In het Kerkstreutsje had het lemen huisje van Jobke zich veilig tegen de hoge kerkhofmuur genesteld. De Kerkhofmuur was eigenlijk de achterwand van het huisje. Dat huisje en zijn bewoners straalden voor ons, kinderen, iets mysterieus uit. Ik vroeg me vaak af, hoe gevaarlijk het wel was, bij het middageten ongekookt water te drinken uit de put vlak bij de muur, water dat door zovele lijken en geraamten gevloeid had. Ik zou het nooit gewaagd hebben, mijn handen ermee te wassen, laat staan er een druppel van te drinken. Maar Jobke en de zijnen blaakten van gezondheid. Dat was voor mij een mirakel. In mijn kinderlijke onwetendheid zag ik niet in, dat de lijken in die tijd nog <<kerngezond>> waren, voor de omwonenden althans, en dat ze er nog niet, zoals tegenwoordig, volgepropt zaten met hoogstgiftige geneesmiddelen. Wie weet functioneerden ze niet als doeltreffende drinkwaterfilters? Ik vroeg me ook af, of Jobke nooit spoken zag, als hij 's avonds, soms heel laat, van zijn werk kwam. Hij liep dan schuin over het verlaten marktpleintje, waar slechts één armoedig lampje brandde, en verdween tussen het schemerige huis Gos en de kerkhofmuur in het nachtdonkere streutsje. Als in een zwarte mollenpijp. Als je 't hem vroeg, glimlachte hij geluidloos met zijn onschuldig rond gezichtje. Ik vond zijn manier van doen op zijn minst verdacht. Maar toch bewonderde ik hem om zijn rustige vertrouwdheid met de doden. Soms lag ik 's avonds lang met mijn ogen groot open naar het zwarte plafond te staren. En dan stelde ik me levendig voor, hoe Jobke en zijn gezin aan de ene kant van de muur sliepen en de honderden doden, die daar begraven lagen, aan de andere kant. Ik griezelde gezellig, want ik voelde me in mijn eigen bed veilig ver verwijderd van die vreemde plaats, die me, zodra de deemstering viel, toch zo sinister leek. Maar de werkelijkheid overtrof mijn verbeelding in hoge mate, want toen, na de tweede wereldoorlog, de roekeloze vernieuwers samen met het nog resterende stukje oude muur ook dit schilderachtige kleinood gewetenloos sloopten en de grond eronder omwoelden, kwamen er stapels schedels en beenderen aan de oppervlakte: de bewoners van dit huisje hadden dus niet alleen naast, maar ook op de doden gewoond, gewerkt, gegeten, gepraat, gelachen en geslapen. Ik stond verbaasd te kijken naar de stoffelijke overblijfselen van onze voorouders die hier in de mulle aarde lagen. Voorzichtig stootte ik met de punt van mijn schoen tegen een gele schedel en gewillig rolde hij zijn gezicht naar me toe. Hij scheen me goedmoedig vanuit zijn donkere oogholten aan te kijken en me rustig toe te lachen met al zijn lange, nog gave tanden bloot. Ik huiverde eerbiedig. Nog even bleef ik namijmeren over dit merkwaardige woninkje en zijn bewoners en over deze zwijgende getuigenissen van wat ééns menselijk leven was geweest. Toen liep ik, langs het inmiddels ook verder afgegraven kerkhof, naar huis. En dat trieste beeld herinnerde me schrijnend aan de oorlogsjaren zelf, toen de cultuurbarbaren het grootste gedeelte van de muur rond de kerk en de twee stemmige toegangspoorten vernielden en toen de skeletresten tot voor de pui van het gemeentehuis lagen.
X

Geen opmerkingen:
Een reactie posten