zo bijzonder maakt, zijn vooral de mensen. De reizigers verdringen zich voor de geopende ramen van de houten rijtuigen en kijken nieuwsgierig naar de fotograaf. Mannen met petten en hoeden, vrouwen en kinderen vormen samen een levendig beeld van het dagelijkse tramverkeer van een eeuw geleden. Voor de locomotief staat het trampersoneel, terwijl vanuit de machine eveneens naar buiten wordt gekeken. Het wachten bij de douane werd zo onverwacht een gelegenheid voor een groepsportret.

De tramverbinding was voor Kanne en de omliggende dorpen van groot belang. De lijn Maastricht–Kanne–Glons was al in 1894 in gebruik genomen en verbond Maastricht rechtstreeks met het Belgische achterland. Vanuit Maastricht volgde de tram het Jekerdal richting de grens. Een reiziger beschreef reeds in 1910 hoe men vanuit Maastricht per tram door het Jekerdal reed, langs het hooggelegen kasteel Neercanne en vervolgens de grens naar België overstak.

Het gebouw dat achter de tram zichtbaar is, herinnert nog altijd aan die bijzondere periode. De voormalige douanepost annex tramstation Neder-Canne bestaat nog en is tegenwoordig beschermd als rijksmonument. Daarmee is het een tastbare herinnering aan een tijd waarin stoom, houten rijtuigen en grensformaliteiten onlosmakelijk verbonden waren met een reis tussen Kanne en Maastricht.

Neercanne, 1925. De locomotief staat onder stoom, de rijtuigen zitten vol en de reizigers wachten. Zodra de douaniers hun werk hebben beëindigd en de inklaring achter de rug is, kan de tram weer verder. Dan klinkt het vertreksein en zet het kleine konvooi zich opnieuw in beweging, door het Jekerdal richting Maastricht.

Een eenvoudig moment van wachten aan de grens, maar honderd jaar later een prachtig document van het dagelijkse leven rond Kanne, Neercanne en Maastricht.

MAASTRICHT - DE VISSER AAN DE MAAS

Ingekleurde versie

Upscaled

Aan de oever van de Maas zit hij alleen. Een eenvoudige visser, zijn hengel ver over het water uitgestrekt, wachtend op die ene beweging van de dobber. Achter hem ligt een van de oudste en meest herkenbare stadsgezichten van Maastricht: de monumentale Sint-Servaasbrug, met daarachter de daken, gevels en torens van de oude binnenstad.

De Maas en Maastricht zijn al eeuwenlang onlosmakelijk met elkaar verbonden. De rivier was niet alleen een natuurlijke grens, maar vooral een levensader. Schepen vervoerden er steenkool, bouwmaterialen, landbouwproducten en handelswaar. Langs de oevers werkten schippers, lossers en ambachtslieden. En tussen al die bedrijvigheid waren er altijd de vissers. Sommigen visten voor hun broodwinning, anderen eenvoudigweg om enkele uren aan de drukte van de stad te ontsnappen.

Op deze foto lijkt de tijd even stil te staan. De visser heeft geen moderne uitrusting nodig. Een lange hengel, eenvoudige kleding, een pet tegen wind en zon en vooral veel geduld volstaan. Vanaf de stenen aan de waterkant kijkt hij uit over het brede Maaswater. Voor een Maastrichtenaar kon zo'n plaats jarenlang een vertrouwd plekje zijn: men kende de stroming, wist waar het water achter een steen rustiger werd en waar voorn, brasem, baars of paling te vinden was.

De Sint-Servaasbrug als eeuwenoude achtergrond

Het indrukwekkendste herkenningspunt is de Sint-Servaasbrug. De huidige stenen brug gaat in oorsprong terug tot de 13e eeuw en werd gebouwd nadat de oudere Maasovergang niet langer voldeed. Zij verbond de oude stad Maastricht met Wyck aan de andere zijde van de rivier. Door de eeuwen heen werd de brug herhaaldelijk hersteld en aangepast, maar haar karakteristieke stenen bogen bleven een van de symbolen van Maastricht.

Voor generaties inwoners was deze brug veel meer dan een monument. Dagelijks trokken voetgangers, karren, paarden en later fietsen, trams en auto's over de Maas. Onder de bogen voeren schepen voorbij en langs de oevers werd gewerkt, gewandeld én gevist.

De foto toont daardoor een prachtig contrast. Op de achtergrond staat de eeuwenoude stad, gebouwd en veranderd door talloze generaties. Op de voorgrond zit één man, klein tegenover de rivier en de monumentale brug. Zijn wereld bestaat op dat ogenblik slechts uit het langzaam stromende water, zijn hengel en de verwachting van wat zich onder het Maasoppervlak bevindt.

Het is precies dat alledaagse tafereel dat zulke beelden waardevol maakt. Geschiedenis bestaat immers niet alleen uit grote gebouwen, oorlogen en beroemde personen. Ze bestaat eveneens uit gewone mensen die op een vrije middag naar de Maas trokken, een geschikte steen uitzochten, hun hengel uitwierpen en urenlang naar het water keken.

X





BOORSEM BUNKER 1962

Updated en Ingekleurde versie 

Boorsem 1962 — een rustig dorpsbeeld, met op de achtergrond nog altijd de stille sporen van mei 1940.

Op deze foto uit 1962 zien we een stukje Boorsem dat vandaag vrijwel volledig uit het straatbeeld verdwenen is. Van rechts naar links liep de weg bergop in de richting van de brug over de Zuid-Willemsvaart, die net buiten beeld lag. Langs beide zijden van deze oplopende weg stonden toen lindebomen. Links van de weg, tussen het landelijke groen, stond nog een stille getuige van een veel woeliger verleden: de betonnen bunker bij de brug.

De bunker was geen willekeurig militair bouwwerk. In de tweede helft van de jaren 1930 liet het Belgische leger langs de Zuid-Willemsvaart een verdedigingsstelsel uitbouwen. De werken aan deze zogenaamde Grensstelling of Vooruitgeschoven Stelling begonnen omstreeks 1935 en liepen tot 1937. De Zuid-Willemsvaart zelf moest daarbij als een natuurlijke antitankhindernis dienen. Langs het kanaal verschenen verschillende soorten bunkers, terwijl ook de strategisch belangrijke bruggen extra werden beveiligd.

Ook Boorsem maakte uitdrukkelijk deel uit van deze verdediging. Historische gegevens over de opstelling in mei 1940 vermelden de bruggen van Rekem, Boorsem, Maasmechelen en Vucht. Bij deze kanaalbruggen bevonden zich militaire posten en bunkers; de eenheden die er lagen moesten niet alleen de kanaalovergangen verdedigen, maar waren ook betrokken bij de voorbereiding van de vernieling van de bruggen wanneer een vijandelijke doorbraak dreigde. De stellingen waren zelfs via ondergrondse telefoonlijnen verbonden met de militaire infrastructuur in Lanaken.

Voor Boorsem wordt bovendien specifiek melding gemaakt van de vooroorlogse brug en de antitankbunker K26 . Dergelijke K-bunkers waren bedoeld om een vijandelijke doorbraak bij een brug of belangrijke doorgang tegen te houden en konden met een antitankkanon worden uitgerust. Daarmee krijgt het kleine betonnen gebouwtje op deze vredige foto een heel andere betekenis: het maakte deel uit van de Belgische voorbereidingen op een oorlog waarvan men in de jaren dertig vreesde dat hij opnieuw Europa zou treffen.

Die vrees werd werkelijkheid toen op 10 mei 1940 Duitse troepen België binnenvielen. De Belgische verdediging aan de grenskanalen kon de opmars uiteindelijk niet tegenhouden. De Grensstelling verloor daardoor al snel haar oorspronkelijke militaire betekenis. Tijdens de bezetting werden veel bunkers door de Duitsers van hun militaire uitrusting ontdaan en na de oorlog werd de verdedigingslinie officieel gedeclasseerd. En toch bleef de bunker van Boorsem nog vele jaren staan.

In 1962,meer dan twintig jaar na de Duitse inval, was hij een vertrouwd onderdeel van het landschap geworden. Rondom lagen opnieuw akkers en weilanden, de lindebomen stonden langs de weg en bewoners trokken over de brug alsof de betonnen constructie er altijd had gestaan. Voor de jongere generatie was het wellicht niet meer dan “de bunker aan de brug”, maar voor mensen die de oorlog hadden meegemaakt moet hij een heel andere betekenis hebben gehad.

De foto is daardoor bijzonder. Hij toont niet de bunker tijdens de oorlog, maar juist de overgang van oorlogsverleden naar het gewone dagelijkse leven. Het militaire bouwwerk staat bijna verloren tussen de hagen, bomen en akkers. Rechts het woonhuis, links het boerenland en daartussen een bunker die ooit was gebouwd omdat men rekening hield met tanks, soldaten en een mogelijke invasie.

Begin jaren 1970 veranderde deze omgeving opnieuw ingrijpend. Bij de aanleg van de nieuwe brug en de bijbehorende wegenwerken verdween de oude situatie. De bunker werd afgebroken en ook het uitzicht dat op deze foto nog zo herkenbaar is, veranderde. Wat overblijft, is deze opname uit 1962.

Een ogenschijnlijk eenvoudig beeld van een huis, een akker, enkele lindebomen en een blok beton. Maar wie het verhaal erachter kent, ziet veel meer. Hier liep de oude weg omhoog naar de brug van Boorsem. Hier stond een verdedigingswerk dat in de jaren 1930 werd opgetrokken in afwachting van een oorlog waarvan iedereen hoopte dat hij nooit zou komen. En hier verdween begin jaren zeventig opnieuw een stukje tastbare oorlogsgeschiedenis uit het landschap.

Deze foto maakte ik in 2018 zodat men een gedacht krijgt waar de bunker stond en de boerderij Leenders.

X



DE CARIDENG BRUG VAN LANAKEN

Updated

Lanaken – de oude Caridengbrug over het Albertkanaal, omstreeks 1970 (ca. 1968–1973). Zicht vanaf het houten brugdek in de richting van het centrum van Lanaken.

Wie vroeger in Lanaken over de Carideng-brug ging, bevond zich midden in een landschap dat sterk verbonden was met de industriële ontwikkeling van de gemeente. De donkere ijzeren constructie, het houten brugdek en de zware dwarsliggers vormden een markante doorgang. Op oude beelden kijkt men vanuit het bijna donkere binnenste van de brug naar het lichtere centrum van Lanaken, met de kerktoren als herkenningspunt in de verte.

De naam van de brug leefde voort door haar ligging bij de Carideng-rubberfabriek. Die fabriek behoorde decennialang tot de belangrijke werkgevers van Lanaken. De onderneming kende haar oorsprong in 1924, aanvankelijk onder de naam Radium, en werd later Carideng. Historische bronnen uit de jaren 1950 en 1960 vermelden de S.A. Carideng à Lanaken als producent van industriële rubberproducten, waaronder zware transportbanden voor onder meer de mijnindustrie.

Carideng was in het Lanaken van de twintigste eeuw veel meer dan zomaar een fabriek. Generaties mannen en vrouwen uit Lanaken en de omliggende Maasdorpen vonden er werk. De fabriek hoorde bij het dagelijkse leven: bij het komen en gaan van arbeiders, het vrachtverkeer en het typische geluid en ritme van een industriële gemeente. Zelfs tijdens de meidagen van 1940 speelde het bedrijf ongewild een rol in de oorlogsgeschiedenis. De hoge schoorsteen van de Carideng-fabriek was als mogelijk vijandelijk observatiepunt aangeduid en werd bij de Duitse inval vernield.

De Carideng-brug werd daardoor voor veel Lanakenaren een herkenningspunt. Het was geen sierlijke monumentale brug, maar een functioneel bouwwerk: stevig ijzerwerk boven en langs de rijweg en een wegdek van zware houten planken, die door regen, verkeer en jarenlang gebruik steeds meer verweerd raakten. Wie erover reed, zal zich waarschijnlijk ook het typische gerommel van de wielen over die planken herinneren.

Op de oude foto is juist die sfeer prachtig bewaard gebleven. De zware stalen balken maken van de brug bijna een donkere tunnel. Tussen de constructie door valt het daglicht naar binnen. Onder de voeten liggen de lange, afgesleten planken en aan het einde opent zich opnieuw Lanaken. Het is een beeld waarin industrie en dorpsleven letterlijk in elkaars verlengde liggen.

Het einde van Carideng kwam hard aan. Op 4 maart 1981 werd de NV Carideng failliet verklaard. In de Vlaamse Raad werd enkele weken later gesproken over het verlies van 415 arbeidsplaatsen, een bijzonder zware klap voor het Maasland. Later datzelfde jaar, op 7 september 1981, begon op de voormalige industriële basis een nieuw hoofdstuk met Hercorub.

Zo behoort ook de Carideng-brug tot het collectieve geheugen van het oude Lanaken. Voor wie haar nog gekend heeft, was ze misschien gewoon de brug waar men dagelijks overheen moest. Maar vandaag vertelt zo'n foto veel meer: over een tijd van fabrieksarbeid, houten brugdekken, zware ijzerconstructies en een Lanaken dat langzaam veranderde van een landelijke gemeente in een plaats waar industrie een belangrijke rol speelde.

De Carideng-brug was geen groot monument. Ze was iets veel waardevollers voor de plaatselijke geschiedenis: een alledaags herkenningspunt dat duizenden Lanakenaren jarenlang met hun werk, hun dorp en hun herinneringen verbond.

X


woensdag 26 augustus 2026

DE OUDE BAILEYBRUG VAN BOORSEM, EEN SMALLE POORT OVER DE ZUID-WILLEMSVAART

Ontworpen door Jp (de brug wat verlengd met behulp van een originele foto).

De originele foto ingekleurd.

Originele foto updated

Op deze prachtige oude foto staan we aan een stukje verdwenen Boorsem dat vele oudere inwoners zich nog levendig zullen herinneren: de oude Baileybrug over de Zuid-Willemsvaart. Een eenvoudige, zware constructie van staal en hout, zonder enige sier, maar jarenlang van groot belang voor het dagelijkse leven in het dorp.

Wie vandaag naar zo'n brug kijkt, moet zich vooral realiseren hoe smal ze eigenlijk was. De doorgang was nauwelijks breed genoeg voor één voertuig. Een boerenkar met paard kon erover, later ook een personenwagen, maar elkaar kruisen was uitgesloten. Wie van de andere kant verkeer zag aankomen, moest wachten. Zo eenvoudig ging dat toen.

Op de foto is dat karakter bijzonder mooi zichtbaar. De donkere stalen vakwerkconstructie vormt als het ware een lange kooi boven het houten brugdek. Grote gekruiste stalen liggers gaven de brug haar stevigheid. Het wegdek bestond uit zware houten planken, die door jarenlang gebruik zichtbaar sleten. Boven de doorgang hangt het opvallende ronde bord met “5 Km.”: sneller hoefde men hier beslist niet te rijden.

Een brug met een militair verleden

De naam Baileybrug verwijst naar de Britse ingenieur Donald Bailey, die tijdens de Tweede Wereldoorlog een systeem ontwikkelde waarmee uit gestandaardiseerde stalen onderdelen bijzonder snel een stevige brug kon worden opgebouwd. Het grote voordeel was dat de elementen betrekkelijk eenvoudig konden worden vervoerd en zonder ingewikkelde zware bouwinstallaties gemonteerd. Daardoor konden genietroepen vernielde bruggen tijdens de militaire opmars snel vervangen. Het systeem speelde vanaf 1944 een belangrijke rol bij de geallieerde opmars door West-Europa.

Dat militaire karakter zie je ook onmiddellijk terug in de brug van Boorsem. Alles is functioneel: rechte stalen profielen, boutverbindingen, zware dwarsverbanden en een houten rijvloer. Schoonheid was bij het ontwerp van ondergeschikt belang. Een Baileybrug moest vooral snel gebouwd, sterk en betrouwbaar zijn.

De ligging aan de Zuid-Willemsvaart maakt het verhaal des te interessanter. Het kanaal was tijdens de Tweede Wereldoorlog een belangrijke militaire hindernis. In mei 1940 werden op verschillende plaatsen bruggen vernield om de Duitse opmars te vertragen; bij de terugtocht van de Duitsers in 1944 gebeurde hetzelfde om de geallieerde opmars af te remmen. Ook Boorsem lag midden in dat oorlogsgebied. Bronnen vermelden bij Boorsem reeds de vooroorlogse brug over het kanaal, terwijl er in mei 1940 na de vernielingen door Duitse genietroepen noodbruggen werden aangelegd.

Van noodbrug tot dorpsbrug

Na de oorlog moest het gewone leven natuurlijk verder. Wegen moesten opnieuw verbonden worden en mensen moesten weer naar hun akkers, familie, winkels en werk kunnen. De sobere Baileyconstructies die oorspronkelijk als militaire noodoplossing waren bedacht, bleken daarvoor uitstekend bruikbaar. Op verschillende plaatsen bleven zulke bruggen daarom veel langer liggen dan oorspronkelijk voorzien.

En zo werd ook zo'n stalen brug een vertrouwd onderdeel van het landschap. Voor de inwoners was het uiteindelijk geen bijzonder militair bouwwerk meer. Het was eenvoudigweg “de brug”.

Daarover trok de boer met paard en kar. Daar passeerde de fietser. Daar reed voorzichtig een van de toen nog betrekkelijk schaarse auto's overheen. En wanneer twee voertuigen elkaar tegemoetkwamen, was het een kwestie van zien wie het eerst op de brug was. De andere bleef netjes wachten.

Je kunt je het geluid bijna voorstellen: het doffe geklop van paardenhoeven, het ijzeren beslag van een boerenkar, fietsbanden over de planken en later het geronk van een auto. Onder dat alles stroomde rustig het water van de Zuid-Willemsvaart.

De Zuid-Willemsvaart

Ook het kanaal zelf behoort tot de grote geschiedenis van het Maasland. De Zuid-Willemsvaart werd in het eerste kwart van de negentiende eeuw onder het bewind van koning Willem I aangelegd en vormde een belangrijke waterverbinding tussen Maastricht en 's-Hertogenbosch. Het kanaal loopt grotendeels evenwijdig met de Maas en veranderde het landschap en de bereikbaarheid van de dorpen langs zijn oevers ingrijpend.

Voor Boorsem was die waterweg dus zowel een verbinding als een scheiding. Het kanaal bracht scheepvaart en bedrijvigheid, maar wie van de ene naar de andere oever wilde, had een brug nodig. Juist daarom waren dergelijke kleine bruggen voor een dorp veel belangrijker dan hun eenvoudige uiterlijk doet vermoeden.

Een alledaags beeld dat geschiedenis werd

Misschien is dat wel het mooiste aan deze foto. De vrouw poseert heel gewoon tegen de stalen constructie. Achter haar zien we geen monumentale stenen brug met beelden of versieringen, maar een donker geraamte van staal, een verweerd houten brugdek en dat merkwaardige bord “5 Km.”

Voor de fotograaf en de vrouw zal het waarschijnlijk vooral een herkenbare plek in Boorsem zijn geweest. Voor ons is het inmiddels een tijdsdocument.

De foto bewaart namelijk meer dan alleen het uiterlijk van een verdwenen brug. Hij laat zien hoe kleinschalig het verkeer toen nog was. Een brug waar nauwelijks één kar of auto tegelijk doorheen kon, volstond voor het plaatselijke verkeer. Geen brede rijstroken, geen vangrails, geen verkeerslichten en geen onafgebroken stroom auto's. Men wachtte eenvoudig even tot de ander voorbij was.

En juist daarom verdient deze oude Baileybrug van Boorsem haar plaats in onze plaatselijke geschiedenis. Wat ooit ontstond uit de praktische noodzaak om een kanaal te kunnen oversteken, werd jarenlang een vertrouwd onderdeel van het dagelijkse dorpsleven.

Een stukje oud Boorsem dat verdwenen is, maar dankzij foto's als deze nooit helemaal verloren gaat.

X

OUDE VOLKSVERHALEN IN HET MAASLAND

Ontworpen door Jp

Ja, vroeger, dat was me een tijd. Ze zeggen wel << de goede oude tijd >>, maar als je sommige zaken hoort, krijg je d'r wel een ander gedacht over. 

Of was het zo prettig te leven in de tijd van de bokkenrijders? Was me dat een roversbende: steeds op de been om te roven en te plunderen. En vele <<dikkoppen >> van die tijd waren erbij! En sluw dat ze waren! Een voorbeeld: ze hadden eens ergens, van een rijke boer , een grote som geld geëist; en ze dreigden , zo hij niet betaalde, zijn boerderij in brand te steken. Volgens hun eis werd het geld dan onder een dikke steen gelegd, aan de rand van het bos. Maar de veldwachter en verschillende andere mensen stonden achter bomen op de loer. Uren hadden zij al gewacht en nog niemand gezien. Daar komt een boer met een grote kruiwagen sprokkelhout aan. Zou hij... ? Warempel: hij stopt bij de steen, zet zich op de berrie van de kruiwagen neer en... rust even uit. Even later... rijdt hij verder. Later op de dag komen nog enkele mensen langs, maar niemand gaat het geld nemen. Maar als men 's avonds gaat kijken... is het geld toch weg! Jaren later komt het uit: de boer bekent dat zijn vijfjarig zoontje onder het hout verborgen zat en ondertussen de latten van de bodem, met zijn handje het geld onder de steen vandaan haalde ! ! En dan had je de weerwolf. Het kon je gebeuren dat hij je ergens, achter heg of struik, in je nek sprong. Dan kon je hem een heel eind dragen en plots: was hij weer verdwenen. Kwaad deed hij je dus niet, maar het was toch maar een vervelende karwei zo een zwaar monster een paar kilometer te moeten dragen. Soms werd een weerwolf wel ontmaskerd. En dan bleek er achter dat ruige vel een... gewone mens te zitten, dikwijls zelfs een kennis. Dat weerwolf spelen, was iets dat ze niet konden laten, zij << moesten >> als het ware, het was een drang waaraan zij niet konden weerstaan. Het meest van al echter waren de mensen vroeger wel bang voor heksen. Als er ergens op een afgelegen plaats in het dorp een oud, vuil vrouwtje woonde, kon je best oppassen, want veel kans dat zij een heks was! Mijd haar, en leg haar zeker niets in de weg, want zij zal zich wreken. Hoe menige veestapel ging niet door een heksenvloek teloor? Hoeveel mensen werden niet, door een aanraking van een heks, aan het ziekbed gekluisterd? Hoeveel kinderen stierven niet aan een geheimzinnige ziekte, nadat een oude bedelares hen gestreeld had, of nadat zij een snoepje van een oude vrouw gekregen, hadden opgegeten? Soms konden zij nog op het nippertje gered worden, nl. door zich te laten zegenen en overlezen door een pater, als het kwaad tenminste al niet ver gevorderd was... En vaak werd je bij het werk lastig gevallen door een kat. Het gebeurde dat je haar stampte of sloeg, en dan was het geen zeldzaamheid als je 's anderendaags een vrouw uit je geburen zag rondlopen, met precies dáár een wonde, waar gij ook die kat geraakt had... geheimzinnig, niet?  Je had ook nog de vuurman, die hoog in de lucht stond en op het eerste fluitsignaal naar je toestormde. Talrijk waren de deuren en ramen waarop hij zijn vingerafdrukken - ingebrand! - achterliet... Je had ook nog ... ach, er was nog zoveel: de geesten van afgestorvenen, die geen rust vonden; spookgestalten die 's nachts over de aarde ronddwaalden; dwaallichtjes, die de late thuisganger van de rechte weg deden afdwalen: dan liep je een ganse nacht in het ronde of - erger nog - probeerde een waterduivel je in een moeras of sloot te trekken. En er was de duivel zelf, die in een of andere gedaante over de aarde rondsloop, op zoek naar mensen die hun ziel wilden verkopen. Er waren geheimzinnige plaatsen, waar je 's nachts een verzonken kasteel zag opdoemen of waar je verborgen klokken hoorde luiden, waar je het kermen hoorde van mensen, lang geleden daar verdronken, op geheimzinnige wijze... Alles samen: er was veel geheimzinnigs, veel wat niet voor rationele verklaring vatbaar leek. Nu vind je dat niet meer, nu leven wij in een tijd waarin dat allemaal spoorloos verdwenen lijkt, een tijd met veel licht, en daarvoor zijn de spoken blijkbaar gaan lopen... Zij bestaan echter nog in het geheugen van vele - vooral oudere - mensen, die het ook maar meestal van << horen vertellen >> weten. Zij hoorden het in een tijd toen de lange << uchter-avonden >> nog gevuld werden met vaak schrikwekkende vertellingen, en niet met T.V.- kijken.

X


maandag 24 augustus 2026

LANAKEN (TOEN LANAEKEN) - BRASSERIE DE PIETERSHEIM

Updated

Een beeld uit een tijd waarin het bier in het Maasland nog met paard en wagen tot bij de cafés en de mensen thuis werd gebracht. Een zwaar beladen bierwagen, houten bakken vol flessen en twee stevige trekpaarden brengen ons terug naar het Lanaken en Neerharen van het begin van de twintigste eeuw. Tot aan de Eerste Wereldoorlog telde Lanaken een vijftal brouwerijen. Een belangrijke plaats in deze plaatselijke biergeschiedenis werd ingenomen door de oude brouwerij van Pietersheim. Deze oorspronkelijke banbrouwerij van de familie de Merode lag binnen het domein van Pietersheim en werd vanaf het begin van de 19de eeuw geëxploiteerd door de familie de Caritat de Peruzzis. Voor de verdeling van het bier beschikte de brouwerij over speciaal uitgeruste bierwagens. Een bekende naam daarbij was Nicolaas Vrancken uit de Waterstraat, de laatste depothouder van de brouwerij Pietersheim in Lanaken. Om zijn bierhandel nieuw leven in te blazen, kreeg hij van de weduwe de Caritat de Peruzzis verschillende materialen ter beschikking, waaronder twee bierwagens en een paard. Samen met zijn oudste zoon Lambert Vrancken trok hij vervolgens door het Maasland om cafés en particulieren te bevoorraden. Voor het zware vervoer werden stevige trekpaarden ingezet. De volgeladen bierwagen werd voortgetrokken door twee krachtige ‘Brabanders’, paarden die uitstekend geschikt waren voor het zware werk op de vaak slechte en onverharde wegen van die tijd. Ook Neerharen behoorde tot de plaatsen waar vader en zoon Vrancken hun bier leverden. De komst van de bierwagen moet destijds een vertrouwd beeld zijn geweest. Het ritmische geluid van paardenhoeven en houten wielen, samen met het gerinkel van de glazen flessen in de bakken, kondigde de bierhandelaar al van ver aan. Achter de paarden volgde de hoge wagen, zwaar beladen met de voorraad die onderweg van café tot café en van klant tot klant werd afgeleverd. Op deze foto komt die verdwenen wereld nog eenmaal tot leven: de bierwagen met zijn houten bakken, de paarden in hun zware tuig en de mannen die instonden voor de bevoorrading. Geen vrachtwagens, pallets of moderne distributie, maar paardenkracht, handenarbeid en lange ritten door het Maasland. Zo vond het bier van Pietersheim zijn weg vanuit Lanaken naar Neerharen en andere dorpen in de omgeving. Een alledaags tafereel uit een verdwenen tijd, waarin de namen Pietersheim, de Caritat de Peruzzis en Vrancken onlosmakelijk verbonden bleven met een stukje oude Lanakense brouwerijgeschiedenis.

PS: In oude bronnen kan men zowel de schrijfwijze Pietersheim als Petersheim tegenkomen. Petersheim is dus geen eenvoudige schrijffout, maar een historische spelling die vroeger daadwerkelijk werd gebruikt. Zo komt in een encyclopedische bron uit 1947 nog de benaming “heerlijkheid Petersheim” voor. Tegenwoordig is Pietersheim de algemeen aanvaarde en officiële schrijfwijze, zoals in “Burcht en kasteel Pietersheim”. Daarom gebruik ik in deze tekst consequent de benaming brouwerij Pietersheim te Lanaken, ook wanneer oudere bronnen soms over Petersheim spreken.

X


MET DE MELKBUS DOOR STORM EN WIND - HET MAASLAND IN DE JAREN 1920


2 Foto's ontworpen door Jp

In het Maasland van de jaren twintig bepaalde de rivier niet alleen het landschap, maar voor een groot deel ook het dagelijkse leven. Tussen Lanaken, Maasmechelen en Maaseik lagen langs de Maas uitgestrekte weiden, akkers en uiterwaarden. De vruchtbare Maasgronden waren waardevol voor de landbouw, maar de rivier bleef onvoorspelbaar. Hoge waterstanden, modder, harde wind en winterse overstromingen hoorden bij het leven in deze streek. Uikhoven werd bijvoorbeeld nog in 1926 zwaar door de Maas getroffen.. Voor de vrouwen op de kleine landbouwbedrijven betekende slecht weer zelden dat het werk kon wachten. Koeien moesten iedere dag worden gemolken. Wanneer dieren in verder gelegen graasweiden stonden, ging men te voet naar het vee, over onverharde veldwegen, dijken en modderige paden. De historische kaarten van het Maasgebied tonen juist in deze periode een veel kleinschaliger landschap dan tegenwoordig: weiden en akkers lagen tussen hagen, houtkanten, boomgaarden en kleine bosjes. Veel wegen waren nog onverhard. Daar zien we in gedachten de Maaslandse boerinnen, zoals op deze beelden: donkere, eenvoudige werkkleding, stevige schoenen of laarzen, een hoofddoek tegen regen en wind en in de hand een metalen melkbus of melkemmer. Hun kleding was geen zondagse dracht. Schorten, rokken en jakken werden gedragen zolang ze bruikbaar waren, hersteld wanneer dat nodig was en tijdens zwaar werk onvermijdelijk vuil en nat. De metalen melkbus werd in de eerste helft van de twintigste eeuw een vertrouwd onderdeel van het boerenbedrijf. Bij het eigenlijke handmelken was een kleinere emmer praktisch; grotere afsluitbare bussen dienden vooral om de melk te verzamelen en te vervoeren. Een boerin die met zo'n bus door de velden liep, droeg dus letterlijk een deel van de dagelijkse opbrengst van het gezin met zich mee. Langs de Maas kon die tocht bijzonder zwaar worden. De uiterwaarden waren landbouwgebied en werden vooral gebruikt als graasweiden en plaatselijk als hooiland. Tijdens hoge waterstanden konden ze overstromen. De Maas zette daarbij zand, slib en klei af en liet drassige grond en uitgesleten geulen achter. En dan kwam de wind. In het open Maasland kreeg hij vrij spel. Rok en schort sloegen tegen de benen, de hoofddoek werd steviger aangetrokken en de zware melkbus moest laag en vast worden gehouden. Op een modderig pad kon iedere stap moeilijk zijn. Toch werd doorgelopen, want achter zo'n eenvoudig dagelijks karwei zat een hele huishouding: melk om te drinken, boter en andere zuivel voor eigen gebruik en, wanneer er voldoende overbleef, melk die kon worden verkocht. Het jaar 1926 laat zien hoe kwetsbaar dat bestaan langs de rivier werkelijk was. Dat jaar brak de Maas tijdens extreem hoogwater door de dijken. Nadien werden bestaande dijken verhoogd en nieuwe winterdijken aangelegd. Ook Stokkem kende in 1929 opnieuw een zware overstroming. Deze vrouwen met hun melkbussen staan daarom symbool voor meer dan alleen het melken van koeien. Ze herinneren aan een tijd waarin het boerenleven volledig meebewoog met weer, water en seizoenen. Geen tractor die hen naar de wei bracht, geen verharde landbouwweg en geen moderne melkinstallatie die het zware werk overnam.

Storm of regen, modder of hoog Maaswater: het vee wachtte niet. De melkbus ging mee en de boerin ging op weg. Zo begon en eindigde menige werkdag in het Maasland van de jaren twintig.

X


zondag 23 augustus 2026

MAASTRICHT - DE GRANDEUR VAN DE MAASTRICHTSE MAGASINS

Updated

De grandeur van de Maastrichtse magasins Geen sloffen maar pantoufles, een pince-nez (neusknijper) in plaats van een leesbril. Hazelnootpraliné haalde je bij de pâtissier, légumes bij de groenteboer en de kruidenier verkocht comestibles. Iemand met het predikaat hofleverancier noemde zich liever fournisseur de la cour. Frans was de aanbevolen taal om articles de luxe et fantaisie en andere koopwaar aan te prijzen. Om grandeur te geven aan de winkels in de Rue Grand Staat of de Place Notre-Dame.

 Winkels waren een eeuw geleden voornamelijk bedoeld voor de middenklasse en de elite, waar Frans nog de voertaal was. In de negentiende eeuw ontstonden steeds meer winkels in de stad. Hoe deftiger hoe beter. Voorheen deed men inkopen op de dagelijkse markt, waar een enorm breed assortiment in de aanbieding was. Specifieke zaken werden bij ambachtslieden thuis gekocht. Schoenen bij de schoenlapper, scharnieren bij de smid. Winkels hadden het grote voordeel dat ze dagelijks geopend waren, ook op zondag na de mis, en lange openingstijden hadden tot wel tien, elf uur ’s avonds. De nieuwe beroepsgroep van winkelmeisjes - oftewel winkeldochters - maakte lange dagen. Koffiebranderijen waren soms al ’s ochtends om vijf uur open om de kannen te vullen van werklui op weg naar de fabriek. Winkels waren aanvankelijk gespecialiseerd in een bepaald segment, zoals kleding, huishoudelijke artikelen of tabak. Fons Olterdissen beschrijft in een van zijn prozawerken het onuitputtelijke assortiment van een stoffenzaak, waar de verschillende lappen keurig aan koperen ringen aan het plafond hingen. Kattenaat voor katoenen schorten, duvelssterrek voor broeken, vloer voor gordijnen. Hij genoot van de prachtige kiekvoet met boerinnenmutsen, die een nog mooier getaleerd dan de ander. “Doezend maol sjoender es tat me ze noe mèt ene stek achter ’n kooi zuut loupe.” Rond 1900 ontstonden de eerste warenhuizen, zoals Maussen in de Wycker Brugstraat. Het was een ware revolutie. Duizenden artikelen te koop in één zaak! Van onderbroek tot zakdoek. Alleen de aparte inpakafdeling was al indrukwekkend. Maussen werd vooral veel bezocht door boeren die ’s ochtends op de Markt hadden gestaan. Ze zetten hun verdiensten meteen om in benodigde goederen. Een paar jaar later opende de Grand Bazar haar deuren op de kop van de Maastrichter Brugstraat, die pas flink was verbreed door de afbraak van een rij panden. Een even indrukwekkende en voor die tijd uiterst moderne zaak. Maar behalve de Grand Bazar en Maussen kende Maastricht de fenomenen schaalvergroting of ketens nauwelijks. Al verkocht Maison Le Matador in de Grote Staat in 1903 al louter ‘kledingstukken’ van de firma Peek & Kloppenburg. In de winkelstraten waren over het algemeen kleine familiebedrijven gevestigd, met namen die soms nog steeds in de middenstand bekend zijn, zoals Beaumont, Bams, Vossen of Frissen-Pieters. Het centrum was een eeuw geleden iets beperkter, maar de grote winkelstraten als de Grote en Kleine Staat, Munt-, Spil- en Nieuwstraat vormden toen ook al het kernwinkelgebied. Het was er een drukte van belang, want het was geen voetgangersgebied. Auto’s, fietsen, handkarren, paarden en hondenkarren raasden door de straten. Dwars door het centrum reed aanvankelijk de Omnibus, vervolgens de gastram en daarna ook nog eens een paardentram; een extra paard stond bij de steile brugopgang bij het Cörversplein gereed om de tram de helling op te trekken. De Belgische frank was in Maastricht even courant als de gulden. De bediendes werden in franks uitbetaald. Maar wisselgeld was een probleem, want buitenlands muntgeld was verboden. Bij het omwisselen met speciale pasmunten verloren de winkeliers op iedere vijf franc veertien cent. Poffen of kopen op rekening was dan ook algemeen gebruik anno 1900.

LANAKEN STATION

Updated

X

LANAKEN STATION

Updated

X

"VAN LANDBOUWMACHINE TOT WASMACHINE: MÉLOTTE EN DIRICKX BRACHTEN DE VOORUITGANG NAAR LANAKEN".

Updated

X

LANAKEN - DE PRIJSSTIER VAN HET MONTAIGNEHOF

Updated

Omstreeks de eeuwwisseling vestigden zich in Lanaken gerenommeerde paarden- en stierenkwekers. Hun vakkennis en zorgvuldig opgebouwde fokkerijen gaven de plaatselijke veemarkt een nieuwe impuls. Goede fokdieren genoten aanzien en een bekroonde stier was een bron van trots voor de boer en zijn bedrijf. Op de foto zien we zo’n prijsstier, gekweekt door boer Kallen op het Montaignehof. Het krachtige dier herinnert aan een tijd waarin de veeteelt een belangrijke plaats innam in het landelijke leven van Lanaken. Op markten en keuringen werden de beste dieren voorgesteld en beoordeeld op onder meer bouw, ontwikkeling en fokkwaliteit. Een mooi stukje Lanaker landbouwgeschiedenis, uit de tijd dat naam en faam van een boerderij nog nauw verbonden waren met de kwaliteit van haar paarden en runderen.

X


zaterdag 22 augustus 2026

CAFÉ MAJESTIC RIEMST (VLIJTINGEN) - DE STER IN HET MIDDEN (ARTIKEL 2002)



Aan de ene kant van de muur liggen de doden van Vlijtingen voor eeuwig te rusten, aan de andere kant drinken de klanten van Griet en Giel hun pintjes. Slechts weinig zondagse kerkgangers, die niet anders kunnen dan via het kerkhof langs de Majestic passeren, gaan zonder biertje terug naar huis. Bij Griet (68) en Giel (72) zijn alle tafels, behalve die ene ronde, tegen de muur geschoven. De klanten leunen met de rug tegen diezelfde muur, de blik gericht naar de ster in het midden van het café. Soms is dat Griet, maar die kruipt na elke tapbeurt gezellig tussen de klanten en kijkt tussen het gebabbel door mee naar de andere ster, die de vloerders destijds hebben ingewerkt in het centrum van de 66 jaar oude vloer. Een Amerikaanse soldaat die tijdens de oorlog in de streek de zware gevechten meemaakte, kwam onlangs nog eens binnengesprongen. “Nothing has changed”, riep hij terwijl hij de ster fixeerde. En inderdaad: er is weinig veranderd in de Majestic sinds Bèbbe, de moeder van Griet, in 1935 de tap voor het eerst liet lopen. De eenvoudige vetplanten voor het raam zijn nieuw en de toog dateert van 1962, toen Griet de zaak overnam. De kappersstoel, die destijds in de hoek op een verhoogje stond en waarin Lom, de broer van Griet, de klanten kortwiekte, is verdwenen. Ook de houten plank met gat en de in repen gesneden kranten die het wc-papier moesten vervangen en die volgens de wat oudere klanten “letters in de onderbroek” bezorgden, werden meer dan tien jaar geleden vervangen door een moderne pot en zacht papier. Maar voor de rest bleef het café authentiek. Opvallend sober is de gelagzaal. Er hangen slechts twee affiches: een geel-zwarte voor een verkoop en een witte met de aankondiging van de volgende thuismatch van Vlijtingen VV. “Wat zou ik hier meer moeten ophangen voor die ‘ouw lui’?”, zegt Griet, die naar eigen zeggen nog nooit bier heeft gedronken. “Ze drinkt ’s nachts”, plagen Naar van Cis Schepers en Pierre van Wem van de Brek haar.

De fietsen voor het raam

Bèbbe had vijf dochters en dat lokte het mansvolk. De fietsen reikten soms van tegen het raam tot het midden van de straat, maar dat was toen nog geen probleem in het landelijke Vlijtingen. Een van die fietsen behoorde toe aan Giel. Op een zondagmorgen fietste hij vanuit Veldwezelt naar Vlijtingen omdat de pastoor een kanarievogel te koop had. Maar de pastoor was net de mis aan het doen, dus ging Giel “ne bok” drinken. Na de mis trok hij met zijn kanarie terug naar de Majestic. En daar is hij eigenlijk nooit meer echt weggegaan. Griet en Giel hebben geen kinderen, tenzij je de klanten meetelt. Die worden in de watten gelegd. “Ge krijgt alles wat hij in stock heeft”, zegt André van Mariëtte van de dikke Nele. Die “stock” bestond vroeger onder meer uit selders, andijvie en kroezelkolen uit de moestuin. Nu krijgen de klanten van Giel een snee met Herfse kaas, die hij speciaal in het nabijgelegen Wallonië gaat kopen, en soms ook wel eens spek en eieren. In de gelagzaal wordt echter alleen gedronken; wie honger heeft, moet naar de keuken.

Friettechnieker

Veel klanten van de Majestic zijn of waren bijzondere figuren – tenminste, dat zeiden ze zelf. Zo was er “Thieuke de Kantonnier”, die beweerde dat hij een knap bokser was geweest. De andere klanten hingen in het café een op het kerkhof geleende krans onder een foto van Thieuke en schreven erbij: “Thieuke was heel gelukkig. Of ‘Jef Pedal’”. Jef Pedal was een wielertoerist die wel eens langskwam en op zekere dag beweerde dat hij goed accordeon kon spelen. Dat vroeg natuurlijk om een demonstratie. Er werd een accordeon gehaald en Jef slaagde erin het café voor het eerst in zijn geschiedenis tijdens de openingsuren leeg te krijgen. Uit eerlijke schaamte kwam hij daarna nooit meer terug. Nog zo’n figuur was “Marcel de Friettechnieker”, een man die vroeger een frituur had en altijd opnieuw uitlegde hoe je de beste frieten moest maken.

Kaarten, pintjes en gendarmen

De klanten komen naar de Majestic om te kaarten. Elke avond zitten er drie tafels te kwajongen, een pintje te drinken en te “zeiveren”. Behalve op zondag. Dan komt na de hoogmis de “boerenkliek” om de problemen van de stiel te bespreken. Problemen zijn er in de Majestic nooit geweest. Toch moest de rijkswacht af en toe langskomen om orde op zaken te stellen. Zo zorgde een akkefietje tussen twee klanten die duidelijk boven hun theewater waren voor een uit de hand gelopen situatie. Het slachtoffer belde de gendarmen, die op dat moment in de Voer andere katten te geselen hadden. Alles was al lang vergeten toen de mannen van de wet ongeveer een halfuur later alsnog kwamen vragen wat er precies scheelde. “Gelukkig hebben we ze met een paar ‘bokken’ kunnen paaien,” lacht Giel. Zo bleef Café Majestic wat het altijd geweest was: een eenvoudig dorpscafé waar nauwelijks iets veranderde, waar Griet na het tappen tussen haar klanten kroop, waar verhalen sterker werden naarmate de avond vorderde en waar de vaste klanten hun vertrouwde plaats rond de ster in het midden vonden. Een café tussen kerk en kerkhof, tussen leven en dood, maar bovenal een plaats waar het oude Vlijtingen nog tastbaar aanwezig was.

X

LANAKEN - STATION 1985

Remastered

Op deze foto uit 1985 zien we de NMBS-diesellocomotief 6253 aan het station van Lanaken. De 6253 behoort tot de bekende reeks 62, een serie diesel-elektrische locomotieven die in de jaren zestig werd gebouwd door La Brugeoise et Nivelles (BN). De 6253 kwam op 12 augustus 1964 in dienst. De reeks 62 was bedoeld voor gemengd gebruik en kon zowel reizigers- als goederentreinen trekken. De locomotieven hadden een General Motors-dieselmotor van ongeveer 1.400 pk en werden jarenlang op niet-geëlektrificeerde spoorlijnen in heel België ingezet. De foto vormt een mooi tijdsbeeld van het spoorwegverleden van Lanaken: de 6253 met haar reizigersrijtuigen langs het oude bakstenen stationsgebouw, in de karakteristieke geel-groene NMBS-kleuren van die periode. Opmerkelijk is dat de 6253 vele jaren later nog steeds bestond en onder meer bij Infrabel werd ingezet.

X

LANAKEN STATION

Remastered

X

LANAKEN - JUWELIER CAENEN AAN DE KERK

Ingekleurde versie

Updated

 Inmiddels is dit huis afgebroken.

X





LANAKEN - DE SPAR WINKEL VAN MARIA EURLINGS-FRANSSEN, EEN DORPSWINKEL UIT DE JAREN VIJFTIG

Ingekleurde versie

Updated

Ingekleurde versie

Updated

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde ook het uitzicht van onze dorpswinkels. De tijd waarin veel kruideniers hun waren nog los uit bakken, tonnen, zakken en grote voorraadbussen verkochten, begon langzaam te verdwijnen. Steeds meer fabrikanten brachten hun producten kant-en-klaar verpakt op de markt. Merken als Spar, Fort en Limburgia werden vertrouwde namen achter de winkelruit en op de schappen. Een mooi tijdsbeeld daarvan zien we op deze foto's van de Sparwinkel in de Stationsstraat. Achter de typische bakstenen gevel, met het grote rood-witte Spar-embleem boven de etalage, bevond zich een echte buurtwinkel zoals er in de jaren vijftig nog zoveel waren. De grote etalageruit werd zorgvuldig ingericht om voorbijgangers te verleiden binnen te stappen. Binnen was vrijwel iedere beschikbare centimeter benut. De schappen stonden van onder tot boven gevuld met dozen, blikken, pakken en bokalen. We herkennen onder meer Persil, Omo, Dreft en Fort: merknamen die in vele huishoudens van die tijd een vaste plaats begonnen te krijgen. Achter de toonbank stond mevrouw Maria Eurlings-Franssen. Op de prachtige interieurfoto zien we haar tussen haar koopwaar, gekleed in haar werkschort, met voor haar de snijmachine en de uitgestalde voedingswaren. Het was nog de tijd waarin de winkelierster haar klanten persoonlijk kende, de boodschappen bijeenzocht en vleeswaren en andere producten ter plaatse afwoog of afsneed. Een bezoek aan de winkel was dan ook meer dan alleen boodschappen doen. Er werd nieuws uitgewisseld, een praatje gemaakt en men wist vaak precies wat de vaste klant nodig had. Maria Eurlings-Franssen moet bovendien een bijzonder goede winkelierster zijn geweest. In de jaren vijftig werd zij vanwege haar omzet door de firma Limburgia letterlijk „in de bloemetjes gezet” als modelwinkelierster. Een mooie erkenning voor een vrouw die achter haar toonbank lange dagen maakte en mee het gezicht van de plaatselijke middenstand bepaalde. Naast haar werk in de Sparwinkel was Maria ook elders bedrijvig. Volgens de bewaard gebleven documentatie baatte zij in de Bessemerstraat een zaadhandel annex specerijenwinkel uit. Daarmee behoorde zij tot die generatie zelfstandige middenstanders voor wie werken, handel drijven en persoonlijk contact met de klant haast vanzelfsprekend met elkaar verbonden waren. De foto's vertellen ondertussen nog veel meer dan alleen het verhaal van één winkel. Ze tonen een periode waarin het winkelen fundamenteel aan het veranderen was. De oude buurtwinkel bleef nog bestaan, maar de moderne merkproducten rukten op. De houten schappen en persoonlijke bediening stonden naast kleurrijke verpakkingen en reclame van steeds grotere firma's. Het was eigenlijk de overgang van de traditionele kruidenier naar de moderne zelfbedieningswinkel en supermarkt die enkele jaren later het straatbeeld steeds sterker zou gaan bepalen. Wie vandaag naar deze volle winkelrekken kijkt, krijgt bijna vanzelf heimwee naar een verdwenen wereld. Geen eindeloze gangen of anonieme kassa's, maar een kleine winkel waar de vrouw achter de toonbank nog wist wie er binnenkwam. De Sparwinkel in de Stationsstraat was zo'n plaats: een winkel, een ontmoetingspunt en een stukje dagelijks dorpsleven tegelijk. Het gebouw zelf bleef bestaan, maar kreeg later een andere bestemming. Waar ooit de Sparwinkel gevestigd was, bevond zich volgens de bij de foto's bewaarde beschrijving later de Melrose. De winkel verdween, de tijd veranderde en ook de manier waarop mensen hun dagelijkse boodschappen deden zou nooit meer dezelfde worden. Wat rest zijn deze bijzondere beelden: de statige bakstenen gevel met het Sparbord, de rijkgevulde etalage en vooral Maria Eurlings-Franssen achter haar toonbank, omringd door de producten van haar tijd. Geen opgevoerd tafereel uit een museum, maar een blik op het echte dagelijkse leven van de jaren vijftig – toen de winkel om de hoek nog een naam, een gezicht en vooral een verhaal had.

X








vrijdag 21 augustus 2026

LANKLAAR (TOEN LANKLAER) - HET VIERVELD

Ingekleurde versie

Updated

Een prachtig beeld uit het oude Lanklaer, toen het Vierveld nog een landelijke uithoek was van akkers, weilanden, bomenrijen en enkele grote hoeven. De oude verbinding hier liep vanuit het Maasland richting de Kempen en Genk. Het Vierveld lag in de omgeving van de Zuid-Willemsvaart, waar ook een veerpont voor de oversteek zorgde. Op de foto lijkt de tijd haast stil te staan: een onverharde weg verdwijnt tussen de bomen, terwijl een vrouw vanuit de deuropening van de grote bakstenen hoeve naar buiten kijkt. Geen auto's, geen druk verkeer — alleen het rustige landelijke Lanklaer van weleer. Het Vierveld zou later sterk veranderen. De bekende hoeve verdween uiteindelijk bij de aanleg van het industrieterrein; bronnen vermelden dat zij in 1972 werd afgebroken. Daarmee verdween een stukje van het oude agrarische landschap dat ooit zo kenmerkend was voor deze omgeving.

PS: Op de postkaart stond Het Vierfeld, maar de originele naam is en was Het Vierveld.

X

 

OUD-REKEM – DE BRUG OVER DE ZUID-WILLEMSVAART IN DE JAREN ’50

Ingekleurde versie Updated Ingekleurde versie Updated Dit is een luchtfoto uit 1959, de brug had toen een iets andere ligging. dan degene di...