In het Maasland van de jaren twintig bepaalde de rivier niet alleen het landschap, maar voor een groot deel ook het dagelijkse leven. Tussen Lanaken, Maasmechelen en Maaseik lagen langs de Maas uitgestrekte weiden, akkers en uiterwaarden. De vruchtbare Maasgronden waren waardevol voor de landbouw, maar de rivier bleef onvoorspelbaar. Hoge waterstanden, modder, harde wind en winterse overstromingen hoorden bij het leven in deze streek. Uikhoven werd bijvoorbeeld nog in 1926 zwaar door de Maas getroffen.. Voor de vrouwen op de kleine landbouwbedrijven betekende slecht weer zelden dat het werk kon wachten. Koeien moesten iedere dag worden gemolken. Wanneer dieren in verder gelegen graasweiden stonden, ging men te voet naar het vee, over onverharde veldwegen, dijken en modderige paden. De historische kaarten van het Maasgebied tonen juist in deze periode een veel kleinschaliger landschap dan tegenwoordig: weiden en akkers lagen tussen hagen, houtkanten, boomgaarden en kleine bosjes. Veel wegen waren nog onverhard. Daar zien we in gedachten de Maaslandse boerinnen, zoals op deze beelden: donkere, eenvoudige werkkleding, stevige schoenen of laarzen, een hoofddoek tegen regen en wind en in de hand een metalen melkbus of melkemmer. Hun kleding was geen zondagse dracht. Schorten, rokken en jakken werden gedragen zolang ze bruikbaar waren, hersteld wanneer dat nodig was en tijdens zwaar werk onvermijdelijk vuil en nat. De metalen melkbus werd in de eerste helft van de twintigste eeuw een vertrouwd onderdeel van het boerenbedrijf. Bij het eigenlijke handmelken was een kleinere emmer praktisch; grotere afsluitbare bussen dienden vooral om de melk te verzamelen en te vervoeren. Een boerin die met zo'n bus door de velden liep, droeg dus letterlijk een deel van de dagelijkse opbrengst van het gezin met zich mee. Langs de Maas kon die tocht bijzonder zwaar worden. De uiterwaarden waren landbouwgebied en werden vooral gebruikt als graasweiden en plaatselijk als hooiland. Tijdens hoge waterstanden konden ze overstromen. De Maas zette daarbij zand, slib en klei af en liet drassige grond en uitgesleten geulen achter. En dan kwam de wind. In het open Maasland kreeg hij vrij spel. Rok en schort sloegen tegen de benen, de hoofddoek werd steviger aangetrokken en de zware melkbus moest laag en vast worden gehouden. Op een modderig pad kon iedere stap moeilijk zijn. Toch werd doorgelopen, want achter zo'n eenvoudig dagelijks karwei zat een hele huishouding: melk om te drinken, boter en andere zuivel voor eigen gebruik en, wanneer er voldoende overbleef, melk die kon worden verkocht. Het jaar 1926 laat zien hoe kwetsbaar dat bestaan langs de rivier werkelijk was. Dat jaar brak de Maas tijdens extreem hoogwater door de dijken. Nadien werden bestaande dijken verhoogd en nieuwe winterdijken aangelegd. Ook Stokkem kende in 1929 opnieuw een zware overstroming. Deze vrouwen met hun melkbussen staan daarom symbool voor meer dan alleen het melken van koeien. Ze herinneren aan een tijd waarin het boerenleven volledig meebewoog met weer, water en seizoenen. Geen tractor die hen naar de wei bracht, geen verharde landbouwweg en geen moderne melkinstallatie die het zware werk overnam.
Storm of regen, modder of hoog Maaswater: het vee wachtte niet. De melkbus ging mee en de boerin ging op weg. Zo begon en eindigde menige werkdag in het Maasland van de jaren twintig.
X


Geen opmerkingen:
Een reactie posten