Een paard voor een hooggeladen hooiwagen, straatstenen onder de hoeven en daarachter donkere rook boven de Maastrichtse fabrieksgebouwen. Het is een beeld waarin het dagelijkse werk en de dreiging van vernieling dicht bij elkaar komen. Op de voorgrond ligt de oogst, hoog opgestapeld en in losse plukken over de randen van de wagen hangend. Verderop verspreidt een brede rookwolk zich boven de daken. Voor een boerenbedrijf vertegenwoordigde zo’n volle wagen een kostbare voorraad. Hooi was nodig om de dieren tijdens de wintermaanden te voeden. Maaien, drogen, keren en binnenhalen vergden veel arbeid en waren sterk afhankelijk van het weer. Zodra het hooi voldoende droog was, moest het worden opgeladen en opgeborgen. Ook in oorlogstijd bleef dat werk noodzakelijk. De dieren moesten worden verzorgd en de wintervoorraad moest worden aangevuld, ondanks alle onzekerheid. Achter dit landelijke tafereel ligt de industriële wereld van de Maastrichtse papierfabriek. Haar geschiedenis begon in 1850 met de oprichting van Lhoest, Weustenraad & Cie. Vanaf 1851 verrezen de eerste fabrieksgebouwen op een deel van het voormalige terrein van de Commanderij Nieuwen Biesen. In mei 1852 begon de papierproductie met twee machines. De ligging bij het Bassin, de kanalen en de Maas bood gunstige mogelijkheden voor de aanvoer van grondstoffen en het vervoer van het afgewerkte papier. In 1875 kreeg de onderneming de naam Koninklijke Nederlandse Papierfabriek, doorgaans afgekort tot KNP. In Maastricht stond de fabriek bekend als ’t Lommelefebrik. Die bijnaam verwees naar de lompen die aanvankelijk een belangrijke grondstof voor papier waren. Afgedankte stoffen werden er verwerkt tot een nieuw product. De onderneming groeide uit tot een belangrijke werkgever en werd een herkenbaar onderdeel van het stadsbeeld. Enkele gebouwen uit de uitbreidingsperiode van 1859 tot 1861 behoren tot het bewaard gebleven industriële erfgoed rond het Bassin. Op de foto komen landbouw en industrie dicht bij elkaar. Een paard en een houten wagen passeren een omgeving van schoorstenen en fabriekshallen. Het herinnert aan een tijd waarin dergelijke vormen van vervoer nog vanzelfsprekend deel uitmaakten van het straatbeeld, ook in een industriestad. De opname dateert uit de oorlogsjaren 1940–1945. Een precieze datum en een bevestigde verklaring voor de rook ontbreken echter. Wel staat vast dat de directe omgeving van de papierfabriek tijdens de oorlog zwaar door een bombardement werd getroffen. Op 18 augustus 1944 probeerden Amerikaanse bommenwerpers de spoorbrug over de Maas te vernietigen. De brug werd niet uitgeschakeld, maar de omliggende woonbuurten en bedrijven werden zwaar geraakt. Deze dag ging in de Maastrichtse geschiedenis de boeken in als Zwarte Vrijdag. Bij de herdenking wordt gesproken van 101 dodelijke slachtoffers. Ongeveer vijftienhonderd mensen verloren hun onderkomen. Vlak naast de papierfabriek lag het Quartier Amélie, een arbeiderswijkje dat tussen de fabriek, de spoorlijn Maastricht–Hasselt en de Maas was ingeklemd. In de volksmond heette het Krejje Dörrep, naar de sintels waarmee de straten waren verhard. Het bombardement verwoestte het buurtje grotendeels. Slechts een rij van elf woningen aan de Fransensingel bleef voorlopig behouden. Ook aan de overkant van de Maas was de schade groot. Daar werden onder meer het Roed Dörrep, de Maastrichtse Zinkwit Maatschappij en tegelfabriek REMA getroffen. De oorlogsschade lag dus tot vlak bij KNP. Dat maakt een verband tussen de rook op de foto en het bombardement van 18 augustus 1944 denkbaar, maar daarmee is het nog niet bewezen. De verwoesting van naburige woningen en fabrieken bevestigt evenmin dat de papierfabriek zelf rechtstreeks werd getroffen. Zonder een betrouwbare datering of een oorspronkelijke archiefbeschrijving blijft onbekend welke brand hier te zien is. Voor het Quartier Amélie betekende het bombardement het begin van het definitieve verdwijnen. De zwaar beschadigde woningen werden grotendeels gesloopt. In 1947 werd het terrein met de resterende huizen aan KNP verkocht. Later maakten ook die woningen plaats voor uitbreiding van de papierfabriek. In 1955 verrees hier een nieuwe warmtekrachtcentrale, die het aanzicht van het complex aan de Maaszijde blijvend veranderde. Ook de spoorbrug ontkwam uiteindelijk niet aan vernietiging. Nadat het Amerikaanse bombardement haar niet had uitgeschakeld, bliezen terugtrekkende Duitse troepen de brug in de nacht van 7 op 8 september 1944 op. De rivierovergang was van groot militair belang en werd daardoor een gevaarlijke plaats voor iedereen die er in de omgeving woonde en werkte. Tegen die historische achtergrond krijgt de foto haar bijzondere zeggingskracht. Over de identiteit van de voerman, zijn bestemming en de oorzaak van de rook weten we vooralsnog weinig met zekerheid. Toch brengt het beeld iets tastbaars dichtbij: het werk dat moest worden voortgezet, terwijl de omgeving door onzekerheid werd beheerst.
donderdag 29 oktober 2026
EEN HOOIWAGEN ONDER DE ROOK VAN MAASTRICHT '40-'45
LANAKEN – TOEN DE STOOMTRAM HET MAASLAND VERBOND
Er was een tijd waarin het ritme van het reizen in Lanaken werd bepaald door het geratel van wielen op spoorstaven en de komst van een kleine stoomlocomotief. De buurttram bracht dorpen dichter bij elkaar en maakte verplaatsingen mogelijk waarvoor mensen voordien aangewezen waren op hun voeten, een paard of een koets. Lanaken kreeg daarbij een bijzondere plaats: hier kwamen verbindingen naar Tongeren, Maaseik en Maastricht samen. De oude foto herinnert aan die verdwenen vervoerswereld. We zien een locomotief met een grotendeels omsloten bovenbouw, gefotografeerd naast gebouwen en een begroeide spoorberm. Het locomotiefnummer, de opnamedatum en de precieze standplaats zijn op basis van deze foto niet met zekerheid vast te stellen. Het beeld kan dus het verhaal van de Lanaker buurttram illustreren, maar laat geen sluitende identificatie van deze afzonderlijke machine toe.
De komst van de buurtspoorweg
Op 15 mei 1897 werd de buurttramlijn tussen Tongeren en Lanaken geopend. Het traject liep via onder meer Riemst, Vroenhoven, Kesselt en Veldwezelt. Daarmee kreeg Lanaken een rechtstreekse tramverbinding met Tongeren en de tussenliggende dorpen. Begin 1898 volgde de aansluiting naar Tournebride. De lijn maakte deel uit van het Belgische buurtspoorwegnet, dat kleinere plaatsen ontsloot voor reizigers en goederen. Een tweede belangrijke stap volgde op 7 januari 1898, toen de verbinding van Maastricht via Smeermaas en Tournebride naar Eisden openging. Op 15 juni 1898 kwam ook het baanvak tussen Eisden en Maaseik in dienst. Zo ontstond langs het Maasland een doorgaande verbinding die Lanaken met de dorpen in het noorden en met Maastricht verbond. De spoorwijdte bedroeg één meter: smaller dan het gewone spoorwegnet. De betekenis daarvan reikte verder dan de rails alleen. Een bezoek aan de markt, een familiebezoek of het vervoer van goederen kon voortaan deel uitmaken van een geregelde verbinding. De buurttram hielp een streek ontsluiten waarin verplaatsingen voor veel inwoners lang moeizaam waren gebleven.
Tournebride als ontmoetingspunt
Tournebride groeide uit tot een belangrijk punt in het plaatselijke tramnet. Hier kwamen de lijnen uit de richting van Tongeren en van Maaseik–Maastricht samen en bevond zich een stelplaats. Ook de vroegere buurtspoorverbinding naar Zutendaal en Waterschei sloot op deze vervoerswereld aan. In Lanaken bewaart het Tramstraatje nog een herinnering aan dat verdwenen tracé.
Over de naam Tournebride wordt dikwijls verteld dat hier de paarden van een paardentram werden omgekeerd. Spoorhistorisch onderzoek spreekt die verklaring tegen: er heeft hier geen paardentram gereden. De naam is ouder dan de rails en wordt in verband gebracht met het verkeer van postkoetsen in de achttiende eeuw. De stoomtram kwam er pas aan het einde van de negentiende eeuw.
Een verbinding die ook grenzen kende
De tram verbond het Belgische Maasland met Maastricht, maar die grensoverschrijdende functie bleek kwetsbaar in oorlogstijd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het verkeer op de verbinding via Smeermaas onderbroken. In het voorjaar van 1919 kon het opnieuw worden hervat. Op 10 mei 1940 volgde een nieuwe onderbreking. Een beperkte heropening voor goederenvervoer in 1943 bracht geen duurzaam herstel: in juli van dat jaar eindigde het verkeer op het traject Tournebride–Smeermaas–Maastricht definitief. Zo verdween een verbinding die sinds 1898 deel had uitgemaakt van het dagelijkse verkeer tussen beide zijden van de grens.
Van stoom naar motortram
De geschiedenis van de buurttram in Lanaken was niet uitsluitend een geschiedenis van stoom. Vanaf de jaren dertig verschenen ook motortrams, de zogenoemde autorails. Zij konden zonder afzonderlijke stoomlocomotief rijden en veranderden het uitzicht en de exploitatie van de reizigersdienst. Verschillende van deze voertuigen reden op de verbindingen tussen Maaseik, Lanaken en Tongeren. Zelfs kort voor de opheffing werd nog vernieuwd. In 1951 kwamen nieuwe aanhangrijtuigen in dienst voor Maaseik–Tongeren. Hun rood-crèmekleurige beschildering moest een moderner beeld geven. Voor een groot deel van het materieel was Lanaken-Tournebride de thuisbasis. Die vernieuwing kon het verdwijnen van de tram echter niet voorkomen. Op 1 september 1954 vervingen bussen de gewone reizigersdienst. Enkele schoolritten tussen Lanaken en Tongeren bleven voorlopig behouden, tot ook die op 24 december 1954 eindigden. Op de verbinding Tongeren–Lanaken bleef daarna nog korte tijd goederenvervoer bestaan. Dat eindigde op 4 mei 1955. Daarmee sloot ook daar het hoofdstuk van de buurtspoorweg.
Vandaag maakt zo’n oude opname vooral zichtbaar hoe tastbaar die vervoersgeschiedenis was. Achter dat ene beeld schuilt een netwerk dat bijna zestig jaar lang mee de bereikbaarheid van Lanaken bepaalde.
DE FOTO'S: Lanaken – vermoedelijk een Garratt-stoomtramlocomotief van de NMVB, type 23, circa 1930–1954. Digitaal gerestaureerd en ingekleurd op basis van historische kleurgegevens. Exacte opnamedatum en locomotiefnummer onbekend.
X
woensdag 28 oktober 2026
UIKHOVEN - DIJKVERSTERKING TIJDENS EEN BRES IN DE DIJK DECEMBER 1993
met man en macht tegen het Maaswater
Een vrachtwagen vol zandzakken, brandweerlieden in het water en een Maas die dreigend hoog tegen de oever staat. Deze foto toont de strijd om Uikhoven te beschermen tijdens het hoogwater van december 1993. Langs de huizen wordt zwaar werk verricht: zandzakken worden aangevoerd, doorgegeven en neergelegd om de waterkering te versterken. Achter de rij zandzakken lagen woningen en leefde de onzekerheid over wat de komende uren zouden brengen. De noodsituatie maakte deel uit van een uitzonderlijke overstromingsperiode in het Maasbekken. Volgens het Koninklijk Meteorologisch Instituut behoorden de overstromingen van december 1993 tot de zwaarste uit de recente Belgische geschiedenis. Uitzonderlijk overvloedige regenval, vooral in de Ardennen, voedde de rivieren en deed het water sterk stijgen. In Dohan werd die maand bijvoorbeeld 436,7 millimeter neerslag gemeten. Ook de metingen stroomopwaarts illustreren de omvang van het hoogwater. Op 22 december bereikte de Maas bij Borgharen een waterstand van 45,90 meter boven NAP. Het KNMI vermeldt voor deze hoogwaterperiode een toenmalige recordafvoer van 3.120 kubieke meter water per seconde. Dat cijfer plaatst de werkzaamheden in Uikhoven in hun ruimere context: langs de Maas moesten mensen zich wapenen tegen een uitzonderlijke hoeveelheid water. Op de foto wordt die dreiging tastbaar. De werkruimte tussen de bebouwing en de rivier is smal. Brandweerlieden dragen helmen en beschermende jassen; hun laarzen staan in het water. Op en naast de vrachtwagen worden zandzakken verplaatst. Andere aanwezigen volgen de werkzaamheden langs de oever. De opname legt een gezamenlijke inspanning vast, zak na zak, op een plaats waar elke versterking telde. De angst beperkte zich niet tot Uikhoven. Het KMI beschrijft hoe in Maaseik en omgeving ongeveer 1.600 mensen moesten worden geëvacueerd en kerstavond bij familie of in opvangcentra doorbrachten. Die regionale gebeurtenissen tonen hoe ingrijpend het hoogwater voor het Maasland was. De hoogwaters van 1993 en 1995 vormden later een keerpunt in de bescherming van de Maasvallei. De deels open dijkstructuren maakten plaats voor doorgaande waterkeringen aan beide zijden van de rivier. De noodmaatregelen op deze foto behoren daarmee tot een periode die het latere landschap en waterbeheer mee heeft bepaald. Deze opname bewaart vooral het menselijke gezicht van de watersnood: mensen die in moeilijke omstandigheden bleven werken om hun omgeving te beschermen. Uikhoven ging de duisternis tegemoet, met de hoop dat het werk aan de dijk voldoende zou zijn.
X
GENK EUROPALAAN
Een vertrouwd beeld voor wie het Genk van vroeger nog heeft gekend: de brede Europalaan, met haar vele rijstroken, verkeerslichten en zwart-gele palen. Auto’s en bestelwagens doorkruisen het centrum, terwijl fietsers en voetgangers hun weg zoeken langs de oversteekplaatsen. Deze opname, vermoedelijk uit de late jaren tachtig of de vroege jaren negentig, toont een alledaags moment in het stadsleven.
X
BOORSEM - EEN NIEUWE KAP VOOR DE "STORMVOGEL" 2011
Boorsem, februari 2011. Hoog boven de werf hangt de nieuwe kap van de Stormvogel aan de kraan. Beneden wordt voorzichtig gewerkt, boven krijgt de oude molen stilaan zijn vertrouwde vorm terug. Een bijzonder moment voor een stukje dorpsgeschiedenis dat al sinds 1858 bij Boorsem hoort. De Stormvogel had toen al heel wat doorstaan. Tijdens een najaarsstorm in 1963 raakten de wieken zwaar beschadigd. Begin jaren zeventig maakte de toenmalige molenaar Martinus Gielen eigenhandig een nieuwe kap. Dankzij zijn vakmanschap kon er vanaf het midden van die jaren opnieuw gemalen worden. Na zijn overlijden volgden lange jaren van stilstand en verval. Met eigenaar Roberto Bemelmans kwam er weer beweging in het verhaal. Zes jaar voorbereiding en studiewerk gingen aan de plannen vooraf. De molen kreeg een nieuwe bestemming, met veertien kamers en een restaurant, en ook het herstel van de molen zelf kreeg stap voor stap vorm. Voor de nieuwe kap kwam een gespecialiseerde firma uit Erpe-Mere naar onze streek. De onderdelen werden naar het industrieterrein Oude Bunders gebracht en daar samengebouwd. Wat op deze foto’s in enkele uren lijkt te gebeuren, was het resultaat van jarenlang plannen, voorbereiden en werken. En dan was het zover: de kap mocht naar boven. Voor de eigenaar een droom die zichtbaar werkelijkheid werd, voor Boorsem een vertrouwd herkenningspunt dat opnieuw wat van zijn oude waardigheid terugkreeg.
X
dinsdag 27 oktober 2026
UIKHOVEN GRINDERIJ
Aan de rand van Uikhoven, in een landschap dat eeuwenlang door de Maas werd gevormd, herinnert deze indrukwekkende installatie aan een andere kant van het dorpsverleden. Tussen de velden, de rivier en de vertrouwde dorpsstraten maakte ook de grindnijverheid deel uit van het Maaslandse landschap. De foto toont een geheel van hoge metalen constructies, transportbanden, trechters en werkplatformen. Het is een beeld van een wereld waarin zand en grind, ooit door de Maas afgezet, werden verwerkt tot grondstoffen voor de bouw. De installatie geeft een indruk van de schaal waarop dat werk in de loop van de twintigste eeuw werd uitgevoerd.
Foto: Jos Pruissen
Grind uit de bedding van de Maas
Wie vandaag door de Maasvallei wandelt, ziet een landschap van dorpen, akkers, water en groene oevers. Onder die bodem ligt een veel ouder verhaal verborgen. Gedurende zeer lange perioden voerde de Maas zand, grind en andere gesteenten mee. Wanneer de kracht van het water afnam, bleven die materialen achter. Zo ontstonden in de Maasvallei uitgestrekte grindlagen. Voor de mensen uit de streek waren die stenen geen onbekend verschijnsel. Maaskeien werden al eeuwenlang op kleine schaal verzameld en gebruikt, onder meer voor wegen en gebouwen. Op sommige plaatsen lagen de grindlagen dicht genoeg onder de oppervlakte om ze betrekkelijk gemakkelijk te bereiken. In de twintigste eeuw veranderde de winning van karakter. De vraag naar zand en grind nam toe en de ontginning gebeurde steeds meer met machines. Tussen ongeveer 1920 en 1960 werd op veel plaatsen langs de Gemeenschappelijke Maas grind uit de rivierbedding gehaald. Vooral na de Tweede Wereldoorlog werd de winning sterk opgevoerd. Later verschoof een deel van de ontginning naar de gronden langs de rivier.
Een installatie vol bedrijvigheid
Op de foto gaat de aandacht meteen naar de hoge centrale constructie. Van daaruit lopen transportbanden in verschillende richtingen. Onder de installatie staan grote trechters, waarin materiaal kon worden opgevangen. Het geheel vormt een indrukwekkend netwerk van staal, steunbalken en loopbruggen. In een grindverwerkingsinstallatie werd het aangevoerde materiaal doorgaans gewassen en op korrelgrootte gesorteerd. Transportbanden brachten het zand en grind naar verschillende onderdelen van de installatie; zeven en trechters hielpen om de fracties van elkaar te scheiden. Zo kon het materiaal verder worden gebruikt voor onder meer beton, wegen en andere bouwwerken. De precieze werking van ieder zichtbaar onderdeel op deze foto is zonder technische gegevens van de installatie niet met zekerheid vast te stellen. Het terrein op de voorgrond ligt er op het moment van de opname rustig bij. Er zijn geen werknemers duidelijk herkenbaar. Toch roept de foto het werk op dat bij zo’n bedrijf hoorde: machines bedienen, installaties onderhouden, materiaal controleren en zorgen dat zand en grind hun bestemming bereikten. Achter de grote constructie ging een dagelijkse wereld van vakkennis en handenarbeid schuil.
Uikhoven en de grindbedrijven
Uikhoven was van oorsprong een landbouwersdorp, nauw verbonden met de Maas en de omliggende gronden. Naast die landelijke geschiedenis kreeg ook de grindwinning een plaats in het dorpsleven. De namen van grindbedrijven en grindplassen bleven voor veel inwoners herkenbare begrippen. Uit een parlementair document uit 1980 blijkt dat NV Komatco en NV Van Roosmalen toen in Uikhoven gevestigd waren. Een latere inventaris van grindbedrijven noemt daarnaast onder meer de Mineraalbewerkingsindustrie en NGM-NP in Uikhoven. Welke onderneming precies op deze foto te zien is, kan op basis van de beschikbare informatie niet betrouwbaar worden vastgesteld. Hoe sterk de grindontginning met het dorp verbonden was, blijkt ook uit de naam van een plaatselijk feest. Volgens een herinnering van Roger Aelbers kregen de Kiezelfeesten hun naam omdat er in Uikhoven grind werd ontgonnen. Zo vond een grondstof uit de Maasvallei zelfs haar weg naar het verenigingsleven van het dorp.
Een landschap dat veranderde
De grindwinning bracht grondstoffen voort die elders hun weg vonden naar de bouw, maar ze liet ook zichtbare sporen achter in het Maaslandse landschap. Waar zand en grind werden uitgegraven, ontstonden op verschillende plaatsen diepe plassen. Uiterwaarden en landbouwgronden veranderden van uitzicht en gebruik. Niet elke grindplas bleef bestaan. In een bijdrage in het LIKONA-jaarboek wordt beschreven dat onder meer de plas Uikhoven-Komatco werd opgevuld met baggerspecie afkomstig van de verbreding van het Albertkanaal. Het is een voorbeeld van hoe een plaats na de ontginning opnieuw kon veranderen. De invloed op landschap en natuur leidde ook tot vragen over de toekomst van de grindwinning. In Vlaanderen werd in 1993 een grinddecreet opgesteld om de winning af te bouwen. De geschiedenis van het Maasgrind gaat daardoor niet alleen over nijverheid en grondstoffen, maar ook over de manier waarop de streek met haar rivier en open ruimte is omgegaan.
Een herinnering aan een werkend Maasland
Deze foto van de grinderij toont geen dorpsstraat of herkenbare kerk, maar een landschap van staal en machines. Toch hoort ook dat beeld bij het verleden van Uikhoven. Het vertelt over een tijd waarin de rijkdom onder de Maaslandse bodem op grote schaal werd benut en waarin de rivier, ook buiten haar bedding, het leven in de streek mee vormgaf. De transportbanden, trechters en hoge constructies herinneren aan een wereld die voor wie er werkte of in de buurt woonde deel uitmaakte van het dagelijkse uitzicht. Voor latere generaties is de foto een uitnodiging om dat minder bekende industriële verleden opnieuw te bekijken: een stukje Uikhoven waarin de geschiedenis van de Maas, het landschap en het werk samenkomen.
X
MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) - DODENDRAAD TIJDENS DE DUITSE BEZETTING '14-'18 SCHALTHAUS P 2 (HOOGSPANNINGSCABINE REGIO MAAS)
Mechelen aan de Maas, tijdens de Eerste Wereldoorlog. We zien het Duitse schakelhuis P 2 bij de Maas, verbonden met de elektrische grensversperring die bekendstond als de Dodendraad. De exacte opnamedatum en locatie zijn niet bevestigd. De foto werd digitaal gerestaureerd; kleine details, waaronder het gezicht, zijn deels gereconstrueerd.
Een houten huisje aan de Maas, verbonden met een dodelijke grens
Aan de oever van de Maas staat een eenvoudig houten gebouw. Ervoor zien we een kleine verhoging met een trap en een leuning. Een man bevindt zich bij de ingang. Op de achtergrond ligt het water, met daarachter een rij kale bomen. Houten palen en draden doorsnijden het landschap. Het beeld oogt rustig, maar het gebouw herinnert aan een bijzonder donkere bladzijde uit de geschiedenis van het Maasland. Volgens de benaming bij de foto gaat het om Schalthaus P 2, een Duits schakelhuis dat verbonden was met de elektrische grensversperring die tijdens de Eerste Wereldoorlog bekend werd als de Dodendraad.
De oorlog bereikt het grensgebied
In augustus 1914 viel Duitsland België binnen. Terwijl grote delen van België onder Duitse bezetting kwamen, bleef buurland Nederland neutraal. Voor veel Belgen kreeg de grens daardoor een bijzondere betekenis: aan de andere kant lag een land waar geen Duitse bezetter heerste. Mensen probeerden om uiteenlopende redenen Nederland te bereiken. Sommigen wilden aan de bezetting ontsnappen of familie bezoeken. Anderen wilden berichten en inlichtingen overbrengen, goederen smokkelen of via Nederland verder reizen om zich bij het Belgische leger aan te sluiten. Voor de Duitse bezetter was het moeilijk om het lange grensgebied voortdurend te bewaken. Daarom werd vanaf 1915 op verschillende plaatsen begonnen met de aanleg van een elektrische versperring. Die kwam niet overal tegelijkertijd tot stand. Sommige stukken werden later aangelegd of pas maanden na de bouw onder spanning gezet. Langs delen van de Maas gebeurde de aanleg later dan op andere plaatsen; voor Geistingen en Ophoven wordt bijvoorbeeld het midden van 1916 genoemd.
Een grens onder hoogspanning
De Dodendraad was meer dan een gewone omheining. Tussen houten palen waren meerdere metalen draden gespannen. Die werden met isolatoren aan de palen bevestigd. Op de elektrische versperring stond doorgaans een spanning van ongeveer 2.000 volt. Aan weerszijden stonden op veel plaatsen bijkomende afsluitingen om mensen en dieren van de stroomdraden weg te houden. De constructie en de omstandigheden verschilden van plaats tot plaats. Langs de draad stonden waarschuwingsborden en er werd gepatrouilleerd. De bezetter richtte daarnaast een bewaakt grensgebied in, waar de bewegingsvrijheid van de bevolking sterk werd beperkt. Aan de Maas vormde niet alleen het water een grens. Ook langs de Belgische oever bevond zich een elektrische draadversperring. Het vertrouwde rivierlandschap werd daardoor onderdeel van een militair bewaakte zone.
Het schakelhuis aan het water
Het houten gebouw op de foto wordt aangeduid als een Schalthaus: een Duits schakelhuis. Dergelijke huisjes stonden op verschillende plaatsen langs de versperring. Ze boden plaats aan elektrische apparatuur en konden ook als wachtlokaal voor grenswachters dienen. Via schakelaars konden delen van de versperring worden bediend of stroomvrij worden gemaakt. De elektriciteit kwam via hoogspanningsleidingen naar de schakelhuizen en werd van daaruit naar delen van de grensdraad geleid. Voor een deel van de versperring aan de Maas en in Noord-Limburg werd stroom geleverd vanuit de buskruitfabriek Cooppal in Kaulille. Daar werd de spanning met een transformator verhoogd. Of dit specifieke huisje op de foto door die installatie werd gevoed, is met de beschikbare gegevens niet vastgesteld. Op de foto zijn draden en palen zichtbaar rond het gebouw. Niet iedere zichtbare draad kan echter met zekerheid als een deel van de eigenlijke Dodendraad worden aangeduid: er waren in dit systeem ook voedings- en andere verbindingen.
De gevolgen voor de mensen uit de streek
Voor de bewoners van de grensstreek veranderde de draad het dagelijkse leven ingrijpend. Contacten met familie en kennissen aan de andere kant van de grens werden moeilijker. Ook landbouwers, handelaars en anderen die gewoon waren zich in het grensgebied te verplaatsen, kregen met controles en verboden zones te maken. De versperring volgde bovendien niet overal precies de landsgrens. Op sommige plaatsen werd Belgisch grondgebied tussen de draad en Nederland afgesneden van de rest van het bezette land. Bewoners konden daardoor in een bijzonder moeilijke situatie terechtkomen. Ondanks het gevaar bleven mensen proberen de grens over te steken. Daarbij vielen dodelijke slachtoffers, onder wie burgers en mensen die anderen hielpen bij hun overtocht. Ook Duitse militairen kwamen bij de versperring om het leven. De Dodendraad werd zo niet alleen een symbool van de scheiding tussen twee landen, maar ook een voortdurende bedreiging voor wie in de buurt woonde of werkte.
Een stille getuige van een beladen verleden
Vandaag is het moeilijk voor te stellen dat dit rustige Maaslandschap ooit deel uitmaakte van een grensgebied onder hoogspanning. Het houten huisje lijkt op het eerste gezicht eenvoudig en onopvallend, maar het hoorde bij een systeem van controle dat diep ingreep in het leven van de bewoners. De foto bewaart een beeld van de oorlog zoals die zich ook ver van de loopgraven liet voelen: langs de rivier, tussen de bomen en bij de dorpen waar mensen voorheen gewend waren om over en weer te gaan. Na de wapenstilstand van 11 november 1918 verdween de Duitse bezetting en werd de elektrische grensversperring afgebroken. Wat bleef, waren de herinneringen aan een tijd waarin de grens langs de Maas niet zomaar een lijn op de kaart was, maar een plaats van bewaking, gevaar en afscheid.
X
NEERHAREN (TOEN NEERHAEREN) - DODENDRAAD MET HOOGSPANNINGSCABINE TIJDENS DE DUITSE BEZETTING 14-18
Een hoogspanningscabine als stille getuige van de Eerste Wereldoorlog
Aan de rand van de Maas, te midden van een rustig landschap, staat een eenvoudig houten gebouwtje. Een man poseert in de deuropening. Naast de verhoogde houten toegang staat een fiets, klaar om weer te vertrekken. Op het eerste gezicht lijkt het een alledaags tafereel uit een lang vervlogen tijd. Toch vertelt deze foto een veel donkerder verhaal. Het gaat om Neerharen, destijds ook geschreven als Neerhaeren, tijdens de Duitse bezetting van 1914–1918. Het houten gebouw wordt omschreven als een hoogspanningscabine die verband hield met de beruchte Dodendraad: de elektrische versperring waarmee de Duitse bezetter grote delen van de grens tussen België en Nederland afsloot. De foto brengt ons terug naar een tijd waarin de Maasstreek, ver van de loopgraven aan de IJzer, toch dagelijks met de gevolgen van de oorlog werd geconfronteerd.
Een grens tussen oorlog en vrede
Toen Duitsland in augustus 1914 België binnenviel, veranderde het leven in ons land ingrijpend. Een groot deel van België kwam onder Duitse bezetting te staan. Nederland bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal. Daardoor werd de grens tussen beide landen ook een grens tussen bezet gebied en een land buiten de oorlog. Voor veel Belgen kreeg Nederland een bijzondere betekenis. Sommigen hoopten er veiligheid te vinden, anderen wilden er familie bezoeken of via Nederland verder reizen om zich bij het Belgische leger aan te sluiten. Ook berichten, goederen en mensen werden over de grens gebracht. Voor de Duitse bezetter vormde dat grensverkeer een probleem. Om de doorgang beter te controleren, liet hij vanaf 1915 een elektrische draadversperring aanleggen. De versperring liep over honderden kilometers, al volgde zij niet overal precies de staatsgrens.
De draad die de grens veranderde
De Dodendraad was een indrukwekkende en gevaarlijke constructie. Op veel plaatsen bestond zij uit een onder stroom staande middelste versperring, met aan weerszijden bijkomende afsluitingen. De stroomdraden waren aan houten palen bevestigd met porseleinen isolatoren. Op de elektrische draad stond doorgaans een spanning van ongeveer 2.000 volt. Aanraking kon dodelijk zijn. De bezetter wilde met de afsluiting niet alleen vluchtelingen tegenhouden. Ook smokkel, het overbrengen van berichten en het vertrek van Belgische mannen die zich bij het leger wilden aansluiten, moesten worden bemoeilijkt. Duitse wachten hielden toezicht op de grensstreek. Voor de bewoners was de versperring veel meer dan een hindernis in het landschap. Ze doorsneed bestaande contacten tussen dorpen en families. Mensen die vroeger betrekkelijk gemakkelijk de grens overstaken, kregen te maken met controle, beperkingen en gevaar. Bezoeken aan familieleden, werk aan de andere kant van de grens en andere gewone verplaatsingen werden plots veel moeilijker
De houten cabine op de foto
De hoogspanningscabine op de foto toont een minder bekend onderdeel van die grensversperring. Langs het traject stonden op verschillende plaatsen schakelhuisjes. Via dergelijke installaties kon de stroom op delen van de versperring worden geschakeld en konden afzonderlijke stukken bij werkzaamheden of technische problemen worden uitgeschakeld. Het gebouwtje in Neerharen staat op palen en is bereikbaar via een houten platform. Tegen de donkere gevel tekent de open deur zich af. Rechts zijn kleine witte onderdelen zichtbaar die aan elektrische isolatoren doen denken. Achter de cabine ligt het water, met aan de overzijde een open landschap en een rij bomen. De fiets en de man in de deuropening geven de opname een menselijke schaal. Maar het sobere houten bouwwerk herinnert eraan dat achter de Dodendraad een hele technische en militaire organisatie schuilging.
De Maas als grenslandschap
In de streek van Neerharen bepaalde de Maas al eeuwenlang het uitzicht en het leven. De rivier verbond de dorpen langs haar oevers, maar vormde tegelijk een natuurlijke grens. Tijdens de oorlog kreeg dat grenslandschap een nieuwe en dreigende betekenis. De Dodendraad werd ook aangelegd in 1916 langs de Maas. Waar voordien vooral water, weilanden en landelijke wegen het beeld bepaalden, verschenen nu palen, elektrische leidingen en wachthuisjes. Het vertrouwde landschap bleef herkenbaar, maar de aanwezigheid van de bezetter veranderde de manier waarop mensen zich erdoor konden bewegen.
Levensgevaar aan de draad
Ondanks de bewaking probeerden mensen de versperring te passeren. Hun redenen liepen uiteen: vluchten uit bezet België, familie bereiken, berichten overbrengen of goederen smokkelen. Sommigen kregen hulp van mensen die de grensstreek goed kenden. Er werden ook hulpmiddelen gebruikt om tussen de draden door te komen, maar elke poging bleef riskant. Niet alle slachtoffers waren mensen die bewust wilden vluchten. Ook toevallige aanrakingen en ongelukken konden dodelijke gevolgen hebben. Het precieze aantal slachtoffers langs het volledige traject is moeilijk vast te stellen; vaak wordt gesproken over honderden tot ongeveer duizend doden. Achter dat cijfer gaan afzonderlijke verhalen schuil van burgers, vluchtelingen en anderen die door de oorlog bij de versperring terechtkwamen. Hun lot geeft de naam Dodendraad zijn blijvende, pijnlijke betekenis.
Na de oorlog
Met de wapenstilstand van 11 november 1918 kwam een einde aan de gevechten van de Eerste Wereldoorlog. Daarna verdween de elektrische versperring geleidelijk uit het grenslandschap. Veel houten palen, draden en installaties zijn allang verdwenen, maar de herinnering eraan bleef bewaard in foto’s, verhalen en lokaal historisch onderzoek. Deze opname uit Neerharen is daarom bijzonder. Ze toont geen slagveld en geen verwoeste stad, maar een houten cabine in een ogenschijnlijk rustige omgeving. Juist daarin schuilt haar kracht: ook hier, langs de Maas, liet de oorlog sporen na in het landschap en in het leven van de mensen. Vandaag kijken we naar een beeld uit een verdwenen tijd. De fiets staat tegen de leuning, de man blijft in de deuropening staan en de rivier stroomt op de achtergrond voorbij. De cabine herinnert ons eraan hoe een vertrouwde grensstreek tijdens de Grote Oorlog deel werd van een bewaakt en levensgevaarlijk grensgebied.
X
MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) - DORPSTRAAT (NU DOKTER HAUBENLAAN) RICHTING KOTEM 1954
Wie vandaag door de Dokter Haubenlaan rijdt, staat er misschien niet altijd bij stil hoeveel deze straat in de loop der jaren heeft meegemaakt. Op deze foto uit 1954 kijken we terug naar de tijd dat ze nog de Dorpstraat werd genoemd. De blik gaat in de richting van Kotem, naar de plaats waar de weg langzaam oploopt naar de brug over de Zuid-Willemsvaart. Het is een beeld van Mechelen-aan-de-Maas zoals velen het zich nog zullen herinneren uit verhalen van ouders en grootouders. Bomen begeleiden de weg en elektriciteitspalen en een straatlantaarn steken boven het dorpsbeeld uit. Op de rijweg staat een auto uit die tijd. Samen geven ze de foto haar eigen karakter: eenvoudig, herkenbaar en vol herinneringen aan het dorp van toen.
Een straat met een lange geschiedenis
De Dorpstraat behoorde tot het oude centrum van Mechelen-aan-de-Maas. Ze vormde een verbinding tussen de omgeving van de huidige Rijksweg en de Zuid-Willemsvaart. Langs en rond deze straat bevonden zich woningen en gebouwen die een belangrijke plaats innamen in het dorpsleven. De straat kende ook moeilijke tijden. In augustus 1856 brak er een grote brand uit, waarbij bijna de hele Dorpstraat verloren ging. Slechts drie huizen bleven gespaard. Bij de wederopbouw in de jaren 1857 en 1858 kreeg de straat opnieuw vorm. Een deel van de oudere bebouwing die we met het dorp associëren, draagt nog de sporen van die heropbouw. Wanneer we naar de gevelrijen op deze foto kijken, zien we dus een straat die al lang vóór 1954 een eigen geschiedenis had opgebouwd. Achter iedere voordeur lag een thuis, en achter iedere gevel schuilde een stukje van het leven in Mechelen-aan-de-Maas.
De weg naar de brug
In de verte loopt de straat licht omhoog. Daar ligt de oprit naar de brug over de Zuid-Willemsvaart, een belangrijke verbinding in de richting van Kotem en Boorsem. De aanleg van die oprit veranderde het uitzicht van de omgeving. In de jaren dertig moesten er oudere gebouwen verdwijnen om plaats te maken voor de toegangsweg naar de brug. De brug en het kanaal zouden ook tijdens de Tweede Wereldoorlog een rol spelen in de geschiedenis van het dorp. Op 10 mei 1940, bij het begin van de Duitse inval, werd de brug over het kanaal opgeblazen om de opmars af te remmen. Een bombardement trof die dag ook de omgeving van de huidige Dokter Haubenlaan en de Meelstraat. In 1954 was de oorlog nog geen tien jaar voorbij. Het straatbeeld toont ons opnieuw een dorp waar het gewone leven zijn plaats had ingenomen, met de weg richting kanaal als een vertrouwde verbinding voor de inwoners.
Van Dorpstraat naar Dokter Haubenlaan
De oude Dorpstraat kreeg later de naam Dokter Haubenlaan, ter herinnering aan Théodore Hauben. Hij werd in 1835 in Mechelen-aan-de-Maas geboren en groeide uit tot een vooraanstaand arts en professor aan de universiteit van Brussel. Zo blijft zijn naam verbonden met zijn geboortedorp. Op oude postkaarten komt de schrijfwijze Dorpstraat voor; de schrijfwijze heden is Dorpsstraat. Beide verwijzen hier naar de straat die we vandaag als de Dokter Haubenlaan kennen.
Een blik op het Mechelen van toen
Wat deze foto zo bijzonder maakt, zijn niet alleen de gebouwen of de auto. Het is vooral het geheel: de bomen langs de weg, de gevels die elkaar opvolgen en de straat die in de verte naar de brug leidt. Samen brengen ze een stukje van het oude Mechelen-aan-de-Maas dichterbij. Voor wie er vroeger woonde of er als kind passeerde, zal dit beeld misschien herinneringen oproepen aan buren, familie en vertrouwde plaatsen. Voor wie het dorp pas later leerde kennen, is het een uitnodiging om even stil te staan bij hoe het er vroeger uitzag.
De Dorpstraat van 1954: een weg door het hart van Mechelen-aan-de-Maas, richting Kotem en richting herinneringen die voor velen nog altijd voortleven.
X
maandag 26 oktober 2026
MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) KRUISPUNT RIJKSWEG (TOEN STEENWEG) JOSEPH SMEETSLAAN (TOEN JOZEF SMEETSLAAN)
MAASMECHELEN (MECHELEN AAN DE MAAS)
Het kruispunt van de Steenweg en de Jozef Smeetslaan
Wie vandaag door het centrum van Mechelen aan de Maas rijdt, kan zich nog maar moeilijk voorstellen hoe vertrouwd en tegelijk anders dit kruispunt er vroeger uitzag. Hier ontmoetten de Steenweg, de huidige Rijksweg, en de Jozef Smeetslaan, nu geschreven als Joseph Smeetslaan, elkaar in het hart van het dorp. Op de hoek staat een statig bakstenen gebouw met witte raamomlijstingen. Verder langs de straat volgen de gevels elkaar op, met winkels, reclameborden en geparkeerde auto’s. Het bord van Cristal Alken en, wat verderop, de opschriften TAP en SUPRA brengen ons terug naar een straatbeeld waarin reclame nog aan gevels en uithangborden hing. Op de hoek bevond zich ooit een groentewinkel. Daarnaast lag de Rembrandt en iets verderop was er een frituur. Voor wie de buurt van vroeger kent, zullen die namen misschien herinneringen oproepen aan een boodschap, een bezoek of een toevallige ontmoeting langs de Steenweg. Ook vóór de tijd van deze foto had het kruispunt al een bijzondere plaats in het dorpsleven. Op een oudere opname wordt de huidige Joseph Smeetslaan nog aangeduid als de Bosweg. Aan het kruispunt bevond zich ooit ook een tramhalte, bij het vroegere Café du Tram. De auto’s op de foto geven een aanwijzing over de periode. Het bestelwagentje en de hoekige personenwagens doen denken aan de jaren 1970 of 1980 . Wat blijft, is een mooi beeld van een vertrouwd stukje Mechelen aan de Maas: een kruispunt waar inwoners onderweg waren naar winkels, cafés en andere bestemmingen, en waar iedere gevel zijn eigen verhaal had.
X
.
ZANGERES ALINE UIT BOORSEM
ALINE UIT BOORSEM — EEN STEM UIT HET MAASLAND DIE OVER DE GRENS KLONK
Soms brengt een oude platenhoes meer terug dan alleen de herinnering aan een liedje. De kleuren, de foto en de grote letters voeren ons naar een tijd waarin muziek nog tastbaar was. Een singletje werd voorzichtig uit zijn hoes gehaald, op de draaitafel gelegd en beluisterd terwijl de naald zachtjes door de groeven liep. Op deze opvallende rode hoes staat één naam bovenaan: Aline. Achter die artiestennaam gaat de Belgische zangeres Aline Aelbers schuil, die we hier in het Maasland kennen als Aline uit Boorsem. Haar naam behoort tot een stukje muziekgeschiedenis dat het verdient om opnieuw onder de aandacht te komen. Want wie haar platen en de bewaard gebleven muziekgegevens naast elkaar legt, ontdekt dat haar stem ook buiten de eigen streek een publiek vond.
Een rode hoes als tijdsdocument
De afgebeelde platenhoes is een mooi vertrekpunt voor haar verhaal. Tegen een felrode achtergrond staat een zwart-witportret van de zangeres, omgeven door een afgerond kader. Onderaan prijkt in grote witte letters Moonlight Song. Daarnaast wordt ook ’n Dag zonder jou vermeld. De hoes bevat bovendien enkele waardevolle gegevens. Ze draagt de aanduiding Adstar 102 en vermeldt John v. Katwijk voor de productie en Willy v. Hemert voor het arrangement. Onder de titel staat uitdrukkelijk dat het om een Nederlandse versie van Midnight Blue gaat. Zo bewaart deze hoes niet alleen het gezicht van Aline, maar ook namen en bijzonderheden die bij de totstandkoming van haar plaat horen. Opvallend is dat deze uitvoering alleen de naam Aline op de voorzijde draagt. In andere muziekbronnen treffen we Moonlight Song ook aan onder de naam Aline & Ad. Het is daarom belangrijk de verschillende uitgaven zorgvuldig uit elkaar te houden.
Aline en Ad van Hoorn
De samenwerking met de Nederlandse zanger Ad van Hoorn is goed terug te vinden in de discografie. NLDiscografie vermeldt voor 1982 de single Moonlight Song / ’n Dag zonder jou, uitgebracht onder de naam Aline & Ad, met catalogusnummer Telstar 3836. Ook Jouwradio.nl koppelt het nummer aan Aline Aelbers en Ad van Hoorn en vermeldt 1982 als uitgavejaar. Hun muzikale samenwerking bleef niet beperkt tot die ene plaat. Voor 1983 vermeldt dezelfde discografie een volgende single van Ad & Aline: Alles komt terug, met op de andere kant de Duitstalige versie Alles kommt zurück. Deze plaat verscheen bij Telstar onder nummer 3879. Daarmee zijn minstens twee gezamenlijke single-uitgaven gedocumenteerd. Hoe hun samenwerking precies begon en hoelang ze daarnaast samen optraden, blijkt niet uit deze gegevens. Ook in de collectie van Muziekweb heeft het duo een plaats gekregen. Moonlight Song staat er onder Ad & Aline op de verzamelplaat 16 nieuwe Hollandse hits. Een tastbaar spoor van de manier waarop hun muziek naast die van andere Nederlandstalige artiesten werd verspreid.
Meer dan één liedje
Wie Aline alleen met Moonlight Song verbindt, ziet slechts een deel van haar muzikale werk. In het muziekbestand van Jouwradio.nl staan ook Lieve moeder en Ik droom van een land, beide met het jaartal 1982. Daarnaast is er Als je nu echt de waarheid zegt, dat op 1985 wordt gedateerd. Die vermeldingen laten zien dat haar naam gedurende meerdere jaren met verschillende liedjes verbonden bleef. Vooral dat laatste nummer kreeg een opmerkelijk vervolg. In 2023 bracht de Nederlandse zangeres Colinda een nieuwe versie uit van Als je nu echt de waarheid zegt. In de berichtgeving daarover wordt Aline Aelbers uitdrukkelijk genoemd als de Belgische zangeres die het lied in 1985 uitbracht. Als aanleiding voor de nieuwe opname wordt de blijvende waardering onder liefhebbers van piratenmuziek aangehaald. Bijna vier decennia na de oorspronkelijke uitgave werd een lied uit Alines repertoire dus opnieuw opgenomen. Dat geeft haar verhaal een bijzondere betekenis: haar muziek bleef voldoende leven om een andere zangeres tot een nieuwe uitvoering te inspireren.
Een stem die bewaard bleef
Ook Moonlight Song kreeg een verder leven. De opname van Aline & Ad werd opgenomen op de digitale verzameluitgave Originele Piratenhits deel 15, verschenen in 2016. Daarmee vond een lied uit het tijdperk van vinyl en platenhoezen opnieuw zijn weg naar luisteraars via moderne muziekplatforms. Niet elk hoofdstuk uit Alines loopbaan is vandaag even uitvoerig beschreven. Juist daarom zijn die oude platen zo waardevol. Een hoes, een etiket, een catalogusnummer of een vermelding in een muziekcollectie helpt om haar verhaal stap voor stap te bewaren. Daarbij kunnen herinneringen van mensen die haar persoonlijk kenden of zagen optreden nog veel aanvullen. Voor Boorsem en het Maasland heeft deze rode platenhoes dan ook een betekenis die verder gaat dan de muziek alleen. Ze toont een zangeres uit de eigen omgeving die haar naam op een plaat zag verschijnen en wier repertoire over de landsgrens werd verspreid. Wie vandaag opnieuw naar die hoes kijkt, ziet meer dan een portret uit vervlogen jaren. Het is een klein stukje plaatselijk erfgoed, verbonden met een stem die nog altijd terug te vinden en te beluisteren is.
X
MAASMECHELEN (MECHELEN-AAN-DE-MAAS) ZICHT OP STEENWEG (NU RIJKSWEG) EN HEILIG-HARTCOLLEGE
Deze foto voert ons terug naar een Mechelen-aan-de-Maas waar tussen de huizen nog volop ruimte was voor tuinen, fruitbomen en kleine moestuinen. Over de daken heen kijken we naar een open landschap, met velden en bomen tot aan de horizon. Tussen de bebouwing loopt de Steenweg, de huidige Rijksweg, die op deze opname nog niet verbreed was. De verbinding tussen Maastricht en Maaseik werd in de eerste helft van de negentiende eeuw aangelegd. De bebouwing kwam er vooral vanaf het einde van die eeuw en gedurende de twintigste eeuw op gang. Langzamerhand groeide de weg uit tot een belangrijke as voor woningen, winkels en cafés. Maar op deze foto overheerst achter die straat nog het groen. De huizen staan met hun achterbouwen, schuurtjes en ommuurde percelen dicht bij elkaar, terwijl daartussen verrassend grote tuinen liggen. We zien een dorp dat al gegroeid is, maar nog duidelijk verbonden blijft met het omliggende land. Vooral de doorkijk naar de velden op de achtergrond maakt dat zo tastbaar. Rechts boven de bomen verheft zich het Heilig-Hartcollege. Met zijn hoge gevels, donkere leien daken en torentjes vormt het een opvallend herkenningspunt. Het schoolcomplex kreeg zijn hoofdgebouw en zuidelijke vleugel tussen 1912 en 1916. De technische school volgde tussen 1922 en 1924 en de grote kapel tussen 1934 en 1936. Zo groeide het college in verschillende bouwfasen uit tot het monumentale geheel dat het dorpsbeeld mee bepaalde. De afwisseling van baksteen en natuursteen, de vele vensters en de uitgewerkte dakpartijen geven het college een heel ander aanzien dan de bescheiden woningen ervoor. Toch maakt deze opname vooral duidelijk hoeveel groen er rondom nog aanwezig was. Het grote schoolgebouw stond hier in een omgeving waarin tuinen, bomen en open terrein nog een belangrijke plaats innamen. Het grote gebouw met het lichte, bijna witte dak is Cinema Mosa. Tussen de woonhuizen en de tuinen herinnert die zaal aan een ander stukje dorpsleven: de tijd waarin men voor een filmvoorstelling naar de plaatselijke cinema trok. Achter een vrij eenvoudige buitenkant ging een plek schuil waar het witte doek de bezoekers even meenam naar een andere wereld. De latere verbreding van de Rijksweg zou het uitzicht langs deze verkeersas sterk veranderen. Die verandering kwam vanaf het einde van de jaren zestig: de weg met twee rijstroken maakte plaats voor vier rijstroken en een middenberm, waarbij ook woningen moesten verdwijnen. Hier ligt dat veranderende straatbeeld nog in de toekomst. Onze blik blijft hangen bij de pannendaken, de schoorstenen, de tuinen en de bomen tussen de huizen. En daarachter ligt nog die brede, landelijke ruimte. Een vertrouwd stukje Mechelen-aan-de-Maas, uit een tijd waarin het dorp en het veld nog bijna ongemerkt in elkaar overgingen.
X
HEILIG-HARTCOLLEGE NOG VOOR DE NIEUWE (VERBREDING) RIJKSWEG
Deze luchtfoto voert ons terug naar het Heilig-Hartcollege in Mechelen-aan-de-Maas. We zien de Rijksweg vóór de verbreding, toen er voor het indrukwekkende schoolgebouw nog een mooie tuin lag. Verzorgde grasvelden, sierlijke bloemperken en wandelpaadjes gaven de voorzijde van het college een statig uitzicht. Langs de straat sloot een hekwerk de tuin af, waardoor de school een eigen, duidelijk afgebakende voortuin had. Het was een aanblik die bij het gebouw paste. De lange gevel, de hoge ramen en de vele dakpartijen kwamen achter dat groene voorplein mooi tot hun recht. Tussen de school en het verkeer lag nog een stukje rust: een tuin die het geheel zachter maakte en het college mee zijn karakter gaf. Ook rondom de school was er nog veel groen en open ruimte. Achter de gebouwen strekten zich tuinen, akkers en graslanden uit, afgewisseld met bomenrijen en verspreide woningen. Het college nam een opvallende plaats in het landschap in, maar de omgeving had nog een uitgesproken landelijk karakter. Op de ruime speelplaats achteraan zijn kleine groepjes mensen te onderscheiden. De Rijksweg liep toen al langs de school, maar het straatbeeld oogt op deze foto veel opener en rustiger. Bij de latere verbreding moest de mooie voortuin met het hekwerk plaatsmaken. Daarmee verdween ook een deel van de oorspronkelijke uitstraling van de school langs de straatkant. Juist daarom is deze foto zo waardevol. Ze bewaart niet alleen het beeld van het Heilig-Hartcollege, maar ook van de ruimte errond: de tuin voor de gevel, het hek langs de weg en het vele groen achter de school. Een vertrouwd stukje Mechelen-aan-de-Maas, vastgelegd vóór de Rijksweg en zijn omgeving ingrijpend veranderden.
X
MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) HET HEILIG-HARTCOLLEGE EN OMGEVING
Op deze luchtfoto domineert het Heilig-Hartcollege de omgeving. De lange gevel, de hoge leien daken en de statige ingang maken het gebouw meteen herkenbaar. Rond het college liggen woningen, tuinen en achteraan open velden: een mooi beeld van de school in haar dorpsomgeving. Het complex aan de Rijksweg heette oorspronkelijk ‘Gesticht van het H. Hart’. Het hoofdgebouw en de zuidelijke vleugel, bestemd voor het college en de normaalschool, werden tussen 1912 en 1916 opgetrokken. De monumentale architectuur werd ontworpen door architect Verlinden uit Luik, met het Rijksmuseum in Amsterdam als inspiratiebron. De school groeide verder. Tussen 1922 en 1924 kwam er een technische school bij; tussen 1934 en 1936 volgde de grote koepelkapel op de binnenplaats. Zo ontwikkelde zich een uitgebreid onderwijscomplex, waar verschillende opleidingen een plaats kregen. Voor oud-leerlingen kan zo’n foto heel wat oproepen: de dagelijkse schoolweg, klasgenoten en de eerste stappen naar het volwassen leven. Het college is daarmee meer dan een opvallend gebouw; het behoort ook tot het gedeelde geheugen van Mechelen-aan-de-Maas.
X
EISDEN – OLIFANTEN OP DE PAUWENGRAAF, OP WEG NAAR HET EUROPAPLEIN
Een rij olifanten tussen de winkels van de Pauwengraaf. Het is een beeld waar je vandaag haast tweemaal naar moet kijken. Toch legde een fotograaf dit bijzondere tafereel in Eisden vast: de dieren trekken onder begeleiding door de winkelstraat, op weg naar het circus op het Europaplein. Vooraan vult een grote olifant een flink stuk van het beeld. De andere dieren volgen achter elkaar, terwijl hun begeleiders naast hen lopen. Op de achtergrond staan mensen langs de winkels te kijken. De gevels, de etalages en de geparkeerde wagen maken de foto herkenbaar als een alledaags straatbeeld. Alleen zijn het deze keer olifanten die over de rijweg stappen. De Pauwengraaf was toen al het handelscentrum van de mijnwijk. Die ontwikkeling hing nauw samen met de groei van Eisden rond de steenkoolmijn. De mijnmaatschappij hield de tuinwijk en haar voorzieningen sterk in eigen beheer. Winkels en cafés kregen daardoor vooral buiten die wijk de kans om zich te ontwikkelen. Zo groeide de Pauwengraaf uit tot de plaats waar bewoners hun inkopen deden en elkaar ontmoetten. In die vertrouwde omgeving moet de doortocht van zo’n groep dieren een opvallende gebeurtenis zijn geweest. Het circus bracht zijn bijzondere wereld immers ook buiten de tent. Optochten door steden en dorpen maakten deel uit van de circustraditie: het publiek kon er artiesten en dieren van dichtbij zien, nog voordat de voorstelling begon. De opname bewaart daarmee twee stukjes verleden tegelijk: een bijzonder moment uit de geschiedenis van het rondreizende circus én een zicht op de Pauwengraaf van toen. Voor wie de straat nog zo gekend heeft, zullen misschien ook de gebouwen en winkels herinneringen oproepen. Een gewone winkelstraat, even het decor van iets buitengewoons. En dankzij deze foto trekt die rij olifanten nog altijd door het oude Eisden.
zondag 25 oktober 2026
LAMAZE, EEN NIEUWE JEUGDCLUB TE KOTEM-BOORSEM (FOTO 1973)
Lamaze, een jeugdvereniging die langzaam maar zeker groeide
Wie terugdenkt aan het vroegere dorpsleven, denkt al gauw aan de verenigingen die mensen samenbrachten. Achter iedere vereniging stonden inwoners die hun vrije tijd wilden geven om iets voor anderen te betekenen. Soms begon dat heel eenvoudig: met een gesprek, een gezamenlijk plan en een paar mensen die bereid waren de eerste stap te zetten. Ook in Kotem en Boorsem ontstond op die manier een initiatief dat de jeugd nieuwe mogelijkheden wilde bieden. We gaan terug naar het prille begin van Lamaze, een jeugdvereniging waarvan de naam was gevormd uit de woorden ‘Langzaam maar zeker’. Een toepasselijke naam voor jongeren die stap voor stap een eigen werking wilden opbouwen. Hun plannen waren ruim, hun middelen beperkt, maar de bereidheid om samen iets te ondernemen was er. Het enthousiasme na een eerste kamp, de mensen die de werking droegen en over de zorgen die bij zo’n initiatief kwamen kijken.
Een gemis in het plaatselijke jeugdleven
Op dat moment was er noch in Kotem, noch in Boorsem een actieve jeugdbeweging. Voor jongeren die zich ter plaatse bij een jeugdvereniging wilden aansluiten, bestond dus een duidelijke leemte. In Boorsem had pastoor Willekens eerder een voorzichtige aanzet gegeven. Zijn vroegtijdige overlijden zorgde van het uitblijven van een verdere uitbouw. Wel blijkt dat het verlangen naar een eigen jeugdwerking bleef leven. Uiteindelijk waren het jongeren uit beide dorpen die besloten zelf initiatief te nemen. Zij wilden iets organiseren voor de kinderen en jongeren uit hun omgeving en tegelijk ook voor zichzelf een vereniging uitbouwen. Dat laatste verdient aandacht: ook de initiatiefnemers hadden behoefte aan een plek binnen het dorpsleven waar zij samen plannen konden maken en verantwoordelijkheid konden opnemen. Ongeveer twintig jongeren vonden elkaar rond dat voornemen. De meesten waren studenten. Vanuit die groep groeide Lamaze, met de bedoeling om de jeugd van beide parochies samen te brengen.
Een kamp in Zepperen gaf vertrouwen
Een belangrijk moment in het beginverhaal was een kamp in Zepperen. Ongeveer veertig jongens, tussen tien en veertien jaar oud, namen eraan deel. Voor een jonge groep was dat een flinke onderneming. Een kamp betekende immers veel meer dan een bestemming kiezen. Er moesten voorbereidingen worden getroffen, begeleiders beschikbaar zijn en financiële afspraken worden gemaakt. De verantwoordelijkheid voor een groep kinderen vroeg inzet, ook vóór de eigenlijke kampdagen begonnen. De eerste ervaring werd als geslaagd beschouwd. Dat succes moedigde de initiatiefnemers aan om verder te gaan. Er was nu iets tastbaars om op voort te bouwen. De groep had laten zien dat zij samen een activiteit kon organiseren waarvoor belangstelling bestond. Het kamp werd zo een vertrekpunt voor verdere plannen en voor de wens om een ruimere werking uit te bouwen.
De mensen achter de naam
De vereniging koos bewust voor een werking zonder voorzitter of secretaris. De betrokkenen wilden als kernleden samenwerken, zonder een onderlinge rangorde met vaste bestuurstitels. Dat was een opvallende keuze. De nadruk lag op de gezamenlijke inzet: de vereniging moest worden gedragen door de groep.
Er waren 18 bestuursleden en alle namen staan hier vermeld, op deze foto staan er maar 13: Gerard Janssen, Jean en René Smeets, François Merlo, Tom, Jef, Leon en Thieu Lemmens, André Janssen, Jef Wijnen, Elianne Janssen, Anita en Monique Opsteyn, Mathieu Lovenich, Domien Kuypers, Mieke en Wim Delille en Jef Conaert.
Voor wie Kotem en Boorsem van toen heeft gekend, zal die opsomming wellicht herinneringen oproepen. Een naam kan voldoende zijn om opnieuw aan een dorpsgenoot, een vroegere vriend of een familielid te denken. Voor latere generaties maakt de lijst zichtbaar wie er bij het begin betrokken was. De geschiedenis van een vereniging bestaat tenslotte uit mensen. Een naam als Lamaze blijft bewaard op papier, maar zonder de inzet van de kernleden zou er geen kamp zijn geweest en geen programma om verder uit te werken.
Een vereniging met brede plannen
De initiatiefnemers wilden zich niet beperken tot één jaarlijks kamp. Hun voorgenomen programma bestreek verschillende onderdelen van het jeugdleven. Er waren plannen voor filmvoorstellingen waaraan een bespreking werd gekoppeld. Daarmee wilde men ruimte maken om na het kijken ook samen over een film na te denken en ervaringen of meningen uit te wisselen. Daarnaast werden kleinkunstavonden en discussieavonden genoemd. Ook de uitbouw van jeugdmissen behoorde tot de plannen. De band met de parochies was dus aanwezig in de werking die men voor ogen had. Verder dacht de groep aan vakanties voor kinderen, nieuwe kampperiodes en ontspanningsactiviteiten. Samen geven die voornemens een beeld van een vereniging die ontmoeting, cultuur, gesprekken en ontspanning wilde combineren. Kinderen moesten er activiteiten kunnen beleven, terwijl oudere jongeren ook gelegenheid kregen om zelf iets te organiseren en inhoud aan de vereniging te geven. Niet al die plannen mogen zonder meer als uitgevoerde activiteiten worden beschouwd. Het kamp in Zepperen had al plaatsgevonden; de andere onderdelen werden in 1973 voorgesteld als het programma waaraan men wilde bouwen.
Ook werkende jongeren moesten hun plaats vinden
Hoewel de eerste groep voornamelijk uit studenten bestond, wilde Lamaze zich uitdrukkelijk openstellen voor andere jongeren. Ook wie al werkte, moest aansluiting kunnen vinden. Die bedoeling maakte deel uit van het streven om een vereniging voor de plaatselijke jeugd te worden. De initiatiefnemers wilden hun werking verder laten groeien dan de kring waaruit zij zelf waren voortgekomen. Daarbij werkten jongeren uit Kotem en Boorsem samen aan één initiatief. De vereniging verbond zo mensen uit beide dorpen rond dezelfde behoefte: meer mogelijkheden om elkaar te ontmoeten en samen activiteiten te ondernemen.
De financiële werkelijkheid achter het enthousiasme
Wie een vereniging opricht, ontdekt al snel dat goede wil alleen de uitgaven niet dekt. Ook bij Lamaze kwam die werkelijkheid duidelijk naar voren. Het eerste kamp in Zepperen kostte 25.000 Belgische frank. Dat bedrag moest door een beginnende vereniging worden gedragen, terwijl ook andere kosten aandacht vroegen. Zo werd vermeld dat de verzekering op zichzelf al duurder was dan de gemeentelijke toelage die men ontving. De vraag om meer ondersteuning was dan ook een belangrijk onderdeel van het bericht. De kernleden vonden dat hun inzet de gemeenschap ten goede kwam en hoopten dat de gemeente hun werking sterker zou ondersteunen. Daarbij ging het ook om de opleiding van de begeleiders. Kernleden die een cursus voor monitor of monitrice volgden, moesten die tot dan toe zelf betalen. Naast hun vrije tijd staken zij dus ook eigen middelen in hun engagement. Dat detail zegt veel over de inspanning achter het initiatief. De vereniging wilde activiteiten aanbieden en tegelijk investeren in de mensen die daarvoor verantwoordelijkheid opnamen. Om dat te kunnen volhouden, waren voldoende inkomsten en ondersteuning nodig.
Belangstelling vanuit de dorpen
Volgens de verslaggever stonden heel wat inwoners van Kotem en Boorsem achter de jeugdgroep. Men hoopte dat Lamaze iets kon betekenen voor de jongeren en voor het verenigingsleven in beide dorpen. Dat vertrouwen was voor een beginnende werking van belang. Een vereniging heeft mensen nodig die deelnemen, maar ook een omgeving die haar inzet erkent en haar de kans geeft om te groeien.
Een begin dat het bewaren waard is
Ruim een halve eeuw later heeft dit bericht een andere betekenis gekregen. Wat in 1973 nieuws was over een pas begonnen jeugdvereniging, is vandaag een bron voor de geschiedenis van Kotem en Boorsem. Het bewaart de namen van de kernleden, de herinnering aan het kamp in Zepperen en de plannen waarmee jongeren aan de slag wilden. Ook de moeilijkheden zijn erin terug te vinden: de kosten van een kamp, de uitgaven voor vorming en de behoefte aan voldoende gemeentelijke steun. Daardoor krijgen we geen verhaal waarin alles vanzelf ging, maar een herkenbaar beeld van vrijwilligers die iets probeerden op te bouwen. Zij begonnen met de mogelijkheden die er waren en zochten onderweg naar middelen om verder te kunnen. De naam ‘Langzaam maar zeker’ past bij dat begin. De vereniging hoefde niet op de eerste dag volledig uitgebouwd te zijn. Er was een groep die wilde samenwerken, er was een eerste geslaagde ervaring en er waren ideeën voor de toekomst. Daar ligt de waarde van dit stukje dorpsgeschiedenis. Jongeren uit Kotem en Boorsem zagen een behoefte en besloten er samen iets aan te doen. Hun inzet verdient een plaats in de herinnering aan het verenigingsleven van beide dorpen.
X
donderdag 22 oktober 2026
EISDEN – DE BROUWER MET ZIJN FORD 1952
Vijf mensen, een geladen vrachtwagen en een pint in de hand. Deze foto bewaart een mooi stukje plaatselijk leven. Even wordt er geposeerd naast de Ford, met op de laadbak houten kratten vol flessen. Twee mannen dragen een lange werkjas, anderen staan er in een donker pak. De vrouw links kijkt glimlachend naar de fotograaf. Wat de aanleiding voor dit samenzijn was, weten we niet. Maar het beeld straalt een eenvoudige gezelligheid uit die ook na zoveel jaren herkenbaar blijft. Achter deze foto schuilt bovendien een stukje Eisdense drankengeschiedenis. In de familiegeschiedenis van de familie Ramakers-Meyers wordt Sander Simons genoemd, een zoon van Petronella ‘Nel’ Dedroog en ‘Thieuke’ Simons. Hij begon in de Populierenstraat een zaak die wordt omschreven als een limonadefabriek en een depot van brouwerij Vandenheuvel. De onderneming situeert zich tegenover het huis van zijn moeder, in een gebouw dat voordien een schuur was. Zo krijgt de plaatselijke herinnering aan ‘de brouwer’ een naam en een achtergrond. Dat onderscheid is van belang. Wie in het dorp ‘de brouwer’ werd genoemd, hoefde niet noodzakelijk zelf bier te brouwen. Bij de beschreven zaak van Simons ging het om de combinatie van eigen limonadeproductie en een brouwerijdepot. De vertrouwde benaming kon dus ook verbonden zijn aan de man die het bier verdeelde en aan huis bracht. In de opgetekende jeugdherinneringen van Hubert Ramakers lezen we dat de brouwer bij de gezinnen aan de deur kwam. Er wordt verteld over licht tafelbier, dat vooral in de zomer werd gedronken, en over de limonade van Simons. Die maakte volgens deze herinneringen bruisende dranken met onder meer citroen- of sinaasappelsmaak. Het zijn persoonlijke getuigenissen, maar juist zulke kleine bijzonderheden brengen het dagelijkse leven van het vroegere Eisden dichtbij. Op onze foto staat de vrachtwagen letterlijk achter de mensen, maar hij vormt een belangrijk deel van het verhaal. De houten kratten, de flessen en de open laadbak tonen een voertuig dat voor drankentransport werd gebruikt. Boven de cabine is een deel van het woord ‘limonade’ te herkennen. Dat past bij de combinatie van bierverdeling en limonadeverkoop die in de Eisdense herinneringen wordt beschreven De Ford was hier een werkinstrument, verbonden met laden, lossen en leveren. De foto toont niet hoe zo’n werkdag verliep, maar de vracht staat klaar en de werkjassen maken het beroep tastbaar. Tegelijk is het een groepsportret: de mensen krijgen voor even de hoofdrol, met hun glas in de hand en hun blik op de fotograaf. Een Ford, houten kratten en vijf geheven glazen. Meer was er niet nodig om een klein stukje Eisden uit 1952 mee te geven aan de generaties die zouden volgen.
X
EISDEN - BOORTOREN 76
Een hoge, smalle boortoren steekt boven het open landschap uit. Aan zijn voet staan eenvoudige werkgebouwen, wat verder een klein huisje. Zandwegen trekken hun sporen door de schrale grond en aan de horizon ligt een brede bosrand. De foto toont een Eisden waarin de mijnindustrie nog maar haar eerste stappen zette. De precieze opnamedatum is niet bevestigd; het beeld behoort tot de vroege ontstaansgeschiedenis van de mijn. De zoektocht naar steenkool kreeg in Limburg een beslissende impuls toen op 2 augustus 1901 in As, onder leiding van André Dumont, steenkool werd aangeboord. Ook rond Eisden volgden proefboringen. Op 22 juni 1907 werd de maatschappij Société Anonyme des Charbonnages Limbourg-Meuse definitief opgericht. Zij zou de Eisdense mijn uitbouwen. De aanduiding 76 verwijst naar de verkenningsboring waarmee deze plek verbonden was. Met zulke boringen onderzocht men de opeenvolgende grondlagen. Het opgeboorde materiaal hielp om de ondergrond te beschrijven en de mogelijkheden voor verdere werken te beoordelen. Een boortoren hoorde dus bij het voorbereidende onderzoek: op deze plaats stond nog geen werkende mijn waar dagelijks kolenwagens naar boven kwamen. Juist boring 76 neemt een bijzondere plaats in de plaatselijke geschiedenis in. Volgens de gemeente Maasmechelen wilde men de nieuwe mijn aanvankelijk in de nabijheid ervan aanleggen. De gemeente situeert die boring achter de tennisvelden bij de Oude Burelen. De bouwplaats van die eerste administratiegebouwen en de directeurswoning hield verband met dat oorspronkelijke plan. Maar de bodem besliste anders. Er bleek meer drijfzand en water aanwezig dan men uit de boorresultaten had afgeleid. De plek werd daardoor ongeschikt bevonden voor het delven van de mijnschachten. Men verplaatste de schachtaanleg een flink stuk naar het noordoosten, naar de omgeving van boring 81. De Oude Burelen bleven op hun oorspronkelijke plaats staan. Zo verklaart een probleem diep onder de grond waarom de eerste administratiegebouwen op afstand van de uiteindelijke mijnschachten lagen. Wie de foto aandachtig bekijkt, ziet vooral de bescheiden schaal van dit begin. De toren beheerst het beeld, maar rondom blijft het landschap open. Enkele kleine menselijke figuren maken duidelijk hoe hoog de installatie boven de werkplaats uitstak. Het zijn zichtbare sporen van een onderneming waarvan de latere omvang hier nog nauwelijks te vermoeden valt. Boortoren 76 herinnert daarmee aan een minder bekend hoofdstuk van Eisden: de jaren van onderzoeken, plannen en bijsturen. Nog vóór de vertrouwde schachtbokken het landschap zouden tekenen, stond hier deze slanke toren tussen zand, struikgewas en bos. Een vroege getuige van de zoektocht die de streek ingrijpend zou veranderen.
X
MECHELEN-AAN-DE-MAAS "WAAR STEENWEG EN DORPSTRAAT ELKAAR ONTMOETTEN"
Sommige dorpsgezichten veranderen zo ingrijpend dat we even moeten zoeken om de plek nog te herkennen. Deze plek neemt ons mee naar de kruising van de toenmalige Steenweg, de huidige Rijksweg, en de Dorpstraat, die we vandaag kennen als de Dokter Haubenlaan. Rechts ligt tegenwoordig de omgeving van het Gemeenteplein; links herkennen we de zijde waar later de shopping kwam. Maar op deze foto kijken we nog naar een heel ander Mechelen. De straat ligt breed en open voor ons. De onregelmatige bestrating, de hagen langs de woningen en de lage bebouwing geven het kruispunt een uitgesproken dorps karakter. Boven de weg hangt een straatlamp. De hoge palen tekenen zich af tegen de lucht. Het zijn eenvoudige details, maar samen maken ze de afstand van meer dan een eeuw plots bijzonder tastbaar. Rechts op de voorgrond zien we een hoeve. Daarachter bevindt zich een wit huisje, vervolgens de aansluiting van de Heirstraat en verder het gemeentehuis met het vredegerecht. Die opeenvolging is belangrijk om het oude straatbeeld te begrijpen: waar we vandaag vooral een plein en openbare ruimte ervaren, stonden toen nog gebouwen die het zicht bepaalden. De hoeve en het bescheiden huisje brachten het dagelijkse dorpsleven tot vlak bij het bestuurlijke hart van de gemeente. Boven die lagere bebouwing verheft zich de slanke toren van het gemeentehuis. Het gebouw was rond 1910 nog betrekkelijk nieuw. Het werd in 1900 opgericht onder burgemeester Joseph Smeets, naar een ontwerp van architect Gérard Rypens. De bouw op deze plek betekende ook een verschuiving van het dorpscentrum naar het kruispunt van belangrijke wegen. De toren markeerde de hoek van de Dokter Haubenlaan en de Heirstraat. Het gemeentehuis en vredegerecht gaven deze straathoek een bijzondere betekenis. Naast wonen, winkelen en boerenwerk kregen ook bestuur en rechtspraak hier hun plaats. De combinatie van beide functies in het nieuwe gebouw wordt eveneens vermeld in de lokale geschiedschrijving. De bakstenen gevels, de lichte natuurstenen banden en het donkere leien dak verleenden het gemeentehuis een waardige uitstraling. Toch toont de foto een vroegere toestand dan het gebouw dat latere generaties leerden kennen. Na zware beschadigingen in 1944 volgden herstel en uitbreiding in 1951, onder leiding van architect Victor Broos. Wie oude en recentere beelden vergelijkt, moet met die veranderingen rekening houden. Links trekt een heel ander herkenningspunt de aandacht: Huis Verschelde. Op de grote witte zijgevel werd het winkelassortiment aangeprezen. Witgoed, lingerie, ellegoederen, hoeden en klakken: de gevel vertelde voorbijgangers waarvoor ze hier terechtkonden. Met witgoed werden in deze winkelcontext witte textielwaren bedoeld; ellegoederen waren stoffen die op lengte werden verkocht. Het zijn woorden die ons meteen dichter bij het winkelen van vroeger brengen. Die beschilderde zijgevel was als het ware het uithangbord van de winkel. De reclame stond hoog en was vanaf de Steenweg zichtbaar, al verdween een gedeelte achter de takken van het boompje. Juist dat maakt het beeld zo vertrouwd: een winkel gebruikte de beschikbare muur, terwijl het groen eenvoudig zijn eigen plaats bleef innemen. Ook de Dorpstraat zelf droeg al een bewogen geschiedenis mee. In augustus 1856 brandde ze op drie huizen na volledig af. Een belangrijk deel van de latere bebouwing ontstond tijdens de wederopbouw van 1857 en 1858. De straat verbond de Rijksweg met de Zuid-Willemsvaart; aan het kruispunt met de Heirstraat kwam het nieuwe Marktplein tot ontwikkeling. Vandaag liggen rechts het Gemeenteplein en links de shopping. De omgeving kreeg andere gebouwen, andere verhoudingen en een ander ritme. Toch helpt deze foto ons om onder het huidige straatbeeld het vroegere dorp terug te vinden: de hoeve, het witte huisje, de winkel met zijn gevelreclame en de toren die boven alles uitstak. Een kruispunt van wegen, maar ook van herinneringen. Hier lagen het landelijke Mechelen, de plaatselijke handel en het openbare leven nog zichtbaar naast elkaar.
De moeilijk leesbare gevelreclame van Huis Verschelde werd gedeeltelijk gereconstrueerd op basis van de aangeleverde lezing. Oorspronkelijke Franstalige vermeldingen zijn niet overgenomen. De bewerkte foto geeft dus geen volledige, lettergetrouwe weergave van de oorspronkelijke reclame.
X
EEN HOOIWAGEN ONDER DE ROOK VAN MAASTRICHT '40-'45
Updated Een paard voor een hooggeladen hooiwagen, straatstenen onder de hoeven en daarachter donkere rook boven de Maastrichtse fabrieksgebo...
-
2018 2018 2023 De hobby-bakkerij van bakker-op-rust Jules Milissen, de stichter van de bakkerijketen 'De Korenaar', met winkels in M...
-
De kuiper of tonnenmaker is een ambachtsman die houten kuipen of tonnen maakt. Losse stukken hout bewerkt hij tot planken en duigen. Daarna ...
-
In de zomer werden de koeien gemolken in de weilanden. Die weilanden lagen meestal niet in de directe omgeving van de boerderij. Het melken ...
.png)








%20-%20DODENDRAAD%20MET%20HOOGSPANNINGSCABINE%20TIJDENS%20DE%20DUITSE%20BEZETTING%2014-18%20ORIGINELE%20FOTO.jpg)


%20EN%20JOZEF%20SMEETSLAAN%20(NU%20JOSEPH%20SMEETSLAAN).png)

%20-%20ZICHT%20OP%20STEENWEG%20(NU%20RIJKSWEG)%20EN%20HEILIG-HARTCOLLEGE.png)


%20HET%20HEILIG-HARTCOLLEGE%20EN%20OMGEVING.jpg)








