Updated
De grandeur van de Maastrichtse magasins Geen sloffen maar pantoufles, een pince-nez (neusknijper) in plaats van een leesbril. Hazelnootpraliné haalde je bij de pâtissier, légumes bij de groenteboer en de kruidenier verkocht comestibles. Iemand met het predikaat hofleverancier noemde zich liever fournisseur de la cour. Frans was de aanbevolen taal om articles de luxe et fantaisie en andere koopwaar aan te prijzen. Om grandeur te geven aan de winkels in de Rue Grand Staat of de Place Notre-Dame.
Winkels waren een eeuw geleden voornamelijk bedoeld voor de middenklasse en de elite, waar Frans nog de voertaal was. In de negentiende eeuw ontstonden steeds meer winkels in de stad. Hoe deftiger hoe beter. Voorheen deed men inkopen op de dagelijkse markt, waar een enorm breed assortiment in de aanbieding was. Specifieke zaken werden bij ambachtslieden thuis gekocht. Schoenen bij de schoenlapper, scharnieren bij de smid. Winkels hadden het grote voordeel dat ze dagelijks geopend waren, ook op zondag na de mis, en lange openingstijden hadden tot wel tien, elf uur ’s avonds. De nieuwe beroepsgroep van winkelmeisjes - oftewel winkeldochters - maakte lange dagen. Koffiebranderijen waren soms al ’s ochtends om vijf uur open om de kannen te vullen van werklui op weg naar de fabriek. Winkels waren aanvankelijk gespecialiseerd in een bepaald segment, zoals kleding, huishoudelijke artikelen of tabak. Fons Olterdissen beschrijft in een van zijn prozawerken het onuitputtelijke assortiment van een stoffenzaak, waar de verschillende lappen keurig aan koperen ringen aan het plafond hingen. Kattenaat voor katoenen schorten, duvelssterrek voor broeken, vloer voor gordijnen. Hij genoot van de prachtige kiekvoet met boerinnenmutsen, die een nog mooier getaleerd dan de ander. “Doezend maol sjoender es tat me ze noe mèt ene stek achter ’n kooi zuut loupe.” Rond 1900 ontstonden de eerste warenhuizen, zoals Maussen in de Wycker Brugstraat. Het was een ware revolutie. Duizenden artikelen te koop in één zaak! Van onderbroek tot zakdoek. Alleen de aparte inpakafdeling was al indrukwekkend. Maussen werd vooral veel bezocht door boeren die ’s ochtends op de Markt hadden gestaan. Ze zetten hun verdiensten meteen om in benodigde goederen. Een paar jaar later opende de Grand Bazar haar deuren op de kop van de Maastrichter Brugstraat, die pas flink was verbreed door de afbraak van een rij panden. Een even indrukwekkende en voor die tijd uiterst moderne zaak. Maar behalve de Grand Bazar en Maussen kende Maastricht de fenomenen schaalvergroting of ketens nauwelijks. Al verkocht Maison Le Matador in de Grote Staat in 1903 al louter ‘kledingstukken’ van de firma Peek & Kloppenburg. In de winkelstraten waren over het algemeen kleine familiebedrijven gevestigd, met namen die soms nog steeds in de middenstand bekend zijn, zoals Beaumont, Bams, Vossen of Frissen-Pieters. Het centrum was een eeuw geleden iets beperkter, maar de grote winkelstraten als de Grote en Kleine Staat, Munt-, Spil- en Nieuwstraat vormden toen ook al het kernwinkelgebied. Het was er een drukte van belang, want het was geen voetgangersgebied. Auto’s, fietsen, handkarren, paarden en hondenkarren raasden door de straten. Dwars door het centrum reed aanvankelijk de Omnibus, vervolgens de gastram en daarna ook nog eens een paardentram; een extra paard stond bij de steile brugopgang bij het Cörversplein gereed om de tram de helling op te trekken. De Belgische frank was in Maastricht even courant als de gulden. De bediendes werden in franks uitbetaald. Maar wisselgeld was een probleem, want buitenlands muntgeld was verboden. Bij het omwisselen met speciale pasmunten verloren de winkeliers op iedere vijf franc veertien cent. Poffen of kopen op rekening was dan ook algemeen gebruik anno 1900.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten