Langs de kronkelende Maas begon de hooitijd zodra de zomer haar warmste dagen bracht. In de jaren twintig was dat voor de boerengezinnen uit het Maasland een van de belangrijkste perioden van het jaar. Het gras van de uiterwaarden, dat in het voorjaar overvloedig was gegroeid dankzij het voedselrijke Maaswater, moest op het juiste moment worden gemaaid. Te vroeg betekende minder opbrengst, te laat zorgde ervoor dat het hooi zijn voedingswaarde verloor. Het hooien gebeurde volledig met de hand. Mannen maaiden het gras met de zeis, terwijl vrouwen en oudere kinderen het gemaaide gras met houten harken uitspreidden zodat de zon en de wind hun werk konden doen. Meerdere keren per dag werd het hooi gekeerd om het gelijkmatig te laten drogen. Donkere wolken boven de Maas werden voortdurend in de gaten gehouden, want een stevige regenbui kon dagen hard werk in enkele uren tenietdoen. Na enkele zonnige dagen werd het droge hooi samengebracht in grote hopen. Met houten rieken werd het op paardenwagens geladen, waarbij één of twee mannen boven op de wagen stonden om de vracht zorgvuldig aan te stampen. Zo kon men zoveel mogelijk hooi in één keer naar de boerderij vervoeren. De zware Brabantse trekpaarden trokken de hoog opgeladen karren langzaam over zandwegen en veldpaden richting de schuur, waar het hooi op de hooizolder werd opgeslagen als wintervoorraad voor paarden, koeien en ander vee. Langs de Maas heerste tijdens het hooien een bijzondere bedrijvigheid. Vanuit de verte klonk het ritmische geluid van de zeisen, het zachte geroep tussen de familieleden en het hoefgetrappel van de paarden. Af en toe voer een aak of een Maasboot voorbij, terwijl de boeren nauwelijks opkeken. Elke minuut met droog weer moest immers benut worden. Het hooien was een echt familiegebeuren. Grootouders, ouders en kinderen werkten schouder aan schouder. De jongsten brachten drinkwater of hielpen met kleine harkjes, terwijl de ouderen het zwaarste werk verrichtten. Rond de middag zocht men beschutting onder een knotwilg of aan de rand van een houtkant. Daar werden dikke boterhammen met spek, stroop of kaas gegeten, vaak vergezeld van een kan koffie of karnemelk. Daarna ging het werk onmiddellijk verder. Hoewel het zwaar en vermoeiend was, bracht de hooiperiode ook verbondenheid. Buren hielpen elkaar wanneer het werk te veel werd of wanneer slecht weer dreigde. Die onderlinge hulp was vanzelfsprekend; vandaag hielp men de ene boer, morgen de andere. Zonder machines was samenwerking de sleutel tot een succesvolle oogst. Voor veel oudere Maaslanders bleef de geur van vers hooi een herinnering aan hun jeugd. Het was de geur van lange werkdagen, eelt op de handen, bezwete gezichten en tevredenheid wanneer de laatste wagen veilig op het erf arriveerde. Het waren dagen waarin hard werken en het ritme van de natuur onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Het hooien langs de Maas in de jaren twintig was veel meer dan een landbouwtaak. Het was een jaarlijkse traditie die gezinnen samenbracht, de gemeenschap versterkte en het leven bepaalde in een tijd waarin mens, dier en natuur volledig van elkaar afhankelijk waren. Daarom leeft dit beeld van hoog opgeladen hooikarren, werkende families en de langzaam stromende Maas nog altijd voort als een van de mooiste herinneringen aan het oude Maasland.
X

Geen opmerkingen:
Een reactie posten