Langs het Albertkanaal, waar de industrie aan vele gezinnen werk verschafte, werd een gewone woensdagmiddag plots een dag van onrust. In de rubberfabriek Carideng te Lanaken brak een hevige brand uit. Twee grote hallen gingen verloren, brandweerlieden uit België en Nederland snelden te hulp en voor een deel van het personeel werd de toekomst onzeker.
Het alarm tijdens de ronde
Het was omstreeks twintig voor drie toen een van de twee aanwezige portiers tijdens zijn gebruikelijke ronde de brand ontdekte. Meteen werd de fabriekssirene ingeschakeld en werden de brandweerkorpsen uit de omgeving gewaarschuwd. De brand woedde in de voorraad- en bewerkingshallen van het bedrijf, dat volgens het bericht op de rechteroever van het Albertkanaal lag. In die hallen bevonden zich onder meer binnen- en buitenbanden voor fietsen, autobanden en sponsartikelen. Het vuur tastte twee gebouwen aan die elk ongeveer vijftien meter breed en tachtig meter lang waren. Vooral de hal waar de brand begonnen was, werd zwaar getroffen. Door de hitte weken de muren naar buiten.
Hulp over de grens
De Maastrichtse brandweer was volgens het krantenverslag het eerst ter plaatse. Onder leiding van brandmeester Scaf werd water uit het naastgelegen Albertkanaal ingezet. Kort daarna kwamen ook de korpsen van Eisden, Genk, Hasselt en Bilzen aan.
Daarnaast waren Luik en Aken gealarmeerd. Toen hun ploegen arriveerden, hadden de aanwezige brandweerlieden het vuur al grotendeels onder controle en hoefden deze twee korpsen daardoor niet meer in actie te komen. De grens vormde die middag geen belemmering voor de hulpverlening. Aan de kanaaloever werkten Belgische en Nederlandse brandweerlieden samen om de uitbreiding van het vuur tegen te houden.
Twee hallen verloren, andere gebouwen gered
De brandweerlieden konden niet verhinderen dat beide getroffen hallen uitbrandden. Een nieuwe vrachtwagen die nog in een van de gebouwen stond, kon evenmin worden gered. Toch bleef de ramp tot een deel van het fabrieksterrein beperkt. Volgens het verslag hielpen zowel de gezamenlijke brandweerinzet als de gunstige windrichting om de personeels- en kantoorgebouwen vóór de brandende hallen te vrijwaren. Ook de canvas-spinnerij bleef behouden. Tegen vijf uur was het vuur zover bedwongen dat de Maastrichtse brandweer kon vertrekken. Zij had een materiaalwagen, een auto en een motorspuit ingezet. De korpsen van Genk, Bilzen, Hasselt en Eisden bleven nog ter plaatse om na te blussen.
Een vermoedelijke oorzaak
Over het ontstaan van de brand kon men diezelfde avond nog geen zekerheid geven. In het krantenbericht werd broei in opgeslagen gemalen rubber als mogelijke oorzaak genoemd. Dat was een eerste vermoeden, geen vastgestelde uitkomst van een onderzoek. Er was ook een probleem bij de eerste bluspoging. De fabrieksbrandinstallatie had mogelijk kunnen helpen om uitbreiding te beperken, maar het dienstdoende personeel kreeg de kranen niet los. Vervolgens duurde het volgens de krant nog ruim een kwartier voordat de eerste waterstralen van de Maastrichtse motorpompinstallaties vanuit het kanaal de brandhaard bereikten. Die passage toont hoe moeilijk de eerste bestrijding verliep. Ze biedt op zichzelf echter onvoldoende grond om achteraf verantwoordelijkheid of schuld vast te stellen.
Onrust rond de fabriek
De brand trok veel toeschouwers. De politie van Lanaken, onder leiding van een in het bericht als De Breda genoemde verantwoordelijke, hield de toestromende mensen op veilige afstand. Ook de directie en enkele commissarissen van Carideng waren aanwezig. De drukte had gevolgen voor het verkeer. De politiekorpsen van Lanaken en de grensplaats Smeermaas leidden het verkeer tussen beide plaatsen om via de brug nabij Tournebride. Voor wie de fabriek als dagelijkse werkplek kende, ging het ondertussen om meer dan brandende gebouwen. Achter de schade aan muren, voorraden en materieel lag de vraag hoeveel werk er de volgende dagen nog zou zijn.
Een zware slag voor het personeel
De schade liep op tot in de miljoenen franken (de Belgische munt destijds) De krant meldde dat ongeveer tweehonderd van de achthonderd arbeiders door de brand zonder werk zouden komen te zitten. Voor Lanaken was het een ernstige industriële tegenslag. Twee hallen waren verloren, maar andere afdelingen waren behouden gebleven. In die tegenstelling lag ook de onzekerheid van de getroffen gezinnen: opluchting omdat erger was voorkomen, naast bezorgdheid over het dagelijkse inkomen.
X


Geen opmerkingen:
Een reactie posten