Een paard voor een hooggeladen kar, korenschoven op het veld en enkele handen die samen het werk verzetten: deze foto uit Boorsem bewaart een stukje boerenleven dat uit het dagelijkse dorpsbeeld verdwenen is. Boven op de lading neemt een jongeman de schoven aan. Naast de kar staat een man klaar om verder te laden, terwijl bij het paard een andere helper wacht. Het is een eenvoudig tafereel, maar achter iedere schoof schuilt het werk van een heel seizoen. Het koren was gemaaid en in schoven gebonden, zoals dat vroeger gebruikelijk was. Die schoven werden op het veld rechtop bij elkaar gezet om verder te drogen. Pas daarna werden ze met paard en kar opgehaald en naar de boerderij gebracht. Het maaien, binden, rechtzetten en binnenhalen waren afzonderlijke stappen, waarvoor telkens opnieuw handen nodig waren. De traditionele graanoogst was dan ook werk dat men samen verrichtte. Op het Boorsemse beeld zien we dat binnenhalen volop gebeuren. De kar draagt al een flinke vracht. De schoven liggen hoog opgestapeld, met de ruwe halmen en aren naar buiten. Wie boven op zo’n lading werkte, moest zijn evenwicht bewaren en de bundels zorgvuldig neerleggen. Een kar laden vroeg ervaring: de oogst moest mee naar huis, maar onderweg ook blijven liggen. Voor ons heeft zo’n foto iets rustigs en vertrouwds. Voor de mensen op het veld was het een werkdag. Schoven moesten worden opgetild, doorgegeven en geschikt. Onder een hemd kleefde het stof aan de huid; droge halmen schuurden langs handen en onderarmen. Het paard stond tussen het werk door te wachten, met de kar achter zich. Men kan zich bij dit beeld het geritsel van het koren voorstellen, het kraken van het hout en de korte aanwijzingen tussen de helpers. Eenmaal thuis werden de gedroogde schoven in de schuur opgeslagen. Daarmee was de oogst binnen, maar de graankorrels zaten nog in de aren. Het eigenlijke dorsen moest dus nog gebeuren. In de oudere landbouwpraktijk was dat vaak winterwerk, wanneer de werkzaamheden op het land minder aandacht vroegen. Dan werden de schoven losgemaakt en op de dorsvloer uitgespreid. Met dorsvlegels sloeg men de korrels uit de aren. Zo’n vlegel bestond uit een lange houten steel en een korter, zwaarder slaghout, die beweeglijk met elkaar verbonden waren. Het lijkt eenvoudig, maar goed dorsen vroeg oefening. Wie met anderen werkte, moest een regelmatig ritme aanhouden. In de schuur klonk dan het herhaalde kloppen van hout op het uitgespreide koren: een wintergeluid dat bij het oude boerenbedrijf hoorde. De verandering kwam geleidelijk. Tussen de dorsvlegel en de moderne maaidorser lag nog de tijd van de afzonderlijke dorsmachine. Zo’n machine kon naar een boerderij worden gebracht, waar een ploeg de schoven aanvoerde en invoerde. Het dorsen ging sneller, maar er bleef veel werk nodig rond de machine. Historisch onderzoek beschrijft dorsploegen die van bedrijf naar bedrijf trokken om de opgeslagen oogst te verwerken. Later nam de maaidorser, ook pikdorser of combine genoemd, verschillende werkzaamheden in één keer over. Hij rijdt door het rijpe graan, maait de halmen en dorst meteen de korrels uit de aren. Daarmee verdween voor die oogst de noodzaak om eerst schoven te binden, op het veld te laten drogen en met paard en kar naar de schuur te brengen. De opkomst van zelfrijdende maaidorsers kreeg vanaf de jaren vijftig een sterke impuls. Wanneer een bepaalde Boorsemse boer precies overschakelde, kunnen we uit deze foto niet afleiden.
Dit mooie beeld uit een Boorsems veld behoort inmiddels tot de voltooid verleden tijd. De schoven, de hooggeladen kar en het geduldige paard verdwenen uit de gewone oogstdagen. Wat overblijft, is een foto die laat zien hoeveel mensenwerk er ooit nodig was om het koren veilig binnen te krijgen. En juist daarin ligt haar waarde. Ze bewaart geen grootse gebeurtenis, maar een dag uit het leven van mensen die het land bewerkten. Een dag waarop de schuur weer wat voller raakte en de inspanning van maanden eindelijk naar huis werd gebracht.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten