zaterdag 31 oktober 2026

CINEMA TRIOS IN GENCK

 

DE AFFICHE WORDT HIER MORGEN GEPLAATST !!!

Cinema Trios in Genk

Een avond naar de film, aan de hand van een programma uit 1980

Een bioscoopprogramma kan een hele tijd terugbrengen. Op deze bewaarde affiche van cinema Trios in Genk staan zeven films bij elkaar: een romantische komedie, een musical, een angstaanjagende thriller, een avontuurlijke oorlogsfilm, Franse humor, sensationele beelden en een dierenfilm voor het gezin. Samen geven ze een bijzonder inkijkje in wat er tijdens één herfstweek in de Genkse cinema te beleven viel.

De periode staat bovenaan: van vrijdag 31 oktober tot en met donderdag 6 november 1980. Daarnaast wordt gewezen op een bijzondere vakantieregeling op vrijdag 31 oktober en maandag 3 november. Het is een klein praktisch detail, maar het maakt de affiche tot meer dan een verzameling filmtitels. We zien hoe de bioscoop zijn programma afstemde op vrije namiddagen, avondbezoekers en gezinnen.

Naar de cinema in Shopping II

Cinema Trios, in latere berichtgeving ook Trioscoop genoemd, bevond zich in Shopping II aan de Rootenstraat in het centrum van Genk. Vooral tijdens de jaren tachtig was de bioscoop een belangrijke publiekstrekker. Voor verschillende generaties Genkenaars werd het een vertrouwde plek om de films van het moment op het grote scherm te ontdekken. 

De naam past bij een ontwikkeling die het Belgische bioscooplandschap veranderde: verschillende filmzalen onder één dak. De geschiedenis van Kinepolis vermeldt de opening van de Hasseltse Trioscoop met drie schermen in 1972. Dat jaartal hoort bij Hasselt; het mag niet zonder bijkomend archiefbewijs als openingsjaar van de Genkse cinema worden overgenomen. 

Het voordeel van zo’n formule wordt op de Genkse affiche zichtbaar. Verschillende soorten films konden tegelijk worden aangeprezen, met vertoningen op uiteenlopende uren. Wie een avondje uit plande, kreeg een ruime keuze voorgeschoteld.

Zeven films, zeven manieren om even weg te zijn

Links bovenaan staat Annie Hall. De reclame legt nadruk op Woody Allen en de vier Oscars die de film had gewonnen. Dat klopt: bij de Oscaruitreiking van 1978 won de film de prijzen voor beste film, regie, vrouwelijke hoofdrol en oorspronkelijk scenario. Diane Keaton kreeg de acteerprijs; Woody Allen en Marshall Brickman deelden de scenarioprijs. 

Dat deze titel in het najaar van 1980 nog op het programma stond, is betekenisvol. De affiche verenigt recente films met titels die al eerder waren verschenen. Ze bewijst dat een bekroonde film ook later nog een plaats in de plaatselijke programmering kon krijgen. Of het hier om een herneming of een andere vorm van verdere vertoning ging, vertelt het document niet.

Het grote middenvak behoort aan Xanadu, met Olivia Newton-John en Gene Kelly. De opvallende titelletters en het grote portret geven de musical veel ruimte. De film uit 1980 bracht Newton-John samen met een van de bekendste namen uit de klassieke Hollywoodmusical. Ook Electric Light Orchestra leverde muziek voor de film. Zo ontmoetten verschillende generaties populaire muziek en film elkaar in één productie. 

Rechts daarvan verandert de stemming volledig. Het gezicht van Jack Nicholson kondigt The Shining aan, Stanley Kubricks horrorfilm uit 1980. De advertentie verwijst naar eerdere Kubrickfilms en gebruikt diens reputatie als verkoopargument. Voor de bezoeker van toen was dit een nieuwe bioscoopervaring; de status van gevestigde horrorklassieker zou de film pas met de jaren verwerven. 

Onderaan links staat The Final Countdown, op de affiche eveneens aangekondigd als Nimitz terug naar de hel. Kirk Douglas en Martin Sheen trekken de aandacht. De film uit 1980 laat een modern Amerikaans vliegdekschip terugkeren naar de periode vlak vóór de aanval op Pearl Harbor. De combinatie van militaire actie en een onmogelijke reis door de tijd bood een heel ander soort spanning dan Kubricks hotelhorror. 

Daarnaast zorgt Les Borsalini voor Franse komedie, met Jean Lefebvre, Darry Cowl en Robert Castel. Het officiële filmregister van Québec bevestigt de acteurs en regisseur Michel Nerval. De getekende auto en de opeengestapelde figuren op de affiche maken meteen duidelijk dat hier een luchtiger avontuur wordt aangeboden. 

De bloeddorstige savanne, met de Engelse titel Brutes and Savages, wordt op het programma vooral door sensationele beelden en beloften van onthullingen verkocht. De advertentietaal over andere culturen weerspiegelt de manier waarop zulke onderwerpen destijds commercieel werden voorgesteld. Als historisch document is dat veelzeggend, maar die reclame vormt op zichzelf geen betrouwbare beschrijving van de afgebeelde mensen of hun leefwereld.

Helemaal rechts onderaan staat De ongelooflijke uitstap. De namen Luath, Bodger en Tao identificeren de film als Disneys The Incredible Journey uit 1963, over twee honden en een Siamese kat die een lange tocht ondernemen. Op deze affiche krijgt het dierenavontuur vooral namiddagvertoningen: een herkenbare plaats voor gezinscinema binnen het ruimere programma. 

Ook om kwart over tien kon je nog binnen

Juist de kleine letters geven deze affiche haar plaatselijke karakter. Bij verschillende films staan namiddag- en avonduren. Bovendien worden meerdere late voorstellingen aangekondigd om 22.15 uur. De bloeddorstige savanne krijgt uitsluitend dat late uur vermeld.

Daarmee toont het programma hoe breed een bioscoopdag kon worden ingevuld. Een gezin kon voor een namiddag kiezen, andere bezoekers voor de gebruikelijke avondvoorstelling, en wie later op stap ging kon nog aan een film beginnen wanneer elders de avond al ver gevorderd was.

De zeven advertenties mogen overigens niet worden gelezen als bewijs dat de cinema zeven zalen had. Films konden binnen dezelfde week op verschillende tijdstippen een zaal delen. Het document geeft een weekaanbod weer, geen plattegrond van het gebouw.

Het doek viel, het gebouw bleef

Volgens de geraadpleegde lokale berichtgeving eindigde de bioscoopwerking midden jaren negentig. Die sluiting wordt in verband gebracht met de vervanging van de Genkse en Hasseltse vestigingen door het grotere Kinepoliscomplex in Hasselt. Daarna kreeg het Genkse pand onder meer een winkelfunctie voor H&M en volgde een lange periode van leegstand. 

In 2022 begon een nieuw hoofdstuk met het Werkhuis. LUCA School of Arts, ontwerperscollectief GERAAS en de stad Genk werkten samen om in het voormalige bioscooppand ruimte te bieden aan jonge kunstenaars en ontwerpers. Er kwamen ateliers, tentoonstellingen en workshops. LUCA vermeldt daarvoor het adres Rootenstraat 33A.

Zo kreeg een gebouw waar jarenlang naar verhalen werd gekeken opnieuw een creatieve bestemming.

De affiche uit 1980 bewaart intussen een heel concreet stukje Genkse geschiedenis. Ze vertelt welke films werden aangeboden, welke acteurs bezoekers moesten lokken en op welke uren men kon gaan kijken. Voor wie er ooit binnenstapte, kunnen die namen nog iets anders oproepen: de film waarvoor men afsprak, het gezelschap waarmee men ging, of een avond die langer is bijgebleven dan het verhaal op het scherm.


DE OUDE MOLEN OP DE STICHELSBERG - EEN STUKJE VERDWENEN GENK (TOEN GENCK, FOTO VAN VÓÓR 1910)

Updated

Een onverharde weg loopt tussen de hagen naar enkele huizen. De ondergrond is ongelijk, met sporen en kleine onregelmatigheden die bij een oude dorpsweg horen. Links gaat een woning gedeeltelijk schuil achter het groen. Verderop staat een gebouw met een opvallend patroon van donkere balken in de gevel. Rechts daarvan verheft zich een houten windmolen boven de begroeiing. Het is een eenvoudig straatbeeld, maar juist daardoor vertelt deze foto veel: ze toont een omgeving waarin wonen, werken en het landschap nog dicht bij elkaar lagen. Volgens de plaatsaanduiding bij deze opname zien we de Oude Molen van Genk, ook bekend als de Molen Vaes. Deze houten korenwindmolen stond op de Stichelsberg, aan de noordzijde van de huidige Schabartstraat, ter hoogte van nummer 7 aan de zijde van de Windmolenstraat, bij de Berglaan en de Hoogstraat. De molen wordt in de Belgische Molendatabase beschreven als een staakmolen. Op de foto valt vooral de hoge, houten molenkast op. De wieken tekenen zich af tegen de lucht, terwijl het onderste gedeelte gedeeltelijk achter de begroeiing verdwijnt. De molen staat duidelijk los van het gebouw ernaast. Samen vormen ze het herkenningspunt aan het einde van de weg. Er zijn geen voorbijgangers of voertuigen te zien. Daardoor gaat alle aandacht naar de gebouwen, de hagen en die grote houten constructie die boven het dagelijkse straatbeeld uitsteekt. De geschiedenis van de molen voert terug naar de negentiende eeuw. Arnold Vaes kreeg in 1868 toestemming voor de oprichting; het kadaster vermeldt de molen in 1870. Als bouwheer wordt de Genkse brouwer Jan Renier Theunissen genoemd. Zijn schoonzoon Martinus Vaes verwierf de molen in 1872. De familie Vaes verbond zo haar naam blijvend aan deze plek. Voor de mensen uit de omgeving was een korenmolen in de eerste plaats een werkplaats. Hier werd graan verwerkt tot meel, een grondstof die rechtstreeks verbonden was met het dagelijkse voedsel. Achter het vertrouwde silhouet van een windmolen ging zwaar en zorgvuldig werk schuil: zakken verplaatsen, het maalwerk bedienen en voortdurend rekening houden met de beschikbare wind. De rust van een foto laat dat werk nauwelijks zien. Ze bewaart de buitenkant, terwijl de bedrijvigheid binnen onzichtbaar blijft. Ook de weg verdient aandacht. Hij heeft geen strakke afboording en loopt vrijwel ongemerkt over in de begroeide bermen. De hagen schermen de erven af, maar sluiten het zicht niet helemaal af. Tussen het groen blijven daken, gevels en kale boomtakken zichtbaar. Het zijn zulke kleine bijzonderheden die een oude opname waardevol maken. Niet alleen een verdwenen gebouw wordt vastgelegd, maar ook de manier waarop een buurt eruitzag vóór latere heraanleg en bebouwing. De woning naast de molen op de foto is niet de molenaarswoning. De molenaarsfamilie Vaes woonde elders in het centrum van Genk.

Een tweede leven in Zonhoven

In 1910 verdween de Oude Molen uit Genk, maar daarmee eindigde haar bestaan nog niet. Pieter Jan Evers-Vaes liet haar overbrengen naar Zonhoven. Daar werd ze opnieuw opgericht aan de Klapstraat, op de hoek met de Herestraat in het gehucht Heuven. Ze raakte er bekend als de Molen Evers, of de Molen van Heuven. De kadastrale inschrijving van de heropbouw volgde in 1911. Zo kreeg dezelfde houten molen een plaats in het leven van een andere gemeenschap. Wat in Genk een vertrouwd herkenningspunt was geweest, werd in Zonhoven opnieuw een werkende korenmolen. Een dergelijke verhuizing maakt duidelijk dat een molen ook een waardevol bedrijfswerktuig was: de constructie kon worden afgebroken en elders weer worden opgebouwd. In Zonhoven ondervond Evers concurrentie van andere wind- en watermolens. In 1930 werd het malen met de windmolen stopgezet. Vijf jaar later, in 1935, volgde de afbraak. De maalderijactiviteit werd voortgezet met een elektrische installatie aan de Heuvenstraat, die door zoon Eduard Evers nog tot na 1966 werd uitgebaat.

X

vrijdag 30 oktober 2026

BOORSEM (TOEN BOORSHEIM) KANAAL'S BRUG (ZUID-WILLEMSVAART)

Ingekleurde versie (Op deze foto zijn personen verwijderd en een kar met paard wegens te slechte kwaliteit)


Updated (Op deze foto zijn personen verwijderd en een kar met paard wegens te slechte kwaliteit)

Originele Updated

Er hangt een rustige bedrijvigheid rond de kanaalbrug van Boorsem. Het is een beeld uit de tijd waarin de Zuid-Willemsvaart een vertrouwd onderdeel vormde van het dagelijkse dorpsleven. Bij draaibrug 4 vraagt iedere doorvaart om ruimte. Het beweegbare brugdek draait opzij, zodat de schepen de nauwe doorgang kunnen passeren. Het verkeer over land moet dan even wachten. Voor de bewoners was het een bekend tafereel: een geopende brug, een naderend schip en het water dat tegen de oevers klotst. Vooraan ligt een kleine stoomsleepboot, herkenbaar aan haar hoge schoorsteen en compacte bouw. Zulke sleepboten hielpen vrachtschepen zonder eigen motor vooruit. Achter de brug is een groter vrachtschip zichtbaar, met een lange romp die ruimte bood aan een flinke lading. Samen tonen ze hoe goederen vroeger over het kanaal werden vervoerd, toen veel binnenschepen nog afhankelijk waren van trekkracht van buitenaf. De sleepboot ligt dicht bij het geopende brugdek en het grotere schip sluit daarachter aan. Het beeld past bij een doorvaart waarbij voorzichtig gemanoeuvreerd moet worden. Of de sleepboot het achterliggende schip op dit precieze ogenblik daadwerkelijk sleept, is op de foto niet met zekerheid te zien: een duidelijke sleepverbinding is niet herkenbaar. Rechts staat een aanzienlijk huis met twee bouwlagen, een hoog pannendak en verschillende schoorstenen. De regelmatig geplaatste ramen kijken uit op het kanaal. Het gebouw geeft deze plek een herkenbaar gezicht en vormt een mooi tegenwicht voor de lage brug en de schepen op het water. Wie er destijds woonde en of het huis een functie bij de brug is niet bekend.

PS: Achter het laatste schip rechts ligt het Monnikhof, verscholen achter de boot.

X


HET MONNIKHOF VAN BOORSEM

 FOTO WORDT NOG GEPLAATST !!!


Wie de geschiedenis van het Maasland volgt, komt vroeg of laat bij het Monnikhof in Boorsem terecht. De oude hoeve, ook bekend als het Monnikhof, draagt een verleden met zich mee dat veel verder teruggaat dan de gebouwen die we vandaag herkennen. Achter de poort schuilt een verhaal van abdijbezit en landbouw, van schenkingen en betwiste gronden, van branden en wederopbouw. En zoals dat bij oude hoeven weleens gebeurt, kreeg ook hier de geschiedenis gezelschap van een sage.

Het is een plek waar de grote veranderingen van de streek op kleine schaal samenkomen. De invloed van de abdijen, het werk van opeenvolgende pachters, de verkoop onder het Franse bewind en later de druk op het Maaslandse landschap: het Monnikhof maakte het allemaal mee. Toch bleef de hoeve bestaan. De officiële erfgoedinventaris beschrijft haar als een bewaard gebouwencomplex met erfgoedwaarde. Wat ooit een economisch steunpunt van een kloostergemeenschap was, werd door de eeuwen heen ook een woonplek met een eigen, telkens veranderend verhaal.

Grond voor de abdij van Hocht

Voor de vroegste geschiedenis moeten we terug naar de dertiende eeuw. De abdij van Hocht, bij Lanaken, bezat in het Maasland gronden die haar inkomsten en landbouwproducten opleverden. Zulke bezittingen groeiden door aankopen en schenkingen. Soms speelden ook familiebelangen mee, waardoor een overdracht achteraf minder eenvoudig bleek dan ze aanvankelijk had geleken. Volgens de door P. Repriels beschreven oorkonden kocht de abdij op 4 maart 1230 van Diederik, heer van Altena, 57 bunder grond. De afgesproken prijs bedroeg 185 pond en 10 schellingen Luiks. Toen bevoegde schatters de grond nadien 60 pond lager waardeerden, betaalde Diederik dat verschil terug. De oude tekst verbindt die terugbetaling met de zorg voor zijn zielenheil en dat van zijn voorouders. In zulke akten stonden bezit en geloof dicht bij elkaar: een regeling over land kon tegelijk een geestelijke betekenis krijgen. Twintig jaar later kwam een oude aanspraak opnieuw aan het licht. Een akte van 3 augustus 1250 handelt over een geschil tussen Leonius, burggraaf van Brussel, en de abdis van Hocht. Een derde van de eerder verkochte grond behoorde toe aan de vrouw van Leonius, een zuster van Diederik van Altena. Om de onenigheid te beëindigen, schonken Leonius en zijn vrouw hun aandeel, met de opbrengsten ervan, aan de abdij. Zo werd volgens de aangehaalde akte ook het vrije bezit van dat deel verzekerd. Nog in 1250 volgde een andere belangrijke overdracht. Diederik, heer van Valkenburg, maakte samen met zijn vrouw Berta en zijn broer Engelbert, aartsdiaken te Luik, cijnsgoederen in Boorsem over aan Hocht. Die goederen waren verbonden aan een hofstede of cijnshof en omvatten volgens Repriels 36 bunder. Er bleef een jaarlijkse cijns van vijf Luikse denieren verschuldigd. Ook moest een vertegenwoordiger worden aangesteld voor bepaalde rechtszaken. Repriels zag in die hofstede de waarschijnlijke kern van het latere Monnikhof. Dat is een historische interpretatie van de akten, geen exact gedateerde stichting van de hoeve. De documenten tonen wel hoe de abdij in Boorsem een stevig grondbezit opbouwde. De precieze omvang in hedendaagse hectares laat zich uit deze oude oppervlaktematen niet zonder bijkomend onderzoek afleiden.

Een uithof tussen de velden

Het Monnikhof was een uithof, in de oude tekst een grangia genoemd: een plaats van waaruit gronden van een abdij werden uitgebaat. Het woord doet misschien aan een afgezonderd klooster denken, maar de betekenis was vooral praktisch. Hier kwamen landbouw, beheer en opslag samen. Een hoeve met haar akkers en weiden vormde een schakel in het grotere bezit van de abdij. De cisterciënzertraditie hechtte veel belang aan arbeid en aan een geordend beheer van de domeinen. Lekenbroeders konden daarbij een rol spelen. Repriels bracht de naam Monnikhof met zulke oorspronkelijke bewoners in verband. Hoe hun aanwezigheid in Boorsem precies verliep, vertelt het beschikbare materiaal echter niet van jaar tot jaar. De naam bewaart dus een herinnering, zonder dat hij ons een volledige bewonerslijst geeft. Na verloop van tijd werd de rechtstreekse uitbating op veel abdijdomeinen vervangen door pacht en andere vormen van grondgebruik. Ook voor het Monnikhof beschrijft Repriels een opeenvolging van pachters. Het dagelijkse boerenwerk bleef, terwijl de verhouding tussen de gebruikers van het land en de abdij veranderde. De hoeve bleef inkomsten opleveren voor Hocht, ook wanneer de bewoners zelf niet tot een kloostergemeenschap behoorden. De banden reikten over de grenzen van Boorsem heen. In Mechelen bezat Hocht eveneens verspreide percelen. De oudste goederenlijst van het zogenoemde Hochterlant die Repriels vermeldt, dateert uit 1456. Hij situeert gronden onder meer in het Opperveld, bij de Slak en de Hemelrijksweiden, en op de Hogenzavel. Sommige lagen gunstig ten opzichte van het Monnikhof; andere konden vanuit het Molenhof in Opgrimbie worden uitgebaat. Ook dat Molenhof was met Hocht verbonden. De aangeleverde tekst vermeldt er voor 1230 een schenking van een hofstede en 27 bunder grond. Zo verschijnt achter de afzonderlijke hoeve een netwerk van bezittingen. Wat voor de dorpsbewoners vertrouwde velden en plaatsnamen waren, maakte voor de abdij deel uit van een groter geheel van landbouwgronden, rechten en inkomsten.

De geliefden bij de waterput

Naast die geschiedenis van akten en grondbezit groeide een heel ander verhaal. Het Monnikhof werd het decor van een sage over twee geliefden. Ze werd volgens Repriels opgenomen in het Vlaams sagenboek van K. C. Peeters. Wie haar leest, hoort nog iets van de mondelinge verteltrant waarin zulke verhalen vroeger rondgingen. Volgens de overlevering woonde op het hof een baron. Zijn dochter werd verliefd op de zoon van de graaf van Rekem. Voor de graaf was dat geen passende verbintenis. Hij verzette zich tegen hun liefde en verhinderde dat de twee met elkaar zouden trouwen. In de wereld van de sage woog de rang van de familie zwaarder dan het geluk van de jonge mensen. Op het domein lag een diepe waterput. Daar vonden de geliefden volgens het verhaal samen de dood. Na de dood van de twee zou de familie van het meisje het hof hebben verlaten. De graaf zou het vervolgens aan de zusters hebben afgestaan, op voorwaarde dat zij iedere nacht bij de put voor de overledenen gingen bidden. Daarmee kreeg ook de band tussen het hof en de kloosterwereld een plaats in het volksverhaal. Maar de rust keerde volgens de vertellers niet terug. In het donker zouden witte gestalten op het domein zijn verschenen. Men hield ze voor de geesten van de geliefden. Het verhaal wil dat voorbijgangers de omgeving uiteindelijk meden en zelfs de zusters niet meer onbevreesd langs die plek durfden te gaan. De echte band met Hocht is ouder en wordt in de aangehaalde middeleeuwse akten heel anders verklaard. Toch heeft het volksverhaal zijn eigen waarde. Het laat zien hoe een oude hoeve in het geheugen van een streek meer kon worden dan een verzameling gebouwen. Een donkere doorgang, een diepe put en een naam die naar religieuzen verwees, konden genoeg zijn om generaties lang de verbeelding te voeden.

Vuur en wederopbouw

Het Monnikenhof kende ook gevaren waarvoor geen sage nodig was. Volgens Repriels werd de hoeve meermaals door brand getroffen. Rond 1650 zou de schade zo groot zijn geweest dat Maria de Robles, die hij als priorin aanduidt, het complex opnieuw liet optrekken. Boven de grote toegangspoort liet zij volgens zijn tekst haar wapenschild aanbrengen. De officiële bouwkundige beschrijving geeft hier een belangrijk aanknopingspunt. Ze dateert het gesloten hoevecomplex in het midden van de zeventiende eeuw en vermeldt boven de toegang een kalkstenen gevelsteen met het jaartal 1652. Die datering sluit aan bij de wederopbouw die Repriels rond 1650 situeert. Ze betekent niet dat de geschiedenis van het domein pas toen begon: de middeleeuwse bezittingen gingen eraan vooraf. Repriels vermeldt opnieuw brandschade in 1848 en 1889. Over de oorzaken, de precieze omvang en eventuele slachtoffers geven de bladzijden geen nadere informatie. Wel tonen de terugkerende branden hoe vaak een oud hoevecomplex moest worden hersteld en aangepast. Het gebouw dat een volgende generatie overnam, was telkens ook het resultaat van het werk van haar voorgangers. In het bewaarde complex zijn verschillende bouwfasen herkenbaar. De inventaris beschrijft een bakstenen hoeve rond een erf, met een poortgebouw en een schuur aan de achterzijde. Sommige openingen werden later gewijzigd. De gebouwen vertellen daardoor geen verhaal van één enkel bouwjaar, maar van langdurig gebruik. Een muur bleef staan, een toegang veranderde, een vleugel kreeg een andere inrichting. Zo groeide de hoeve mee met de behoeften van haar bewoners.

Van abdijbezit naar particuliere eigendom

Onder het Franse bewind kwam een einde aan de oude eigendomsverhouding met de abdij. Volgens Repriels werd de hoeve aangeslagen en openbaar verkocht aan Adriaan Hensch van de Zangerije. Voor het hof en 86 bunder akkerland noemt hij een bedrag van 68.000 frank. De aangeleverde bladzijden geven geen precieze verkoopdatum. Voor de bewoners van een landbouwstreek kreeg zo'n machtswisseling een heel concrete betekenis. De grond bleef dezelfde grond en de seizoenen bleven het werk bepalen, maar achter de pacht en het eigendom stonden andere mensen en andere rechten. Wat eeuwenlang tot een abdijdomein had behoord, ging een particulier bestaan tegemoet. Aan het einde van zijn bijdrage noemt Repriels de heer Neven uit Tongeren als eigenaar en de heer Castermans als pachter. Die vermelding hoort bij het moment waarop hij schreef in 1986.

Een oude hoeve in een veranderend Maasland

Repriels schreef zijn bijdrage vanuit een duidelijke bezorgdheid. De voortschrijdende kiezelwinning kon volgens hem het voortbestaan van het Monnikenhof bedreigen. Alleen al zijn titel maakte van de hoeve een erfgoedvraagstuk. Het ging om meer dan oude stenen: met het verdwijnen van zo'n plaats dreigde ook een herkenbaar deel van het plaatselijke verleden verloren te gaan. Het landschap rond een oude hoeve blijft zelden eeuwenlang hetzelfde. De huidige nabijheid van de Zuid-Willemsvaart, die ook de erfgoedinventaris vermeldt, herinnert eraan dat het domein nieuwe buren en nieuwe verbindingen kreeg. Het Monnikhof bleef intussen zijn naam dragen, ook toen het gebruik van de gebouwen veranderde. Dat het complex bewaard bleef, geeft aan de oude bezorgdheid een bijzonder vervolg. De bouwkundige inventaris uit 1996 beschreef een kort voordien uitgevoerde grondige restauratie. Daarbij was ook zichtbaar dat vroegere hoevedelen als woning waren ingericht. De landbouwgeschiedenis bleef afleesbaar, terwijl de gebouwen een nieuwe woonfunctie kregen. De inventaris vermeldt vandaag nog een bewaarde hoeve met aanwezige erfgoedwaarde. De geschiedenis van deze prachtige hoeve ligt verspreid over middeleeuwse akten, oude bouwdelen, verhalen van pachters en de herinneringen die mensen aan het domein bewaren. Elke generatie kende de hoeve op haar eigen manier. Voor de ene was ze een werkplek, voor de andere een woning, voor weer een andere het decor van een verhaal dat men liever niet in het donker vertelde. Zo blijft het Monnikhof een herkenbare plaats in het geheugen van Boorsem. De gevelsteen draagt een jaartal, de naam verwijst naar het oudere abdijverleden en de sage bewaart de verbeelding van de streek. Achter de poort ligt een geschiedenis die begon lang voordat de huidige bewonersnamen bekend waren, en die met elke zorgvuldig bewaarde herinnering verder wordt aangevuld.

Een nieuw hoofdstuk voor het Monnikhof

In 1992 kochten voetballegende Eric Gerets en zijn toenmalige echtgenote Ria hun droomwoning: het historische Monnikhof aan de Zuid-Willemsvaart in Boorsem. De eeuwenoude hoeve onderging vervolgens een grondige renovatie, die eind jaren negentig werd afgerond. ‘De Leeuw van Rekem’, die met PSV de Europacup I won en een van de sterkhouders was van de Rode Duivels op het WK van 1986, gaf daarmee een nieuwe toekomst aan deze bijzondere plek. Waar ooit het boerenleven zijn dagelijkse ritme kende, begon een nieuw hoofdstuk, met respect voor het verleden. Zo bleef het Monnikhof een vertrouwd baken in het Boorsemse landschap, waarin eeuwen geschiedenis verder leven.

X

donderdag 29 oktober 2026

EEN HOOIWAGEN ONDER DE ROOK VAN MAASTRICHT '40-'45

Updated

Een paard voor een hooggeladen hooiwagen, straatstenen onder de hoeven en daarachter donkere rook boven de Maastrichtse fabrieksgebouwen. Het is een beeld waarin het dagelijkse werk en de dreiging van vernieling dicht bij elkaar komen. Op de voorgrond ligt de oogst, hoog opgestapeld en in losse plukken over de randen van de wagen hangend. Verderop verspreidt een brede rookwolk zich boven de daken. Voor een boerenbedrijf vertegenwoordigde zo’n volle wagen een kostbare voorraad. Hooi was nodig om de dieren tijdens de wintermaanden te voeden. Maaien, drogen, keren en binnenhalen vergden veel arbeid en waren sterk afhankelijk van het weer. Zodra het hooi voldoende droog was, moest het worden opgeladen en opgeborgen. Ook in oorlogstijd bleef dat werk noodzakelijk. De dieren moesten worden verzorgd en de wintervoorraad moest worden aangevuld, ondanks alle onzekerheid. Achter dit landelijke tafereel ligt de industriële wereld van de Maastrichtse papierfabriek. Haar geschiedenis begon in 1850 met de oprichting van Lhoest, Weustenraad & Cie. Vanaf 1851 verrezen de eerste fabrieksgebouwen op een deel van het voormalige terrein van de Commanderij Nieuwen Biesen. In mei 1852 begon de papierproductie met twee machines. De ligging bij het Bassin, de kanalen en de Maas bood gunstige mogelijkheden voor de aanvoer van grondstoffen en het vervoer van het afgewerkte papier. In 1875 kreeg de onderneming de naam Koninklijke Nederlandse Papierfabriek, doorgaans afgekort tot KNP. In Maastricht stond de fabriek bekend als ’t Lommelefebrik. Die bijnaam verwees naar de lompen die aanvankelijk een belangrijke grondstof voor papier waren. Afgedankte stoffen werden er verwerkt tot een nieuw product. De onderneming groeide uit tot een belangrijke werkgever en werd een herkenbaar onderdeel van het stadsbeeld. Enkele gebouwen uit de uitbreidingsperiode van 1859 tot 1861 behoren tot het bewaard gebleven industriële erfgoed rond het Bassin.  Op de foto komen landbouw en industrie dicht bij elkaar. Een paard en een houten wagen passeren een omgeving van schoorstenen en fabriekshallen. Het herinnert aan een tijd waarin dergelijke vormen van vervoer nog vanzelfsprekend deel uitmaakten van het straatbeeld, ook in een industriestad. De opname dateert uit de oorlogsjaren 1940–1945. Een precieze datum en een bevestigde verklaring voor de rook ontbreken echter. Wel staat vast dat de directe omgeving van de papierfabriek tijdens de oorlog zwaar door een bombardement werd getroffen. Op 18 augustus 1944 probeerden Amerikaanse bommenwerpers de spoorbrug over de Maas te vernietigen. De brug werd niet uitgeschakeld, maar de omliggende woonbuurten en bedrijven werden zwaar geraakt. Deze dag ging in de Maastrichtse geschiedenis de boeken in als Zwarte Vrijdag. Bij de herdenking wordt gesproken van 101 dodelijke slachtoffers. Ongeveer vijftienhonderd mensen verloren hun onderkomen.  Vlak naast de papierfabriek lag het Quartier Amélie, een arbeiderswijkje dat tussen de fabriek, de spoorlijn Maastricht–Hasselt en de Maas was ingeklemd. In de volksmond heette het Krejje Dörrep, naar de sintels waarmee de straten waren verhard. Het bombardement verwoestte het buurtje grotendeels. Slechts een rij van elf woningen aan de Fransensingel bleef voorlopig behouden. Ook aan de overkant van de Maas was de schade groot. Daar werden onder meer het Roed Dörrep, de Maastrichtse Zinkwit Maatschappij en tegelfabriek REMA getroffen.  De oorlogsschade lag dus tot vlak bij KNP. Dat maakt een verband tussen de rook op de foto en het bombardement van 18 augustus 1944 denkbaar, maar daarmee is het nog niet bewezen. De verwoesting van naburige woningen en fabrieken bevestigt evenmin dat de papierfabriek zelf rechtstreeks werd getroffen. Zonder een betrouwbare datering of een oorspronkelijke archiefbeschrijving blijft onbekend welke brand hier te zien is. Voor het Quartier Amélie betekende het bombardement het begin van het definitieve verdwijnen. De zwaar beschadigde woningen werden grotendeels gesloopt. In 1947 werd het terrein met de resterende huizen aan KNP verkocht. Later maakten ook die woningen plaats voor uitbreiding van de papierfabriek. In 1955 verrees hier een nieuwe warmtekrachtcentrale, die het aanzicht van het complex aan de Maaszijde blijvend veranderde.  Ook de spoorbrug ontkwam uiteindelijk niet aan vernietiging. Nadat het Amerikaanse bombardement haar niet had uitgeschakeld, bliezen terugtrekkende Duitse troepen de brug in de nacht van 7 op 8 september 1944 op. De rivierovergang was van groot militair belang en werd daardoor een gevaarlijke plaats voor iedereen die er in de omgeving woonde en werkte. Tegen die historische achtergrond krijgt de foto haar bijzondere zeggingskracht. Over de identiteit van de voerman, zijn bestemming en de oorzaak van de rook weten we vooralsnog weinig met zekerheid. Toch brengt het beeld iets tastbaars dichtbij: het werk dat moest worden voortgezet, terwijl de omgeving door onzekerheid werd beheerst.

PS: Aanzienlijk méér Nederlanders stierven door bombardementen van bevriende geallieerde vliegers dan door bommen uit Duitse vliegtuigen. Piloten schenen niet in staat te zijn precies vast te stellen wanneer zij boven Nederlands gebied vlogen of waren niet in staat precisiebombardementen uit te voeren. Ook kwam het herhaaldelijk voor dat zij hun overtollige bommenlast boven Nederlandse dorpen en steden lieten vallen.

X

LANAKEN – TOEN DE STOOMTRAM HET MAASLAND VERBOND

Ingekleurde versie

Updated

Er was een tijd waarin het ritme van het reizen in Lanaken werd bepaald door het geratel van wielen op spoorstaven en de komst van een kleine stoomlocomotief. De buurttram bracht dorpen dichter bij elkaar en maakte verplaatsingen mogelijk waarvoor mensen voordien aangewezen waren op hun voeten, een paard of een koets. Lanaken kreeg daarbij een bijzondere plaats: hier kwamen verbindingen naar Tongeren, Maaseik en Maastricht samen. De oude foto herinnert aan die verdwenen vervoerswereld. We zien een locomotief met een grotendeels omsloten bovenbouw, gefotografeerd naast gebouwen en een begroeide spoorberm. Het locomotiefnummer, de opnamedatum en de precieze standplaats zijn op basis van deze foto niet met zekerheid vast te stellen. Het beeld kan dus het verhaal van de Lanaker buurttram illustreren, maar laat geen sluitende identificatie van deze afzonderlijke machine toe.

De komst van de buurtspoorweg

Op 15 mei 1897 werd de buurttramlijn tussen Tongeren en Lanaken geopend. Het traject liep via onder meer Riemst, Vroenhoven, Kesselt en Veldwezelt. Daarmee kreeg Lanaken een rechtstreekse tramverbinding met Tongeren en de tussenliggende dorpen. Begin 1898 volgde de aansluiting naar Tournebride. De lijn maakte deel uit van het Belgische buurtspoorwegnet, dat kleinere plaatsen ontsloot voor reizigers en goederen.  Een tweede belangrijke stap volgde op 7 januari 1898, toen de verbinding van Maastricht via Smeermaas en Tournebride naar Eisden openging. Op 15 juni 1898 kwam ook het baanvak tussen Eisden en Maaseik in dienst. Zo ontstond langs het Maasland een doorgaande verbinding die Lanaken met de dorpen in het noorden en met Maastricht verbond. De spoorwijdte bedroeg één meter: smaller dan het gewone spoorwegnet. De betekenis daarvan reikte verder dan de rails alleen. Een bezoek aan de markt, een familiebezoek of het vervoer van goederen kon voortaan deel uitmaken van een geregelde verbinding. De buurttram hielp een streek ontsluiten waarin verplaatsingen voor veel inwoners lang moeizaam waren gebleven. 

Tournebride als ontmoetingspunt

Tournebride groeide uit tot een belangrijk punt in het plaatselijke tramnet. Hier kwamen de lijnen uit de richting van Tongeren en van Maaseik–Maastricht samen en bevond zich een stelplaats. Ook de vroegere buurtspoorverbinding naar Zutendaal en Waterschei sloot op deze vervoerswereld aan. In Lanaken bewaart het Tramstraatje nog een herinnering aan dat verdwenen tracé. 

Over de naam Tournebride wordt dikwijls verteld dat hier de paarden van een paardentram werden omgekeerd. Spoorhistorisch onderzoek spreekt die verklaring tegen: er heeft hier geen paardentram gereden. De naam is ouder dan de rails en wordt in verband gebracht met het verkeer van postkoetsen in de achttiende eeuw. De stoomtram kwam er pas aan het einde van de negentiende eeuw. 

Een verbinding die ook grenzen kende

De tram verbond het Belgische Maasland met Maastricht, maar die grensoverschrijdende functie bleek kwetsbaar in oorlogstijd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het verkeer op de verbinding via Smeermaas onderbroken. In het voorjaar van 1919 kon het opnieuw worden hervat. Op 10 mei 1940 volgde een nieuwe onderbreking. Een beperkte heropening voor goederenvervoer in 1943 bracht geen duurzaam herstel: in juli van dat jaar eindigde het verkeer op het traject Tournebride–Smeermaas–Maastricht definitief. Zo verdween een verbinding die sinds 1898 deel had uitgemaakt van het dagelijkse verkeer tussen beide zijden van de grens.

Van stoom naar motortram

De geschiedenis van de buurttram in Lanaken was niet uitsluitend een geschiedenis van stoom. Vanaf de jaren dertig verschenen ook motortrams, de zogenoemde autorails. Zij konden zonder afzonderlijke stoomlocomotief rijden en veranderden het uitzicht en de exploitatie van de reizigersdienst. Verschillende van deze voertuigen reden op de verbindingen tussen Maaseik, Lanaken en Tongeren. Zelfs kort voor de opheffing werd nog vernieuwd. In 1951 kwamen nieuwe aanhangrijtuigen in dienst voor Maaseik–Tongeren. Hun rood-crèmekleurige beschildering moest een moderner beeld geven. Voor een groot deel van het materieel was Lanaken-Tournebride de thuisbasis. Die vernieuwing kon het verdwijnen van de tram echter niet voorkomen. Op 1 september 1954 vervingen bussen de gewone reizigersdienst. Enkele schoolritten tussen Lanaken en Tongeren bleven voorlopig behouden, tot ook die op 24 december 1954 eindigden.  Op de verbinding Tongeren–Lanaken bleef daarna nog korte tijd goederenvervoer bestaan. Dat eindigde op 4 mei 1955. Daarmee sloot ook daar het hoofdstuk van de buurtspoorweg. 

Vandaag maakt zo’n oude opname vooral zichtbaar hoe tastbaar die vervoersgeschiedenis was. Achter dat ene beeld schuilt een netwerk dat bijna zestig jaar lang mee de bereikbaarheid van Lanaken bepaalde.

DE FOTO'S: Lanaken – vermoedelijk een Garratt-stoomtramlocomotief van de NMVB, type 23, circa 1930–1954. Digitaal gerestaureerd en ingekleurd op basis van historische kleurgegevens. Exacte opnamedatum en locomotiefnummer onbekend.

        X






woensdag 28 oktober 2026

UIKHOVEN - DIJKVERSTERKING TIJDENS EEN BRES IN DE DIJK DECEMBER 1993

Updated

met man en macht tegen het Maaswater

Een vrachtwagen vol zandzakken, brandweerlieden in het water en een Maas die dreigend hoog tegen de oever staat. Deze foto toont de strijd om Uikhoven te beschermen tijdens het hoogwater van december 1993. Langs de huizen wordt zwaar werk verricht: zandzakken worden aangevoerd, doorgegeven en neergelegd om de waterkering te versterken. Achter de rij zandzakken lagen woningen en leefde de onzekerheid over wat de komende uren zouden brengen. De noodsituatie maakte deel uit van een uitzonderlijke overstromingsperiode in het Maasbekken. Volgens het Koninklijk Meteorologisch Instituut behoorden de overstromingen van december 1993 tot de zwaarste uit de recente Belgische geschiedenis. Uitzonderlijk overvloedige regenval, vooral in de Ardennen, voedde de rivieren en deed het water sterk stijgen. In Dohan werd die maand bijvoorbeeld 436,7 millimeter neerslag gemeten. Ook de metingen stroomopwaarts illustreren de omvang van het hoogwater. Op 22 december bereikte de Maas bij Borgharen een waterstand van 45,90 meter boven NAP. Het KNMI vermeldt voor deze hoogwaterperiode een toenmalige recordafvoer van 3.120 kubieke meter water per seconde. Dat cijfer plaatst de werkzaamheden in Uikhoven in hun ruimere context: langs de Maas moesten mensen zich wapenen tegen een uitzonderlijke hoeveelheid water. Op de foto wordt die dreiging tastbaar. De werkruimte tussen de bebouwing en de rivier is smal. Brandweerlieden dragen helmen en beschermende jassen; hun laarzen staan in het water. Op en naast de vrachtwagen worden zandzakken verplaatst. Andere aanwezigen volgen de werkzaamheden langs de oever. De opname legt een gezamenlijke inspanning vast, zak na zak, op een plaats waar elke versterking telde. De angst beperkte zich niet tot Uikhoven. Het KMI beschrijft hoe in Maaseik en omgeving ongeveer 1.600 mensen moesten worden geëvacueerd en kerstavond bij familie of in opvangcentra doorbrachten. Die regionale gebeurtenissen tonen hoe ingrijpend het hoogwater voor het Maasland was.  De hoogwaters van 1993 en 1995 vormden later een keerpunt in de bescherming van de Maasvallei. De deels open dijkstructuren maakten plaats voor doorgaande waterkeringen aan beide zijden van de rivier. De noodmaatregelen op deze foto behoren daarmee tot een periode die het latere landschap en waterbeheer mee heeft bepaald. Deze opname bewaart vooral het menselijke gezicht van de watersnood: mensen die in moeilijke omstandigheden bleven werken om hun omgeving te beschermen. Uikhoven ging de duisternis tegemoet, met de hoop dat het werk aan de dijk voldoende zou zijn.

X

GENK EUROPALAAN

Updated

Een vertrouwd beeld voor wie het Genk van vroeger nog heeft gekend: de brede Europalaan, met haar vele rijstroken, verkeerslichten en zwart-gele palen. Auto’s en bestelwagens doorkruisen het centrum, terwijl fietsers en voetgangers hun weg zoeken langs de oversteekplaatsen. Deze opname, vermoedelijk uit de late jaren tachtig of de vroege jaren negentig, toont een alledaags moment in het stadsleven.

X



BOORSEM - EEN NIEUWE KAP VOOR DE "STORMVOGEL" 2011



3 Foto's updated

Boorsem, februari 2011. Hoog boven de werf hangt de nieuwe kap van de Stormvogel aan de kraan. Beneden wordt voorzichtig gewerkt, boven krijgt de oude molen stilaan zijn vertrouwde vorm terug. Een bijzonder moment voor een stukje dorpsgeschiedenis dat al sinds 1858 bij Boorsem hoort. De Stormvogel had toen al heel wat doorstaan. Tijdens een najaarsstorm in 1963 raakten de wieken zwaar beschadigd. Begin jaren zeventig maakte de toenmalige molenaar Martinus Gielen eigenhandig een nieuwe kap. Dankzij zijn vakmanschap kon er vanaf het midden van die jaren opnieuw gemalen worden. Na zijn overlijden volgden lange jaren van stilstand en verval. Met eigenaar Roberto Bemelmans kwam er weer beweging in het verhaal. Zes jaar voorbereiding en studiewerk gingen aan de plannen vooraf. De molen kreeg een nieuwe bestemming, met veertien kamers en een restaurant, en ook het herstel van de molen zelf kreeg stap voor stap vorm. Voor de nieuwe kap kwam een gespecialiseerde firma uit Erpe-Mere naar onze streek. De onderdelen werden naar het industrieterrein Oude Bunders gebracht en daar samengebouwd. Wat op deze foto’s in enkele uren lijkt te gebeuren, was het resultaat van jarenlang plannen, voorbereiden en werken. En dan was het zover: de kap mocht naar boven. Voor de eigenaar een droom die zichtbaar werkelijkheid werd, voor Boorsem een vertrouwd herkenningspunt dat opnieuw wat van zijn oude waardigheid terugkreeg.

X



dinsdag 27 oktober 2026

UIKHOVEN GRINDERIJ KOMATCO

Updated
De grinderij van Uikhoven, met haar hoge constructies, trechters en transportbanden. Een herinnering aan de grindnijverheid in de Maasvallei.

Aan de rand van Uikhoven, in een landschap dat eeuwenlang door de Maas werd gevormd, herinnert deze indrukwekkende installatie aan een andere kant van het dorpsverleden. Tussen de velden, de rivier en de vertrouwde dorpsstraten maakte ook de grindnijverheid deel uit van het Maaslandse landschap. De foto toont een geheel van hoge metalen constructies, transportbanden, trechters en werkplatformen. Het is een beeld van een wereld waarin zand en grind, ooit door de Maas afgezet, werden verwerkt tot grondstoffen voor de bouw. De installatie geeft een indruk van de schaal waarop dat werk in de loop van de twintigste eeuw werd uitgevoerd.

Foto: Jos Pruissen

Grind uit de bedding van de Maas

Wie vandaag door de Maasvallei wandelt, ziet een landschap van dorpen, akkers, water en groene oevers. Onder die bodem ligt een veel ouder verhaal verborgen. Gedurende zeer lange perioden voerde de Maas zand, grind en andere gesteenten mee. Wanneer de kracht van het water afnam, bleven die materialen achter. Zo ontstonden in de Maasvallei uitgestrekte grindlagen.  Voor de mensen uit de streek waren die stenen geen onbekend verschijnsel. Maaskeien werden al eeuwenlang op kleine schaal verzameld en gebruikt, onder meer voor wegen en gebouwen. Op sommige plaatsen lagen de grindlagen dicht genoeg onder de oppervlakte om ze betrekkelijk gemakkelijk te bereiken. In de twintigste eeuw veranderde de winning van karakter. De vraag naar zand en grind nam toe en de ontginning gebeurde steeds meer met machines. Tussen ongeveer 1920 en 1960 werd op veel plaatsen langs de Gemeenschappelijke Maas grind uit de rivierbedding gehaald. Vooral na de Tweede Wereldoorlog werd de winning sterk opgevoerd. Later verschoof een deel van de ontginning naar de gronden langs de rivier.

Een installatie vol bedrijvigheid

Op de foto gaat de aandacht meteen naar de hoge centrale constructie. Van daaruit lopen transportbanden in verschillende richtingen. Onder de installatie staan grote trechters, waarin materiaal kon worden opgevangen. Het geheel vormt een indrukwekkend netwerk van staal, steunbalken en loopbruggen. In een grindverwerkingsinstallatie werd het aangevoerde materiaal doorgaans gewassen en op korrelgrootte gesorteerd. Transportbanden brachten het zand en grind naar verschillende onderdelen van de installatie; zeven en trechters hielpen om de fracties van elkaar te scheiden. Zo kon het materiaal verder worden gebruikt voor onder meer beton, wegen en andere bouwwerken. De precieze werking van ieder zichtbaar onderdeel op deze foto is zonder technische gegevens van de installatie niet met zekerheid vast te stellen. Het terrein op de voorgrond ligt er op het moment van de opname rustig bij. Er zijn geen werknemers duidelijk herkenbaar. Toch roept de foto het werk op dat bij zo’n bedrijf hoorde: machines bedienen, installaties onderhouden, materiaal controleren en zorgen dat zand en grind hun bestemming bereikten. Achter de grote constructie ging een dagelijkse wereld van vakkennis en handenarbeid schuil.

Uikhoven en de grindbedrijven

Uikhoven was van oorsprong een landbouwersdorp, nauw verbonden met de Maas en de omliggende gronden. Naast die landelijke geschiedenis kreeg ook de grindwinning een plaats in het dorpsleven. De namen van grindbedrijven en grindplassen bleven voor veel inwoners herkenbare begrippen. Uit een parlementair document uit 1980 blijkt dat NV Komatco en NV Van Roosmalen toen in Uikhoven gevestigd waren. Een latere inventaris van grindbedrijven noemt daarnaast onder meer de Mineraalbewerkingsindustrie en NGM-NP in Uikhoven. Welke onderneming precies op deze foto te zien is, kan op basis van de beschikbare informatie niet betrouwbaar worden vastgesteld.  Hoe sterk de grindontginning met het dorp verbonden was, blijkt ook uit de naam van een plaatselijk feest. Volgens een herinnering van Roger Aelbers kregen de Kiezelfeesten hun naam omdat er in Uikhoven grind werd ontgonnen. Zo vond een grondstof uit de Maasvallei zelfs haar weg naar het verenigingsleven van het dorp. 

Een landschap dat veranderde

De grindwinning bracht grondstoffen voort die elders hun weg vonden naar de bouw, maar ze liet ook zichtbare sporen achter in het Maaslandse landschap. Waar zand en grind werden uitgegraven, ontstonden op verschillende plaatsen diepe plassen. Uiterwaarden en landbouwgronden veranderden van uitzicht en gebruik. Niet elke grindplas bleef bestaan. In een bijdrage in het LIKONA-jaarboek wordt beschreven dat onder meer de plas Uikhoven-Komatco werd opgevuld met baggerspecie afkomstig van de verbreding van het Albertkanaal. Het is een voorbeeld van hoe een plaats na de ontginning opnieuw kon veranderen. De invloed op landschap en natuur leidde ook tot vragen over de toekomst van de grindwinning. In Vlaanderen werd in 1993 een grinddecreet opgesteld om de winning af te bouwen. De geschiedenis van het Maasgrind gaat daardoor niet alleen over nijverheid en grondstoffen, maar ook over de manier waarop de streek met haar rivier en open ruimte is omgegaan. 

Een herinnering aan een werkend Maasland

Deze foto van de grinderij toont geen dorpsstraat of herkenbare kerk, maar een landschap van staal en machines. Toch hoort ook dat beeld bij het verleden van Uikhoven. Het vertelt over een tijd waarin de rijkdom onder de Maaslandse bodem op grote schaal werd benut en waarin de rivier, ook buiten haar bedding, het leven in de streek mee vormgaf. De transportbanden, trechters en hoge constructies herinneren aan een wereld die voor wie er werkte of in de buurt woonde deel uitmaakte van het dagelijkse uitzicht. Voor latere generaties is de foto een uitnodiging om dat minder bekende industriële verleden opnieuw te bekijken: een stukje Uikhoven waarin de geschiedenis van de Maas, het landschap en het werk samenkomen.

X


MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) - DODENDRAAD TIJDENS DE DUITSE BEZETTING '14-'18 SCHALTHAUS P 2 (HOOGSPANNINGSCABINE REGIO MAAS)

Updated

Mechelen aan de Maas, tijdens de Eerste Wereldoorlog. We zien het Duitse schakelhuis P 2 bij de Maas, verbonden met de elektrische grensversperring die bekendstond als de Dodendraad. De exacte opnamedatum en locatie zijn niet bevestigd. De foto werd digitaal gerestaureerd; kleine details, waaronder het gezicht, zijn deels gereconstrueerd.

Een houten huisje aan de Maas, verbonden met een dodelijke grens

Aan de oever van de Maas staat een eenvoudig houten gebouw. Ervoor zien we een kleine verhoging met een trap en een leuning. Een man bevindt zich bij de ingang. Op de achtergrond ligt het water, met daarachter een rij kale bomen. Houten palen en draden doorsnijden het landschap. Het beeld oogt rustig, maar het gebouw herinnert aan een bijzonder donkere bladzijde uit de geschiedenis van het Maasland. Volgens de benaming bij de foto gaat het om Schalthaus P 2, een Duits schakelhuis dat verbonden was met de elektrische grensversperring die tijdens de Eerste Wereldoorlog bekend werd als de Dodendraad.

De oorlog bereikt het grensgebied

In augustus 1914 viel Duitsland België binnen. Terwijl grote delen van België onder Duitse bezetting kwamen, bleef buurland Nederland neutraal. Voor veel Belgen kreeg de grens daardoor een bijzondere betekenis: aan de andere kant lag een land waar geen Duitse bezetter heerste. Mensen probeerden om uiteenlopende redenen Nederland te bereiken. Sommigen wilden aan de bezetting ontsnappen of familie bezoeken. Anderen wilden berichten en inlichtingen overbrengen, goederen smokkelen of via Nederland verder reizen om zich bij het Belgische leger aan te sluiten. Voor de Duitse bezetter was het moeilijk om het lange grensgebied voortdurend te bewaken. Daarom werd vanaf 1915 op verschillende plaatsen begonnen met de aanleg van een elektrische versperring. Die kwam niet overal tegelijkertijd tot stand. Sommige stukken werden later aangelegd of pas maanden na de bouw onder spanning gezet. Langs delen van de Maas gebeurde de aanleg later dan op andere plaatsen; voor Geistingen en Ophoven wordt bijvoorbeeld het midden van 1916 genoemd.

Een grens onder hoogspanning

De Dodendraad was meer dan een gewone omheining. Tussen houten palen waren meerdere metalen draden gespannen. Die werden met isolatoren aan de palen bevestigd. Op de elektrische versperring stond doorgaans een spanning van ongeveer 2.000 volt. Aan weerszijden stonden op veel plaatsen bijkomende afsluitingen om mensen en dieren van de stroomdraden weg te houden. De constructie en de omstandigheden verschilden van plaats tot plaats. Langs de draad stonden waarschuwingsborden en er werd gepatrouilleerd. De bezetter richtte daarnaast een bewaakt grensgebied in, waar de bewegingsvrijheid van de bevolking sterk werd beperkt. Aan de Maas vormde niet alleen het water een grens. Ook langs de Belgische oever bevond zich een elektrische draadversperring. Het vertrouwde rivierlandschap werd daardoor onderdeel van een militair bewaakte zone. 

Het schakelhuis aan het water

Het houten gebouw op de foto wordt aangeduid als een Schalthaus: een Duits schakelhuis. Dergelijke huisjes stonden op verschillende plaatsen langs de versperring. Ze boden plaats aan elektrische apparatuur en konden ook als wachtlokaal voor grenswachters dienen. Via schakelaars konden delen van de versperring worden bediend of stroomvrij worden gemaakt.  De elektriciteit kwam via hoogspanningsleidingen naar de schakelhuizen en werd van daaruit naar delen van de grensdraad geleid. Voor een deel van de versperring aan de Maas en in Noord-Limburg werd stroom geleverd vanuit de buskruitfabriek Cooppal in Kaulille. Daar werd de spanning met een transformator verhoogd. Of dit specifieke huisje op de foto door die installatie werd gevoed, is met de beschikbare gegevens niet vastgesteld.  Op de foto zijn draden en palen zichtbaar rond het gebouw. Niet iedere zichtbare draad kan echter met zekerheid als een deel van de eigenlijke Dodendraad worden aangeduid: er waren in dit systeem ook voedings- en andere verbindingen.

De gevolgen voor de mensen uit de streek

Voor de bewoners van de grensstreek veranderde de draad het dagelijkse leven ingrijpend. Contacten met familie en kennissen aan de andere kant van de grens werden moeilijker. Ook landbouwers, handelaars en anderen die gewoon waren zich in het grensgebied te verplaatsen, kregen met controles en verboden zones te maken. De versperring volgde bovendien niet overal precies de landsgrens. Op sommige plaatsen werd Belgisch grondgebied tussen de draad en Nederland afgesneden van de rest van het bezette land. Bewoners konden daardoor in een bijzonder moeilijke situatie terechtkomen. Ondanks het gevaar bleven mensen proberen de grens over te steken. Daarbij vielen dodelijke slachtoffers, onder wie burgers en mensen die anderen hielpen bij hun overtocht. Ook Duitse militairen kwamen bij de versperring om het leven. De Dodendraad werd zo niet alleen een symbool van de scheiding tussen twee landen, maar ook een voortdurende bedreiging voor wie in de buurt woonde of werkte. 

Een stille getuige van een beladen verleden

Vandaag is het moeilijk voor te stellen dat dit rustige Maaslandschap ooit deel uitmaakte van een grensgebied onder hoogspanning. Het houten huisje lijkt op het eerste gezicht eenvoudig en onopvallend, maar het hoorde bij een systeem van controle dat diep ingreep in het leven van de bewoners. De foto bewaart een beeld van de oorlog zoals die zich ook ver van de loopgraven liet voelen: langs de rivier, tussen de bomen en bij de dorpen waar mensen voorheen gewend waren om over en weer te gaan. Na de wapenstilstand van 11 november 1918 verdween de Duitse bezetting en werd de elektrische grensversperring afgebroken. Wat bleef, waren de herinneringen aan een tijd waarin de grens langs de Maas niet zomaar een lijn op de kaart was, maar een plaats van bewaking, gevaar en afscheid. 

X


NEERHAREN (TOEN NEERHAEREN) - DODENDRAAD MET HOOGSPANNINGSCABINE TIJDENS DE DUITSE BEZETTING 14-18

Updated (Op deze foto is een soldaat verwijderd wegens te slechte kwaliteit die links stond naast de cabine op de achtergrond, zie bij de originele foto)

Originele foto
NEERHAREN (TOEN NEERHAEREN) – Een houten hoogspanningscabine aan de Maas, verbonden met de Dodendraad tijdens de Duitse bezetting in de Eerste Wereldoorlog. De opname toont een man bij de ingang en een fiets op het verhoogde houten platform.

Een hoogspanningscabine als stille getuige van de Eerste Wereldoorlog

Aan de rand van de Maas, te midden van een rustig landschap, staat een eenvoudig houten gebouwtje. Een man poseert in de deuropening. Naast de verhoogde houten toegang staat een fiets, klaar om weer te vertrekken. Op het eerste gezicht lijkt het een alledaags tafereel uit een lang vervlogen tijd. Toch vertelt deze foto een veel donkerder verhaal. Het gaat om Neerharen, destijds ook geschreven als Neerhaeren, tijdens de Duitse bezetting van 1914–1918. Het houten gebouw wordt omschreven als een hoogspanningscabine die verband hield met de beruchte Dodendraad: de elektrische versperring waarmee de Duitse bezetter grote delen van de grens tussen België en Nederland afsloot. De foto brengt ons terug naar een tijd waarin de Maasstreek, ver van de loopgraven aan de IJzer, toch dagelijks met de gevolgen van de oorlog werd geconfronteerd.

Een grens tussen oorlog en vrede

Toen Duitsland in augustus 1914 België binnenviel, veranderde het leven in ons land ingrijpend. Een groot deel van België kwam onder Duitse bezetting te staan. Nederland bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal. Daardoor werd de grens tussen beide landen ook een grens tussen bezet gebied en een land buiten de oorlog. Voor veel Belgen kreeg Nederland een bijzondere betekenis. Sommigen hoopten er veiligheid te vinden, anderen wilden er familie bezoeken of via Nederland verder reizen om zich bij het Belgische leger aan te sluiten. Ook berichten, goederen en mensen werden over de grens gebracht. Voor de Duitse bezetter vormde dat grensverkeer een probleem. Om de doorgang beter te controleren, liet hij vanaf 1915 een elektrische draadversperring aanleggen. De versperring liep over honderden kilometers, al volgde zij niet overal precies de staatsgrens. 

De draad die de grens veranderde

De Dodendraad was een indrukwekkende en gevaarlijke constructie. Op veel plaatsen bestond zij uit een onder stroom staande middelste versperring, met aan weerszijden bijkomende afsluitingen. De stroomdraden waren aan houten palen bevestigd met porseleinen isolatoren. Op de elektrische draad stond doorgaans een spanning van ongeveer 2.000 volt. Aanraking kon dodelijk zijn. De bezetter wilde met de afsluiting niet alleen vluchtelingen tegenhouden. Ook smokkel, het overbrengen van berichten en het vertrek van Belgische mannen die zich bij het leger wilden aansluiten, moesten worden bemoeilijkt. Duitse wachten hielden toezicht op de grensstreek. Voor de bewoners was de versperring veel meer dan een hindernis in het landschap. Ze doorsneed bestaande contacten tussen dorpen en families. Mensen die vroeger betrekkelijk gemakkelijk de grens overstaken, kregen te maken met controle, beperkingen en gevaar. Bezoeken aan familieleden, werk aan de andere kant van de grens en andere gewone verplaatsingen werden plots veel moeilijker

De houten cabine op de foto

De hoogspanningscabine op de foto toont een minder bekend onderdeel van die grensversperring. Langs het traject stonden op verschillende plaatsen schakelhuisjes. Via dergelijke installaties kon de stroom op delen van de versperring worden geschakeld en konden afzonderlijke stukken bij werkzaamheden of technische problemen worden uitgeschakeld. Het gebouwtje in Neerharen staat op palen en is bereikbaar via een houten platform. Tegen de donkere gevel tekent de open deur zich af. Rechts zijn kleine witte onderdelen zichtbaar die aan elektrische isolatoren doen denken. Achter de cabine ligt het water, met aan de overzijde een open landschap en een rij bomen. De fiets en de man in de deuropening geven de opname een menselijke schaal. Maar het sobere houten bouwwerk herinnert eraan dat achter de Dodendraad een hele technische en militaire organisatie schuilging.

De Maas als grenslandschap

In de streek van Neerharen bepaalde de Maas al eeuwenlang het uitzicht en het leven. De rivier verbond de dorpen langs haar oevers, maar vormde tegelijk een natuurlijke grens. Tijdens de oorlog kreeg dat grenslandschap een nieuwe en dreigende betekenis. De Dodendraad werd ook aangelegd in 1916 langs de Maas.  Waar voordien vooral water, weilanden en landelijke wegen het beeld bepaalden, verschenen nu palen, elektrische leidingen en wachthuisjes. Het vertrouwde landschap bleef herkenbaar, maar de aanwezigheid van de bezetter veranderde de manier waarop mensen zich erdoor konden bewegen.

Levensgevaar aan de draad

Ondanks de bewaking probeerden mensen de versperring te passeren. Hun redenen liepen uiteen: vluchten uit bezet België, familie bereiken, berichten overbrengen of goederen smokkelen. Sommigen kregen hulp van mensen die de grensstreek goed kenden. Er werden ook hulpmiddelen gebruikt om tussen de draden door te komen, maar elke poging bleef riskant. Niet alle slachtoffers waren mensen die bewust wilden vluchten. Ook toevallige aanrakingen en ongelukken konden dodelijke gevolgen hebben. Het precieze aantal slachtoffers langs het volledige traject is moeilijk vast te stellen; vaak wordt gesproken over honderden tot ongeveer duizend doden.  Achter dat cijfer gaan afzonderlijke verhalen schuil van burgers, vluchtelingen en anderen die door de oorlog bij de versperring terechtkwamen. Hun lot geeft de naam Dodendraad zijn blijvende, pijnlijke betekenis.

Na de oorlog

Met de wapenstilstand van 11 november 1918 kwam een einde aan de gevechten van de Eerste Wereldoorlog. Daarna verdween de elektrische versperring geleidelijk uit het grenslandschap. Veel houten palen, draden en installaties zijn allang verdwenen, maar de herinnering eraan bleef bewaard in foto’s, verhalen en lokaal historisch onderzoek. Deze opname uit Neerharen is daarom bijzonder. Ze toont geen slagveld en geen verwoeste stad, maar een houten cabine in een ogenschijnlijk rustige omgeving. Juist daarin schuilt haar kracht: ook hier, langs de Maas, liet de oorlog sporen na in het landschap en in het leven van de mensen. Vandaag kijken we naar een beeld uit een verdwenen tijd. De fiets staat tegen de leuning, de man blijft in de deuropening staan en de rivier stroomt op de achtergrond voorbij. De cabine herinnert ons eraan hoe een vertrouwde grensstreek tijdens de Grote Oorlog deel werd van een bewaakt en levensgevaarlijk grensgebied.

X


MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) - DORPSTRAAT (NU DOKTER HAUBENLAAN) RICHTING KOTEM 1954

Ingekleurde versie

Updated (verwijderde personen die klein en onduidelijk waren)

Wie vandaag door de Dokter Haubenlaan rijdt, staat er misschien niet altijd bij stil hoeveel deze straat in de loop der jaren heeft meegemaakt. Op deze foto uit 1954 kijken we terug naar de tijd dat ze nog de Dorpstraat werd genoemd. De blik gaat in de richting van Kotem, naar de plaats waar de weg langzaam oploopt naar de brug over de Zuid-Willemsvaart. Het is een beeld van Mechelen-aan-de-Maas zoals velen het zich nog zullen herinneren uit verhalen van ouders en grootouders. Bomen begeleiden de weg en elektriciteitspalen en een straatlantaarn steken boven het dorpsbeeld uit. Op de rijweg staat een auto uit die tijd. Samen geven ze de foto haar eigen karakter: eenvoudig, herkenbaar en vol herinneringen aan het dorp van toen.

Een straat met een lange geschiedenis

De Dorpstraat behoorde tot het oude centrum van Mechelen-aan-de-Maas. Ze vormde een verbinding tussen de omgeving van de huidige Rijksweg en de Zuid-Willemsvaart. Langs en rond deze straat bevonden zich woningen en gebouwen die een belangrijke plaats innamen in het dorpsleven. De straat kende ook moeilijke tijden. In augustus 1856 brak er een grote brand uit, waarbij bijna de hele Dorpstraat verloren ging. Slechts drie huizen bleven gespaard. Bij de wederopbouw in de jaren 1857 en 1858 kreeg de straat opnieuw vorm. Een deel van de oudere bebouwing die we met het dorp associëren, draagt nog de sporen van die heropbouw.  Wanneer we naar de gevelrijen op deze foto kijken, zien we dus een straat die al lang vóór 1954 een eigen geschiedenis had opgebouwd. Achter iedere voordeur lag een thuis, en achter iedere gevel schuilde een stukje van het leven in Mechelen-aan-de-Maas.

De weg naar de brug

In de verte loopt de straat licht omhoog. Daar ligt de oprit naar de brug over de Zuid-Willemsvaart, een belangrijke verbinding in de richting van Kotem en Boorsem. De aanleg van die oprit veranderde het uitzicht van de omgeving. In de jaren dertig moesten er oudere gebouwen verdwijnen om plaats te maken voor de toegangsweg naar de brug. De brug en het kanaal zouden ook tijdens de Tweede Wereldoorlog een rol spelen in de geschiedenis van het dorp. Op 10 mei 1940, bij het begin van de Duitse inval, werd de brug over het kanaal opgeblazen om de opmars af te remmen. Een bombardement trof die dag ook de omgeving van de huidige Dokter Haubenlaan en de Meelstraat. In 1954 was de oorlog nog geen tien jaar voorbij. Het straatbeeld toont ons opnieuw een dorp waar het gewone leven zijn plaats had ingenomen, met de weg richting kanaal als een vertrouwde verbinding voor de inwoners.

Van Dorpstraat naar Dokter Haubenlaan

De oude Dorpstraat kreeg later de naam Dokter Haubenlaan, ter herinnering aan Théodore Hauben. Hij werd in 1835 in Mechelen-aan-de-Maas geboren en groeide uit tot een vooraanstaand arts en professor aan de universiteit van Brussel. Zo blijft zijn naam verbonden met zijn geboortedorp.  Op oude postkaarten komt de schrijfwijze Dorpstraat voor; de schrijfwijze heden is Dorpsstraat. Beide verwijzen hier naar de straat die we vandaag als de Dokter Haubenlaan kennen. 

Een blik op het Mechelen van toen

Wat deze foto zo bijzonder maakt, zijn niet alleen de gebouwen of de auto. Het is vooral het geheel: de bomen langs de weg, de gevels die elkaar opvolgen en de straat die in de verte naar de brug leidt. Samen brengen ze een stukje van het oude Mechelen-aan-de-Maas dichterbij. Voor wie er vroeger woonde of er als kind passeerde, zal dit beeld misschien herinneringen oproepen aan buren, familie en vertrouwde plaatsen. Voor wie het dorp pas later leerde kennen, is het een uitnodiging om even stil te staan bij hoe het er vroeger uitzag.

De Dorpstraat van 1954: een weg door het hart van Mechelen-aan-de-Maas, richting Kotem en richting herinneringen die voor velen nog altijd voortleven.

X





maandag 26 oktober 2026

MAASMECHELEN (MECHELEN AD MAAS) KRUISPUNT RIJKSWEG (TOEN STEENWEG) JOSEPH SMEETSLAAN (TOEN JOZEF SMEETSLAAN)

Updated

MAASMECHELEN (MECHELEN AAN DE MAAS)

Het kruispunt van de Steenweg en de Jozef Smeetslaan

Wie vandaag door het centrum van Mechelen aan de Maas rijdt, kan zich nog maar moeilijk voorstellen hoe vertrouwd en tegelijk anders dit kruispunt er vroeger uitzag. Hier ontmoetten de Steenweg, de huidige Rijksweg, en de Jozef Smeetslaan, nu geschreven als Joseph Smeetslaan, elkaar in het hart van het dorp. Op de hoek staat een statig bakstenen gebouw met witte raamomlijstingen. Verder langs de straat volgen de gevels elkaar op, met winkels, reclameborden en geparkeerde auto’s. Het bord van Cristal Alken en, wat verderop, de opschriften TAP en SUPRA brengen ons terug naar een straatbeeld waarin reclame nog aan gevels en uithangborden hing. Op de hoek bevond zich ooit een groentewinkel. Daarnaast lag de Rembrandt en iets verderop was er een frituur. Voor wie de buurt van vroeger kent, zullen die namen misschien herinneringen oproepen aan een boodschap, een bezoek of een toevallige ontmoeting langs de Steenweg. Ook vóór de tijd van deze foto had het kruispunt al een bijzondere plaats in het dorpsleven. Op een oudere opname wordt de huidige Joseph Smeetslaan nog aangeduid als de Bosweg. Aan het kruispunt bevond zich ooit ook een tramhalte, bij het vroegere Café du Tram. De auto’s op de foto geven een aanwijzing over de periode. Het bestelwagentje en de hoekige personenwagens doen denken aan de jaren 1970 of 1980 .  Wat blijft, is een mooi beeld van een vertrouwd stukje Mechelen aan de Maas: een kruispunt waar inwoners onderweg waren naar winkels, cafés en andere bestemmingen, en waar iedere gevel zijn eigen verhaal had.

X

.


CINEMA TRIOS IN GENCK

  DE AFFICHE WORDT HIER MORGEN GEPLAATST !!! Cinema Trios in Genk Een avond naar de film, aan de hand van een programma uit 1980 Een bioscoo...