maandag 8 april 2024

OUDE BEROEPEN: DE KETELLAPPER



Als een pan dusdanig veel was gebruikt dat er een gat in dreigde te komen, was de ketellapper echter wel handig. Hij kon het probleem vaak wel verhelpen, bijvoorbeeld door met tin een nieuw stukje metaal op de versleten plek te solderen. Op die manier kon het keukengerei weer een tijdje mee. Ook repareerde de ketellapper geregeld het tinnen beschermlaagje aan de binnenzijde van de veelal koperen pannen. Reparaties werden vaak aan huis verricht.

X



OUDE BEROEPEN: DE VODDENBOER MET HONDENKAR 1932


Met de hondenkar levert deze voddenboer zijn hoog opgestapelde lading vodden af bij een pakhuis. Het moet een karig bestaan geweest zijn en niet alleen voor deze voddenkoopman. Geld voor een paard was er meestal niet, daarom waren er meer voddenhandelaren die honden voor hun kar spanden. Dat scheelde ook nog eens de kosten voor een stal. Nu zou het niet meer mogen, maar toen.

Zuinige huisvrouwen

De voddenman, ook wel lorrenboer genoemd ging langs de deuren om voor een paar stuivers oud textiel op te kopen. De lorren werden in een jutezak met een weeghaak gewogen en de prijs werd berekend per kilo. Sommige zuinige huisvrouwen probeerden nog een extra cent voor de kleding te krijgen, maar die ruimte was er vaak niet. Thuis sorteerde de voddenman de opbrengst van die dag die meestal bestond uit kleding en beddengoed. Maar soms haalde hij ook andere goederen op, zoals oud ijzer en metaal.

 

Papier en poetsdoeken 

Niet alle vodden gingen meteen naar de groothandel. De nog bruikbare kledingstukken werden ook wel op straat uitgestald zodat ze weer konden worden gekocht door gezinnen die het niet zo breed hadden. Met een beetje geluk zat er ook voor de kinderen nog leuk spul bij om mee te spelen. De niet verkoopbare lorren werden doorverkocht voor de fabricage van papier of poetsdoeken.

In de jaren zeventig verdween de voddenhandelaar uit het straatbeeld en sindsdien wordt kleding op andere manieren gerecycled.


X






zondag 7 april 2024

OUDE BEROEPEN: DE TURFSTEKER






Een turfsteker was een ambachtsman die zich bezighield met het winnen van turf, een brandstof die verkregen werd uit gedroogd veen. Men begon turf te gebruiken sinds de Middeleeuwen toen de bevolking in grote mate toenam in stedelijke gebieden. Turf was goedkoop en in grote hoeveelheden te vinden op het landschap. Het werd daarom als brandstof gebruikt om huizen te verwarmen en de industrie op gang te houden.

Hoe werd je een turfsteker?

Hoewel turf in grote hoeveelheden beschikbaar was, was het verkrijgen van turf allesbehalve een eenvoudige opgave. Turfsteken was fysiek zwaar en smerig werk. Met goed of slecht weer waren de arbeiders in de buitenlucht op veengrond te vinden. Over het algemeen werd het werk uitgevoerd door mannen, maar af en toe hielpen vrouwen en jonge jongens ook mee. Er werd vooral gekeken of de arbeider in kwestie fysiek in staat was om het werk uit te voeren. Het doel was uiteindelijk om zoveel mogelijk turf te winnen. Het turfsteken gebeurde zonder enige vorm van opleiding vooraf. Alles wat de arbeider moest weten, werd geleerd in de praktijk. De meeste kwamen daarom in dienst bij een veenbaas waar ze voor weinig loon het zware werk uitvoerden. Doordat het turfsteken vooral seizoenswerk was, waren er ook enkele zelfstandige turfstekers. Het was dan mogelijk om andere inkomsten te hebben en daarnaast als turfsteker aan de slag te gaan. Het werk begon namelijk rond half maart en eindigde eind juli zodat turf nog genoeg tijd had om te drogen. Tijdens de koudere dagen zochten de turfstekers vaak werk bij boeren op het land.

Het leven van een turfsteker

De werkdagen van een turfsteker waren lang. Ze waren vaak al ’s nachts aan het werk en werkten dan door tot rond het middaguur. De twaalf tot veertien uur durende werkdagen waren meer dan normaal. Rondom de veengebieden ontstonden daarom ook plaggenhutten, uitgegraven eenvoudige bouwwerken zonder zijmuren en met een dak dat op grondhoogte begon. De plaggenhut zorgde voor de mogelijkheid om met het werk mee te verhuizen. Hierdoor hoefden de turfstekers vanaf hun hut niet kilometers te lopen voordat ze aan hun werkdag begonnen. Een turfsteker mocht officieel in de hut blijven wonen wanneer de schoorsteen in de ochtend rookte, dat was namelijk een ongeschreven regel. De leefomstandigheden van het wonen in een plaggenhut waren daarentegen allesbehalve ideaal. De hut was vochtig, slecht te verwarmen en het zat vaak vol met ongedierte. Er ontstonden over het algemeen meerdere plaggenhutten bij elkaar in de buurt, omdat turfstekers met meerdere collega’s in één ploeg werkten. Samen groeven ze met de hand veenkuilen, stapelden ze de turf op, sneden ze deze in grote vierkante stukken en uiteindelijk in kleinere rechthoeken. Daarnaast verplaatsten ze kruiwagens vol naar de legakkers waar de turfblokken konden drogen. Arbeiders liepen heen en weer met massa’s turf, want per dag werden er gemiddeld 6.000 turven verplaatst. Elke kruiwagen woog bij het heenlopen zo’n zeventig kilogram. Vervolgens moesten de zware blokken met de hand ook regelmatig gedraaid worden om het droogproces nog effectiever te maken. 

Een uitgestorven beroep

Rond 1950 is het werk van de turfsteker opgehouden met bestaan. Nadat turf werd overgenomen door andere fossiele energiebronnen als steenkool, olie en gas, was het winnen van turf niet meer nodig. Nadat de laatste turfsteker zijn schop neerlegde en er geen enkele machine meer op het land was te vinden, stierf het beroep uit.

X

OUDE BEROEPEN: DE LANTAARNOPSTEKER





Ongure types

In de donkere middeleeuwen waagden de mensen zich ’s avonds liever niet op straat. Wel zo veilig met al dat ongure volk en straatverlichting was er niet. Die kwam er pas in de late middeleeuwen: draagbare en vaste lantaarns met kaars in een winddichte behuizing.


De eerste lantaarnpaal 

Maar wist je ook dat de eerste echte lantaarnpaal in 1663 werd uitgevonden door schilder en uitvinder Jan van der Heyden? Daarin brandde olie in een afgesloten reservoir. Dat reservoir moest wel tijdig worden gevuld en de lantaarn had ook onderhoud nodig. De speciaal geselecteerde en opgeleide lantaarnopsteker zorgde daar voor. Zodra het begon te schemeren trok hij erop uit om met behulp van een lange stok met brandende lont de olie (en later het gas) aan te steken. In de ochtend maakte hij een rondje om alle lantaarns weer te doven. Want laten branden is natuurlijk zonde.


Rotjongens

Geen baan van 9 tot 5. In de tussentijd moest er ook op een andere manier de kost worden verdiend. Vandaar dat de lantaarnaansteker meestal meerdere bijbanen had. Zo was hij daarnaast vaak de bewaker van de stad, maar ook de combinatie met barbier was niet ongewoon. En als de lampen weer eens werden gedoofd door een stel rotjochies moest hij ook nog een sprintje trekken om ze stevig bij het oor te pakken.

Inmiddels is het beroep uit het straatbeeld verdwenen.


X






zaterdag 6 april 2024

DE TIJD VAN TOEN: OOM HEIN, DE PORDER VAN AMSTERDAM



OUDE BEROEPEN: DE PORDER





Hoe irritant en gehaat wekkers ook zijn omdat ze ons ruw uit onze nachtrust halen, ze zorgen er wél voor dat we op tijd kunnen opstaan. Maar de wekker is er natuurlijk niet altijd geweest. Hoe zorgden mensen er vroeger voor dat ze op tijd ontwaakten? Een korte geschiedenis van de wekker!

Natuurlijk ritme

Misschien is je eerste gedachte bij de vraag hoe mensen vroeger op tijd wakker werden een haan. Maar meer nog dan dit werd het slaapritme bepaald door donker en licht. Omdat er nog geen binnenverlichting en straatverlichting was, gingen mensen gewoon slapen als het donker werd. Wat moest je immers anders doen? Als gevolg hiervan werd men vaak ook automatisch wakker bij de eerste zonnestralen. Mensen sliepen op vaste tijden en het lichaam raakte gewend aan dit ritme. Bij zonsopgang werd men dus ook vaak automatisch wakker en ging men aan het werk.

Meidenklokken

Wie het zich kon veroorloven, had een dienstmeid in huis die verantwoordelijk was voor het wekken van het hele gezin. Maar hoe werd deze dienstmeid zelf dan wakker? Vaak had men een speciale ‘meidenklok’ in huis: een simpele klok met één wijzer en een wekfunctie. Nadat de dienstmeid door deze klok was gewekt, bereidde ze het ontbijt en wekte ze de gezinsleden. In sommige, armere huishoudens had men geen meidenklok, maar eenvoudigweg een haan.

Porder

In de 19e eeuw werd het belangrijker om op tijd op te staan. Door de komst van de industriële revolutie ging men massaal in fabrieken werken, waar strikte werktijden golden en men dus écht op tijd moest zijn. Er ontstond dan ook een nieuw beroep: porder. Deze mensen hadden vaste klanten en gingen ’s nachts en ’s ochtends op pad om deze mensen te wekken. Met een speciale stok tikten, oftewel porden, zij tegen het raam, net zolang tot de betreffende persoon wakker was. Een heel normale, maar zeker geen goedbetaalde baan.

Opkomst van de wekker

De eerste wekkers waren vaak te duur voor het ‘gewone volk’, waardoor men op porders aangewezen was. Begin 20ste eeuw kwamen er echter eenvoudige, goedkope wekkers op de markt. Naar verhouding was een dergelijke wekker goedkoper dan een porder. Enkele oudere mensen bleven gebruik maken van een porder, omdat zij de wekker niet vertrouwden. Toch stierf het beroep langzaam uit, totdat het rond de Tweede Wereldoorlog helemaal verdwenen was.

Vandaag de dag

De rest van het verhaal is wellicht bekend: van de rinkelende, opwindbare wekker via de digitale en muzikale wekkerradio naar het alarm op de smartphone vandaag de dag. Een wekker hebben we tegenwoordig dan ook bijna altijd bij ons in de vorm van onze mobiele telefoon. 

X



OUDE BEROEPEN: DE STRONTTONNETJESSCHEPPER

Een stronttonnetjesschepper heeft twee emmers met uitwerpselen opgehaald uit een huis.

Verdwenen beroepen – Een van de meest smerige beroepen uit het verleden is toch wel de stronttonnetjesschepper. Vroeger toen er nog geen toilet en riolering was, deden de mensen hun behoefte op een emmer of po. Deze werd eens in de week opgehaald en geleegd door de stronttonnetjesschepper die de uitwerpselen vervolgens op zijn strontkar gooide en buiten de stad bracht.

Stinkende middeleeuwse straten

In de middeleeuwen kwam de ontlasting van mensen vaak in het water of in de straten terecht, waardoor de stad vaak stonk. Dit was natuurlijk slecht voor de gezondheid van de mensen en om dit op te lossen verboden de stadsbesturen om afval en uitwerpselen te lozen in de grachten. Het alternatief was de beerput (beer = poep). Dit was een put waar de uitwerpselen in werden gegooid. Vaak werden huurbazen verplicht om in de kelders of tuinen een beerput te maken. In de armere wijken werden minder beerputten gemaakt en moesten de mensen er een delen.

Strontkar

Tijdens de industrialisatie in de achttiende en negentiende eeuw kwamen steeds meer mensen in de steden wonen. Omdat de beerputten snel vol raakten en de stank dus nog steeds erg was, besloten gemeenten om de stront te komen ophalen. De strontkar kwam elke dag langs om de beerputten leeg te maken en de tonnen met stront mee te nemen. De strontkar werd ook wel spottend ‘Boldootkar’ genoemd. ‘Boldoot’ was vroeger een bekend geurenmerk. Omdat niet alles altijd netjes in de beerput of ton terecht kwam, was de taak van de stronttonnetjesschepper ook om de uitwerpselen op straat op te ruimen. Soms werden de uitwerpselen van de strontkar naar boeren gebracht, die het als mest gebruikten voor hun akkers.

Toilet en riolering

Met de komst van het riool en de toilet in de negentiende eeuw verdween de strontkar. Maar het duurde nog lang voordat alle woningen en plaatsen waren aangesloten op de riolering.  Er zijn nog gevallen bekend waar de stronttonnetjesschepper zelfs na de Tweede Wereldoorlog nog door ging. Voor plaatsen die niet aangesloten waren op de riolering, werd afvalwater opgeslagen en regelmatig leeggezogen door een gierwagen; de moderne versie van de strontkar.

X


LANAKEN - VERWELKOMING GRENSWIELRIJDERS 1934

Groots onthaal van de grenswielrijders. Ze krijgen een onderkomen in de nieuwe kazerne. Ze worden begroet door de burgerlijke en kerkelijke overheid, douaniers en oud-strijders. De bevolking troept samen om het schouwspel mee te maken. De foto is genomen aan de kerk.

XX

DE TIJD VAN TOEN: NEERPELT KERMIS 1895


De foorkramers hebben hun kramen opgezet in het centrum van Neerpelt. Het is een drukke bedoening op de hoek van de Kerkstraat en de Kloosterstraat aan het Vlaams Hoes.

X



vrijdag 5 april 2024

MOL (TOEN MOLL) - KEMPISCHE WONING


X

GENK (TOEN GENCK) - PAD LANGS DE MOLEN


XX

GENK (TOEN GENCK) - DE MOLEN


De Oude Molen (ook wel "De Molen Vaes" genoemd). Deze molen was een houten windkorenmolen gelegen aan de noordzijde van de huidige Schabartstraat (huisnummer 7, zijde Windmolenstraat), op de hoek met de Berglaan en de Hoogstraat, op de Stichelsberg. Ze werd in 1910 overgebracht naar zonhoven en kreeg daar de benaming "Molen Evers". In 1935 werd ze daar gesloopt. Op de achtergrond is de Sint-Martinuskerk te zien. 

XX

GENK (TOEN GENCK) - DE MOLEN


Rechts naast het huisje de Oude Molen (ook wel "De Molen Vaes" genoemd). Deze molen was een houten windkorenmolen gelegen aan de noordzijde van de huidige Schabartstraat (huisnummer 7, zijde Windmolenstraat), op de hoek met de Berglaan en de Hoogstraat, op de Stichelsberg. Ze werd in 1910 overgebracht naar zonhoven en kreeg daar de benaming "Molen Evers". In 1935 werd ze daar gesloopt.

XXX



maandag 1 april 2024

DE MIJN - DE MELKBAR (EISDEN)


Na een werkpost konden de koolputters in de melkbar terecht voor een kleine hap, een flesje melk of andere niet-alcoholische drank. Heel wat koolputters maakten daar gebruik van. Toch waren het vooral degenen die op de bus moesten wachten die er even bleven hangen. De koolputters die in de buurt woonden, verkozen veelal het dichtstbijzijnde café om het stof met bier door te spoelen.

X

DE TIJD VAN TOEN: DE KOLENBOER


Ingekleurde versie


In het lange proces van steenkoolexploitatie tot eindproduct thuis werd de kolenboer wel eens vergeten. Die kwam meermaals per jaar kolen leveren, vooral tijdens het vallen van de bladeren. Zo zwart als een koolputter en niet minder zwetend sleurde hij zakken van vijftig kilogram naar het kolenhok.

Dit was meestal een plek ergens verstoken achter de woning, ofwel een daarvoor speciaal aangelegde kelder met kolengat. Een afgeschuinde opening gaf in dat geval uit op de kleine stockeerplaats van de woning. Het vergde enige behendigheid van de kolenboer om de zak met een kleine draai en met de opening naar beneden in het kolengat te kieperen. In tegenstelling tot de postbode of melkboer werd de kolenboer meestal niet in de woonkamer uitgenodigd voor een borrel, een tas koffie of een pintje. In het beste geval mocht hij in de achterbouw of buiten op de bank even uitrusten. Kolenboeren hadden bij kinderen een reputatie als boeman. Zijn zwarte verschijning en de dreiging van mama of papa dat de kolenboer hen zou meenemen naar de één of andere donkere kolenbunker, waren daar niet vreemd aan. De meeste kolenhandelaars waren eenmansbedrijven, dikwijls hardwerkende arbeiders die de stiel hadden gekozen om vrij en onafhankelijk te kunnen werken. Tot in de jaren '30 werden huishoudkolen enkel geleverd met paard en kar. Vanaf dan deed langzaam de vrachtwagen zijn intrede. Tijdens het Interbellum en ook even na de tweede wereldoorlog telde Limburg honderden kolenhandelaars. Maar eind jaren vijftig en begin jaren zestig begonnen grotere bedrijven greep te krijgen op de distributiemarkt van huishoudkolen. Langzaamaan werden de kleinhandelaars weggedrumd.

XX

DE MIJN - KOLENHOUWERS


De kolenhouwers ontginnen een uitzonderlijke hoge steenkoollaag met een pneumatische afbouwhamer. De kolen werden manueel op een transportband geschept en ondergingen zo hun eerste trip nadat ze miljoenen jaren tot ontwikkeling kwamen. Er wachtte nog een lange weg tot hun eindbestemming als cokes voor de staalindustrie, in één van de elektrische centrales of gewoon als huishoudbrandstof.

X

DE MIJN - DE REDDER 1957


Het gewicht van de uitrusting kon zo'n 35 kilogram bedragen. Na de ramp van Marcinelle in 1956 werd gezocht naar lichtere uitrustingen en betere apparatuur. Toch bleef het tot op de laatste dag een helse klus om reddingsoperaties in pijlers en verafgelegen galerijen uit te voeren.

X

GENK – DE FEESTELIJKE OPENING VAN SHOPPING 1, 1968

Updated Op woensdag 28 augustus 1968, klokslag negen uur, begon voor Genk een nieuw hoofdstuk. Die ochtend opende Shopping 1 zijn deuren: he...