GENK OMSTREEKS 1910 — DE STATIONSSTRAAT, TOEN DE STILTE NOG TUSSEN DE KASSEIEN LAG
Een straat met bomen, een eenvoudig hekwerk en tramrails die tussen de kasseien naar de verte lopen. Deze oude prentkaart brengt ons naar de Stationsstraat van Genk, omstreeks 1910. Bovenaan stond de Franse benaming Genck — Rue de la Station et Hôtel de la Poste. Het is een gezicht op een dorp waarin de moderne tijd al haar sporen trok, maar het landelijke karakter nog duidelijk aanwezig was. Links staat het Hôtel de la Poste, met zijn brede zijgevel en lange voorgevel langs de straat. Dit gebouw was het huis van windmolenaar Vaes, gebouwd omstreeks 1848. Ook de molengeschiedenis van Genk situeert de molenaarswoning in het dorpscentrum en noemt dat bouwjaar bij benadering. De woning stond dus niet naast de windmolen: die bevond zich elders, bij de huidige Schabartstraat en Windmolenstraat. Zo bewaart deze kaart ook een stukje geschiedenis van een molenaarsfamilie die haar plaats had in het dagelijkse leven van Genk. Voor 1829 was de Rotterdamse schoenmaker Boonen Herman Jacob bewoner op deze plek. Dat jaartal ligt vóór de opgegeven bouwdatum van het afgebeelde huis en kan daarom niet zonder meer op hetzelfde gebouw worden betrokken. Toch geeft die vermelding iets kostbaars mee: achter een gevel schuilt meer dan een bouwgeschiedenis. Er woonden mensen, er werd gewerkt en er werden levens opgebouwd. Rechts, op de hoek van de Molenstraat, stond volgens dezelfde beschrijving een gietijzeren handwijzer met de aanduiding “Mechelen 15 km”. Een bescheiden wegwijzer, maar voor wie te voet, met de fiets of met paard en kar onderweg was, een nuttig herkenningspunt. In de verte situeert zich het gemeentehuis en de school. Het oude gemeentehuis aan de Oude Markt dateert van 1909: bij een opname omstreeks 1910 was het dus nog een betrekkelijk nieuw gebouw. De rails brengen beweging in dit stille straatbeeld. Het onderschrift bewaart daarbij een levendige herinnering aan burgers die zich aan een voorbijrijdende tram waagden om aan het vuur een pijpje aan te steken. Of dat vaak gebeurde, valt uit deze bron alleen niet vast te stellen. Het verhaal past wel bij de volkse herinneringen waarin de tram meer was dan vervoer: hij hoorde bij het dorpsleven. Tussen het Hôtel de la Cloche en het molenaarshuis liep buurtweg nummer 3, over de beek en langs de zavel naar Winterslag. Ook de straatverlichting krijgt een plaats in die herinnering. De gemeente liet petroleumlantaarns verzorgen door “Bijneese Jan” uit de Molenstraat, die tevens grafmaker was. Hij moest ze aansteken en doven. Achter het avondlicht in de straat zat dus nog de dagelijkse ronde van een dorpsgenoot. Genk stond aan de vooravond van grote veranderingen. De mijnontginning zou vanaf 1917 in Winterslag, vervolgens in Waterschei en Zwartberg, de groei van de gemeente sterk bepalen. Op deze kaart overheersen nog de bomen, de lage bebouwing en de open straat. Juist daarin ligt de bekoring van dit beeld. Twee rails tussen oude kasseien, een hotel bij het dorpscentrum en een weg die rustig naar de verte loopt. Het oude Genk is hier nog dichtbij — alsof straks iemand buitenkomt, de straat oversteekt en zijn buurman bij naam begroet.
X


Geen opmerkingen:
Een reactie posten