vrijdag 4 september 2026

"DE STORMVOGEL", IN WEER EN WIND

Update

Hoog boven de akkers van het oude Boorsheim stond De Stormvogel als een trouwe wachter over het Maasland. Rond de molen lagen korenvelden, aardappelakkers, bietenland en vochtige weiden. Knotwilgen bogen mee met de westenwind, leeuweriken stegen zingend boven het graan en zwaluwen scheerden laag wanneer regen naderde. Koeien graasden achter eenvoudige afrasteringen, kippen scharrelden bij de boerderijen en boven de molenberg kon soms een torenvalk bijna onbeweeglijk in de lucht blijven hangen. De geschiedenis van deze plek reikt veel verder terug dan de stenen molen die wij vandaag kennen. Reeds in 1616 werd het omliggende gebied aangeduid als het “Windmolenveld”. Hier stond oorspronkelijk een houten banmolen van de heren van Rekem. De inwoners van Boorsem, Rekem en Uikhoven waren voor het malen van hun graan lange tijd aan deze molen gebonden. Na brand, oorlog en herbouw verrees in 1711 opnieuw een houten windmolen. Toen die in 1858 afbrandde, liet molenaar Pieter Eyckelberg op dezelfde plaats een stevige, ronde stenen korenmolen bouwen. Hij gaf hem de krachtige naam De Stormvogel. Het werd een bovenkruier en bergmolen: alleen de kap met de wieken werd naar de wind gedraaid, terwijl de stenen romp vast op zijn molenberg bleef staan. Binnen was de molen een wereld van hout, steen, meel en beweging. Via steile houten trappen bereikte men de maalzolder, steenzolder en luizolder. Wanneer de wind gunstig stond, kwamen de grote maalstenen op gang. Het kraken van de balken, het ritmische slaan van het gangwerk en het zachte suizen van het meel vormden samen de stem van de molen. Zakken graan werden met het luiwerk naar boven gehesen. Beneden wachtten boeren op hun gemalen rogge, tarwe of boekweit. Het meel ging mee naar huis, waar het brood van werd gebakken dat dagelijks op tafel kwam.

De laatste beroepsmolenaar

De man die onlosmakelijk met De Stormvogel verbonden bleef, was Martin Gielen (1907–1991). Hij stamde uit een echte molenaarsfamilie uit het Nederlandse Wessem. Vijf van de zes zonen uit het gezin werden molenaar. Martin leerde het vak op verschillende wind- en watermolens in Nederlands-Limburg. In 1931 kwam hij naar Boorsem; enkele jaren later werd hij eigenaar van De Stormvogel. Hij zou er de laatste beroepsmolenaar worden. Gielen kende iedere balk, kam en molensteen. Hij wist aan het trekken van de wolken en het ruisen van de bomen hoeveel wind eraan kwam. Een molenaar moest niet alleen kunnen malen. Hij was ook timmerman, werktuigkundige, zeilmaker en weerman. Te weinig wind betekende wachten; te veel wind kon de molen beschadigen. Bij buien moesten de zeilen tijdig worden verminderd en bij storm moesten de wieken veilig worden vastgezet. Omstreeks 1934 kwam er een elektrische hamermolen van de Maastrichtse firma Lucien Koppen. Daardoor kon ook bij windstilte worden gemalen. Het betekende echter eveneens dat de traditionele windmolen economisch steeds minder onmisbaar werd. Vrachtwagens, grotere maalderijen en nieuwe landbouwmachines veranderden het eeuwenoude samenspel tussen boer, wind en molen. 

Van zwart naar wit

Oorspronkelijk had de stenen romp een opvallend zwart, geteerd uiterlijk. Die teerlaag beschermde het metselwerk tegen slagregen en vocht. Rond 1963 werd de donkere molen wit geschilderd. Volgens de plaatselijke overlevering gebeurde dit zodat koning Boudewijn de molen beter kon zien vanuit zijn buitenverblijf Friedheim in Opgrimbie, waar hij samen met koningin Fabiola verbleef. De witte romp lichtte voortaan boven de velden op en werd bij helder weer een herkenbaar baken in het landschap. Dat koning Boudewijn werkelijk om de witte kleur vroeg, wordt in de erfgoedbronnen voorzichtig omschreven als “naar verluidt”. Het is dus een sterke lokale overlevering, maar geen volledig bewezen koninklijk bevel. Over een persoonlijk verzoek van koningin Fabiola bestaat geen betrouwbare bevestiging. Toch blijft het een mooi verhaal: de donkere werkmolen van de boeren werd een witte verschijning die zelfs vanuit het koninklijke domein zichtbaar zou zijn geweest. Het nieuwe uiterlijk bracht de molen helaas geen voorspoed. Op 24 augustus 1963 brak door metaalmoeheid een van de roeden. Een jaar later, op 29 mei 1964, werd De Stormvogel beschermd als monument. Wat volgde was een lange en frustrerende strijd van dossiers, aanbestedingen, stijgende kosten en uitgestelde werkzaamheden.

Een molenaar die niet langer wachtte

Na bijna tien jaar briefwisseling had Martin Gielen genoeg van het wachten. Begin jaren zeventig nam hij het lot van zijn molen zelf in handen. Hij kocht tien eiken bomen en begon aan een uitzonderlijk herstelwerk. De asbalk, de korte en lange spruitbalken en de zolders werden vernieuwd. Op de grond timmerde hij een nieuwe kap met een diameter van ongeveer zes meter. In oktober 1973 werd die kap op de romp gehesen en met donkerrode roofing bedekt. Een nieuwe roede werd besteld bij de firma Derckx uit de omgeving van Wessem. Dat werk vertelt misschien nog meer over de molenaar dan een officieel huldebetoon. Waar administraties aarzelden, zaagde, mat en timmerde Gielen verder. De Stormvogel was voor hem geen levenloos monument. Het was zijn werktuig, zijn beroep en een deel van zijn familiegeschiedenis. In 1980 ontving hij het zilveren ereteken van Laureaat van de Arbeid.

Het verdwijnende Molenveld

In de jaren zeventig bevond De Stormvogel zich op een kantelpunt. De oudere inwoners herinnerden zich nog boeren die met paard en kar graanzakken naar de molen brachten. Op de akkers werd geploegd, gezaaid en geoogst volgens het ritme van de seizoenen. Na een natte winter lagen de veldwegen vol modder en karsporen. In de zomer hing stof boven het land en rook men gemaaid gras, graan, mest en warme aarde. Tijdens de oogst klonken stemmen over de velden en werd onder een boom of tegen een korenschoof de boterham opgegeten. Maar de stilte begon langzaam te verdwijnen. Paarden maakten plaats voor tractoren; kleine percelen werden samengevoegd en hagen verdwenen om grotere machines doorgang te geven. Langs de veldwegen verschenen woningen, loodsen, elektriciteitspalen en nieuwe aansluitingen. De smalle landweg werd breder en drukker. Waar vroeger vooral een boerenkar, fietser of kudde passeerde, reden steeds meer personenwagens en vrachtwagens. De Stormvogel zag het onbebouwde landschap veranderen in een woon- en verkeersomgeving. De molen, ooit het economische middelpunt van het veld, werd een herinnering tussen de oprukkende bebouwing. Het geluid van maalstenen en wieken verstomde geleidelijk onder het geraas van motoren. Toch bleef zijn witte romp boven alles uitsteken, alsof hij weigerde zijn plaats in het landschap prijs te geven. Wanneer de avond over Boorsem viel, streek het laatste zonlicht langs de witte muren. De schaduwen van de wieken lagen lang over de molenberg. In de verte klonk een hond, een tractor keerde terug naar het erf en boven de velden verzamelden de kraaien zich voor de nacht. 

X




Geen opmerkingen:

Een reactie posten

"DE STORMVOGEL", IN WEER EN WIND

Update Hoog boven de akkers van het oude Boorsheim stond De Stormvogel als een trouwe wachter over het Maasland. Rond de molen lagen korenve...